‘Flint!’ riep Tanis meer dan eens. ‘Wacht op ons!’
Maar hij en de anderen verloren steeds meer terrein, tot ze de dwerg uit het oog verloren. Flints spoor bleek echter nog duidelijker dan dat van Berem. Het kostte hun weinig moeite om de afdrukken van zijn zware laarzen te volgen, om nog maar te zwijgen over de afgebroken boomtakken en uit de grond gerukte ranken die hij in zijn kielzog achterliet.
Toen werden ze opeens tot staan gebracht.
Ze hadden opnieuw een rotswand bereikt, maar deze keer was er een doorgang: een smalle, tunnelachtige opening in de rots. De dwerg kon er kennelijk makkelijk doorheen, want ze konden zijn voetsporen onderscheiden, maar het was zo smal dat Tanis de moed verloor bij de aanblik.
‘Berem is erdoorheen gegaan,’ zei Caramon grimmig, wijzend naar een veeg vers bloed op de stenen.
‘Misschien,’ zei Tanis weifelend. ‘Ga eens kijken waar dit uitkomt, Tas,’ beval hij, want hij had weinig zin om zich naar binnen te persen zonder zeker te weten dat hij niet voor het lapje werd gehouden.
Tasselhof kroop met gemak de tunnel in, en al snel hoorden ze hem met zijn schrille stem op verwonderde toon iets roepen, maar de echo was zo erg dat ze hem niet goed konden verstaan.
Opeens klaarde Fizbans gezicht op. ‘Hier is het!’ riep de oude magiër opgetogen. ‘We hebben het gevonden! Godsheem! De ingang, door deze tunnel!’
‘Is er geen andere ingang?’ vroeg Caramon, die somber naar de smalle doorgang staarde.
Fizban keek bedachtzaam. ‘Nou, ik meen me te herinneren...’
Toen klonk het helder en duidelijk aan de andere kant: ‘Schiet op, Tanis!’
‘Geen doodlopende weggetjes meer. We gaan hierdoor naar binnen,’ mompelde Tanis. ‘Op de een of andere manier.’
Op handen en voeten kropen de reisgenoten door de smalle opening. Het werd er niet gemakkelijker op; op sommige stukken moesten ze zich als slangen plat op hun buik door de modder wurmen. Caramon had het met zijn brede schouders het moeilijkst, en even was Tanis bang dat ze de grote man achter moesten laten. Tasselhof stond hen aan de andere kant op te wachten en tuurde bezorgd naar binnen.
‘Ik hoorde iets, Tanis,’ zei hij steeds. ‘Flint riep iets. Ergens voor ons. En wacht tot je het hier ziet, Tanis! Je gelooft je ogen niet.’
Maar Tanis had geen tijd om te luisteren en om zich heen te kijken, niet voordat iedereen veilig de tunnel uit was. Met z’n allen moesten ze Caramon eruit trekken, en toen hij er eindelijk door was, had hij schrammen en sneeën op zijn rug en armen.
‘Hier is het,’ verklaarde Fizban. ‘We zijn er.’
De halfelf draaide zich om om naar de plaats te kijken die Godsheem werd genoemd.
‘Niet bepaald de plaats die ik zou uitkiezen om te gaan wonen als ik een god was,’ merkte Tasselhof met gedempte stem op.
Tanis moest het daar wel mee eens zijn.
Ze stonden aan de rand van een ronde kom in het midden van een berg. Het eerste wat Tanis opviel toen hij Godsheem aanschouwde was hoe overweldigend leeg en troosteloos het er was. Langs het pad door de bergen hadden de reisgenoten overal tekenen van nieuw leven gezien: bomen met ontluikende knoppen, het gras dat groener werd, wilde bloemen die zich door de modder en de laatste sneeuw heen een weg naar boven hadden gebaand. Maar hier was er niets. De bodem van de kom was volmaakt vlak en glad, en helemaal kaal, grijs en levenloos. De pieken van de berg die de kom omringden staken hoog boven hen uit. De scherpe rotspunten leken naar binnen te leunen, waardoor je het gevoel kreeg dat je werd weggedrukt in de afgebrokkelde steen onder je voeten. De hemel boven hen was azuurblauw, helder en kil. Geen zon, geen vogels en geen wolken, al regende het nog toen ze de tunnel inkropen. Het leek wel een oog met grijze, roerloze oogleden. Huiverend wendde Tanis zijn blik af van de hemel en keek nogmaals naar de kom.
