Zijn aanraking was als koel water op het gezicht van een koortsige man. Langzaam maar zeker kon Tanis weer helder denken. Het bloedige waas voor zijn ogen trok weg. Hij liet het met bloed besmeurde zwaard uit zijn rode handen vallen en liet zich snikkend voor Fizban op zijn knieën zakken. De oude man boog zich over hem heen en klopte op zijn schouder.
‘Sterk zijn, Tanis,’ zei hij zachtjes, ‘want je moet afscheid nemen van iemand die een lange reis voor de boeg heeft.’
Opeens wist Tanis het weer. ‘Flint!’ riep hij verstikt.
Fizban knikte bedroefd en wierp een blik op Berems lichaam. ‘Kom mee. Hier kun je niets meer doen.’
Tanis slikte zijn tranen weg en kwam wankel overeind. Hij duwde de magiër opzij en strompelde naar Flint toe, die met zijn hoofd op Tasselhofs schoot op de rotsachtige grond lag.
De dwerg glimlachte toen hij de halfelf zag aankomen. Op zijn knieën ging Tanis naast zijn oudste vriend zitten. Hij pakte Flints knoestige hand vast en liet hem niet meer los.
‘Ik was hem bijna kwijtgeraakt, Tanis,’ zei Flint. Met zijn andere hand tikte hij op zijn borst. ‘Berem wilde net wegglippen door dat andere gat daar, in de rotswand, toen dat oude hart van me het eindelijk begaf. Hij... hij hoorde me een kreet slaken, denk ik, want opeens had hij zijn armen om me heen en liet hij me op de grond zakken.’
‘Dus hij... hij deed je helemaal... geen pijn...’ Tanis kon nauwelijks een woord uitbrengen.
Flint slaagde erin te snuiven. ‘Mij pijn doen! Die man doet geen vlieg kwaad, Tanis. Hij is net zo zachtaardig als Tika.’ De dwerg glimlachte naar het meisje, dat eveneens naast hem neerknielde. ‘Zorg goed voor die grote klungel van een Caramon, hoor je me?’ zei hij. ‘Zorg dat hij de donkere wolken achter zich laat.’
‘Dat beloof ik, Flint,’ zei Tika snikkend.
‘Nu kun je er in elk geval niet meer voor zorgen dat ik verdrink,’ bromde de dwerg met een blik vol genegenheid op Caramon. ‘En als je die broer van je ziet, geef hem dan maar een schop onder zijn kont voor me.’
Caramon kon geen woord uitbrengen. Hij schudde slechts zijn hoofd. ‘Ik... ik ga maar eens voor Berem zorgen,’ mompelde de grote man. Hij hielp Tika teder overeind en liep met haar weg.
‘Nee, Flint! Je mag niet zomaar zonder mij op avontuur gaan!’ jammerde Tas. ‘Dan loop je maar in zeven sloten tegelijk, dat weet je best!’
‘Dan heb ik voor het eerst sinds ik jou heb leren kennen eens een beetje rust,’ zei de dwerg bars. ‘Ik wil jou mijn helm geven, die met de griffioenmanen.’ Hij keek Tanis streng aan voordat hij zijn blik weer op de snikkende kender richtte. Zuchtend gaf hij een klopje op Tas’ hand. ‘Sst, jongen, trek het je niet zo aan. Ik heb een gelukkig leven gehad en ben gezegend met trouwe vrienden. Ik heb veel kwaads gezien, maar ook veel goeds. En nu gloort er hoop in deze wereld. Ik vind het vreselijk dat ik je moet achterlaten,’ - hij richtte zijn snel troebel wordende blik op Tanis - ‘nu je me het hardst nodig hebt. Maar ik heb je alles geleerd wat ik weet, m’n jongen. Het komt allemaal wel goed. Ik weet het... zeker... goed...’
Zijn stem stierf weg, en moeizaam ademend sloot hij zijn ogen. Tanis hield zijn hand stevig vast. Tasselhof begroef zijn gezicht tegen Flints schouder. Toen stond Fizban opeens aan Flints voeten.
De dwerg opende zijn ogen. ‘Nu weet ik wie u bent,’ zei hij zachtjes. Met heldere ogen keek hij Fizban aan. ‘U gaat toch wel met me mee? In elk geval het eerste deel van de reis... zodat ik niet alleen ben? Ik reis al zo lang samen met vrienden... dat ik het een raar idee vind... om zomaar in m’n eentje... weg te gaan...’
‘Ik ga met je mee,’ beloofde Fizban vriendelijk. ‘Sluit je ogen en rust zacht, Flint. De problemen van deze wereld zijn jouw zorg niet meer. Je hebt het recht verdiend om te slapen.’