Onder dat starende oog, midden in de kom, stond een kring enorme, vormeloze keien. Het was een volmaakte cirkel, gemaakt van onvolmaakte rotsblokken. Ze pasten echter zo goed in elkaar en stonden zo dicht opeen dat Tanis, toen hij ertussendoor probeerde te kijken, niet kon zien wat de vreemde stenen zo plechtstatig bewaakten. Buiten die stenen was er niets te zien op die met rotsen bezaaide, stille plek.
‘Ik word hier vreselijk droevig van,’ fluisterde Tika. ‘Niet dat ik bang ben, want het straalt geen kwaad uit, maar wel heel veel verdriet. Als de goden hier inderdaad bijeenkomen, doen ze dat vast om de problemen van de wereld te bewenen.’
Fizban draaide zich om naar Tika en nam haar vorsend op, maar voordat hij iets kon zeggen riep Tasselhof: ‘Daar, Tanis!’
‘Ik zie het!’ De halfelf zette het op een rennen.
Aan de andere kant van de kom zag hij de vage contouren van zo te zien twee gestalten — een grote en een kleine — die met elkaar worstelden.
‘Het is Berem!’ gilde Tas. Met zijn scherpe kenderogen kon hij het tweetal duidelijk onderscheiden. ‘En hij doet iets met Flint. Schiet op, Tanis!’
Zichzelf bitter vervloekend omdat hij het zo ver had laten komen, niet beter op Berem had gelet en de man niet had gedwongen de geheimen te onthullen die hij zo overduidelijk bewaarde, rende Tanis op de vleugels van angst over de rotsachtige bodem. Hij hoorde de anderen naar hem roepen, maar hij besteedde geen aandacht aan hen. Zijn blik was gericht op het tweetal vóór hem, dat hij nu duidelijk kon onderscheiden. Voor zijn ogen zag hij de dwerg op de grond vallen. Berem boog zich over hem heen.
‘Flint!’ gilde Tanis.
Zijn hart bonsde zo hevig dat hij vlekken voor zijn ogen zag. Zijn longen schrijnden alsof er niet genoeg lucht was om in te ademen. Toch rende hij nog sneller, en nu zag hij dat Berem zich naar hem omdraaide. Hij leek iets te zeggen, want Tanis zag zijn lippen bewegen, maar door het razen van het bloed in zijn oren kon hij niet verstaan wat. Aan Berems voeten lag Flint. De dwerg had zijn ogen gesloten, zijn hoofd hing slap opzij en zijn gezicht was asgrauw.
‘Wat heb je gedaan?’ krijste Tanis tegen Berem. ‘Je hebt hem vermoord!’ Verdriet, schuldgevoel, wanhoop en razernij spatten in zijn binnenste uiteen als een vuurbal van de oude magiër en vulde zijn hoofd met ondraaglijke pijn. Hij zag niets door het rode waas voor zijn ogen.
Zijn zwaard lag in zijn hand, hij had geen idee hoe het daar was gekomen. Berems gezicht zweefde te midden van dat bloedrode waas, en de ogen van de man vulden zich, niet met angst, maar met een diepe droefheid. Tanis zag die ogen groot worden van pijn, en pas toen besefte hij dat hij het zwaard in Berems weerloze lichaam had gestoken, zo diep dat hij voelde hoe het blad door vlees en botten sneed en langs het steen schraapte waar de Immerman tegenaan leunde.
Warm bloed stroomde over Tanis’ handen. Een afschuwelijke kreet galmde door zijn hoofd, waarop hij bijna door iets zwaars tegen de grond werd gedrukt.
Berems lichaam viel slap over hem heen, maar hij merkte het niet. Verwoed probeerde hij zijn zwaard los te trekken en opnieuw toe te steken. Sterke handen grepen hem vast, maar in zijn razernij worstelde de halfelf zich los. Eindelijk wist hij zijn zwaard los te trekken, en hij keek toe hoe Berem op de grond viel, terwijl het bloed gutste uit de vreselijke wond vlak onder de groene edelsteen in zijn borst, die een onreine, levendige gloed uitstraalde.
Achter zich hoorde hij een diepe basstem en een smekende, snikkende vrouwenstem, gevolgd door een schrille kreet van verdriet. Woedend draaide Tanis zich om naar degenen die het waagden hem te dwarsbomen. Hij zag een grote man met een bedroefd gezicht en een roodharig meisje bij wie de tranen over de wangen stroomden. Ze kwamen hem geen van beiden bekend voor. Toen dook er voor hem een heel oude man op. Zijn gezicht stond kalm en zijn leeftijdloze ogen waren gevuld met droefheid. De oude man glimlachte vriendelijk naar Tanis en legde zijn hand op diens schouder.