‘Slapen,’ zei de dwerg glimlachend. ‘Ja, daar heb ik behoefte aan. Maak me wakker als je zover bent... maak me wakker als het tijd is om weg te gaan...’ Flint sloot zijn ogen. Hij ademde rustig en diep in en toen weer uit...
Tanis drukte de hand van de dwerg tegen zijn lippen. ‘Vaarwel, oude vriend,’ fluisterde de halfelf. Hij legde de hand terug op Flints roerloze borst.
‘Nee! Flint! Nee!’ Wild gillend stortte Tas zich op het lichaam van de dwerg. Teder tilde Tanis de snikkende kender op. Tas schopte en worstelde, maar de halfelf hield hem stevig vast, als een kind, en eindelijk gaf hij het op. Uitgeput klampte hij zich aan Tanis vast en huilde bittere tranen.
Tanis streek de kender over zijn knot, maar hield daarmee op toen hij opkeek.
‘Wacht! Wat doe je, oude man?’ riep hij.
Hij zette Tas op de grond en kwam snel overeind. De frêle oude magiër had Flints lichaam opgetild en liep voor de ogen van de geschokte Tanis op de merkwaardige stenenkring af.
‘Blijf staan,’ beval Tanis. ‘We moeten een ceremonie voor hem houden, een hunebed bouwen.’
Fizban draaide zich om. De oude man keek streng. Hij hield de zware dwerg teder en met gemak in zijn armen.
‘Ik heb hem beloofd dat hij niet alleen hoefde te reizen,’ zei Fizban eenvoudig.
Hij draaide zich om en liep door in de richting van de stenen. Na een korte aarzeling rende Tanis achter hem aan. De anderen keken als aan de grond genageld Fizbans kleiner wordende gestalte na.
Tanis had verwacht dat hij geen enkele moeite zou hebben om de oude man in te halen, zeker nu die zo’n zware last torste. Maar Fizban kwam ongelooflijk snel vooruit, alsof hij en de dwerg zo licht waren als een veertje. Tanis daarentegen werd zich opeens bewust van het gewicht van zijn eigen lichaam en had het gevoel dat hij een rookpluimpje probeerde te vangen voordat het opsteeg naar de hemel. Toch strompelde hij achter hen aan, en hij wist hen te bereiken op het moment dat de oude magiër, nog steeds met Flints lichaam in zijn armen, de stenenkring betrad.
Zonder erbij na te denken perste Tanis zich tussen de stenen door. Het enige wat hij wist was dat hij die gekke oude magiër moest tegenhouden en het lichaam van zijn vriend moest zien terug te krijgen.
In de kring bleef hij staan. Voor hem strekte zich een waterpoel uit, zo leek het althans, en niets verstoorde het volmaakt gladde oppervlak. Toen zag hij echter dat het geen water was, maar glasachtige zwarte steen. Het diepzwarte oppervlak was gepoetst tot het glansde. Donker als de nacht strekte het zich voor Tanis uit, en toen hij in de zwarte diepte keek, zag hij tot zijn schrik zelfs sterren. Ze waren zo duidelijk dat hij onwillekeurig opkeek, half in de verwachting dat het donker was geworden, al wist hij dat het pas halverwege de middag was. De hemel boven hem was azuurblauw, koud en helder, geen sterren, geen zon. Zo van slag dat zijn benen er slap van werden liet Tanis zich op zijn knieën aan de rand van de poel zakken en staarde naar het blinkende oppervlak. Hij zag de sterren, hij zag de manen, drie manen zag hij, en zijn ziel beefde, want de zwarte maan, die alleen de machtige magiërs van de Zwarte Mantel konden zien, was nu ook voor hem zichtbaar als een donkere cirkel uitgesneden in het duister. Hij kon zelfs de gapende gaten zien waar de sterrenbeelden van de Koningin van de Duisternis en de Heldhaftige Krijger ooit het uitspansel hadden gesierd.
Tanis moest denken aan Raistlins woorden: ‘Allebei verdwenen. Ze is naar Krynn afgedaald, Tanis, en hij is haar gevolgd om het tegen haar op te nemen...’
Toen Tanis opkeek zag hij dat Fizban met Flints lichaam de zwarte rotspoel betrad.
Wanhopig probeerde de halfelf hen te volgen, maar hij kon zichzelf niet dwingen die koude vlakte op te kruipen, net zomin als hij zichzelf had kunnen dwingen in de Afgrond te springen. Hij kon slechts toekijken terwijl de oude magiër, die zachtjes liep alsof hij een slapend kind in zijn armen niet wilde wekken, naar het midden van de glanzende zwarte vlakte liep.
‘Fizban!’ riep Tanis.
De oude man bleef niet staan en draaide zich niet om, maar liep verder te midden van de glinsterende sterren. Tanis voelde dat Tas kwam aankruipen en naast hem ging zitten. Hij pakte de hand van de kender stevig vast, net zoals hij die van Flint had vastgehouden.