De oude magiër bereikte het midden van de stenen poel... en verdween.
Tanis slaakte een kreet van schrik. Tasselhof sprong overeind en wilde het spiegelende oppervlak oprennen, maar de halfelf hield hem tegen.
‘Nee, Tas,’ zei hij vriendelijk. ‘Op dit avontuur kun je hem niet vergezellen. Nog niet. Je moet nog een tijdje bij me blijven. Ik heb je hulp nodig.’
Tasselhof trok zich terug, ongewoon gehoorzaam, maar tegelijk wees hij.
‘Kijk, Tanis,’ fluisterde hij met bevende stem. ‘Het sterrenbeeld. Het is terug.’
Tanis staarde naar het oppervlak van de zwarte poel en zag dat de sterren van de Heldhaftige Krijger terugkeerden. Ze flakkerden en begonnen toen te stralen, zodat ze de donkere poel vulden met hun blauwwitte licht. Snel keek Tanis omhoog, maar de hemel was nog steeds blauw en leeg.
4
Het verhaal van de Immerman.
‘Tanis!’ riep Caramon.
‘Berem!’ Nu Tanis zich opeens weer herinnerde wat hij had gedaan, draaide hij zich om en rende struikelend over de met stenen bezaaide bodem van de kom op Caramon en Tika af. Die staarden vol afschuw naar de met bloed besmeurde rotsen waar Berem tegenaan lag. Berem kwam in beweging, kreunend - niet van pijn, maar alsof hij zich pijn herinnerde. Met zijn bevende hand tegen zijn borst gedrukt kwam Berem langzaam overeind. Het enige wat nog op zijn afgrijselijke verwonding wees was het spoortje bloed op zijn huid, en zelfs dat verdween voor Tanis’ ogen.
‘Hij wordt de Immerman genoemd, weet je nog?’ zei Tanis tegen de asgrauwe Caramon. ‘Sturm en ik hebben hem in Pax Tharkas zien sterven, bedolven onder een ton stenen. Hij is talloze keren gestorven, om telkens weer te verrijzen. En hij beweert niet te weten waarom.’ Tanis liep op Berem af, ging heel dicht bij hem staan en keek hem strak aan. De man beantwoordde zijn blik nors en behoedzaam.
‘Maar je weet het wel degelijk, nietwaar, Berem?’ vroeg Tanis. De stem van de halfelf klonk zacht, zijn houding straalde kalmte uit. ‘Je weet het,’ zei hij, ‘en je gaat het ons vertellen. De levens van vele anderen liggen in de waagschaal.’
Berem sloeg zijn ogen neer. ‘Het spijt me... van jullie vriend,’ mompelde hij. ‘Ik... ik probeerde hem nog te helpen, maar ik kon niets—’
‘Weet ik.’ Tanis slikte. ‘Het spijt mij ook... wat ik heb gedaan. Ik... ik zag het niet... ik begreep het niet...’
Maar zodra hij het zei, besefte hij dat het gelogen was. Hij had het wel degelijk gezien, alleen had hij gezien wat hij wilde zien. Voor hoeveel andere dingen in zijn leven gold dat? Hoeveel van wat hij zag werd door zijn brein vervormd? Hij had Berem niet begrepen omdat hij hem niet wilde begrijpen. Voor Tanis was Berem de verpersoonlijking geworden van alle duistere, geheime facetten van zichzelf waar hij zo’n hekel aan had. Hij had Berem gedood, wist de halfelf, maar eigenlijk had hij zichzelf aan dat zwaard geregen.
En nu was het alsof door die zwaardwond het smerige, alles verterende gif was weggespoeld dat zijn ziel had aangevreten. Nu kon de wond helen. Het verdriet om Flints dood was als een zachte, helende balsem die eroverheen was gegoten en die hem herinnerde aan het goede, aan grote idealen. Eindelijk had Tanis het gevoel dat hij was bevrijd van de duistere schaduw van zijn schuldgevoel. Wat er ook was gebeurd, hij had zijn best gedaan om te helpen, om de dingen ten goede te keren. Daarbij had hij fouten gemaakt, maar nu kon hij zichzelf vergeven en doorgaan met zijn leven.
Misschien zag Berem dat in Tanis’ ogen. In elk geval zag hij verdriet en medeleven. Toen zei Berem opeens, terwijl hij recht in de rood omrande ogen van de halfelf keek: ‘Ik ben moe, Tanis. Ik ben zo ontzettend moe.’ Zijn blik ging naar de zwarte rotspoel. ‘Ik... ik benijd jullie vriend. Hij heeft rust. Hij heeft vrede gevonden. Zal ik dat dan nooit krijgen?’ Hij balde zijn vuist, maar sloeg toen met een huivering zijn handen voor zijn gezicht. ‘Maar ik ben bang. Ik zie het einde. Het is heel dichtbij. En ik ben bevreesd.’
‘Bang zijn we allemaal.’ Zuchtend wreef Tanis zijn brandende ogen uit. ‘Je hebt gelijk. Het einde is nabij, en het lijkt in duisternis gehuld. Jij hebt het antwoord, Berem.’
‘Ik... ik zal jullie zoveel vertellen... als ik kan,’ zei Berem hortend, alsof de woorden uit hem werden getrokken. ‘Maar jullie moeten me helpen.’ Hij greep Tanis’ hand vast. ‘Je moet beloven dat je me zult helpen.’
‘Dat kan ik niet beloven,’ antwoordde Tanis grimmig, ‘niet voordat ik de waarheid weet.’
Berem ging zitten, met zijn rug tegen de met bloed besmeurde rots. De anderen namen om hem heen plaats en sloegen hun mantel strak om zich heen tegen de aanwakkerende wind die langs de hellingen omlaag floot en tussen de vreemde rotsblokken door raasde. Zonder Berem te onderbreken luisterden ze naar zijn verhaal, hoewel Tas nu en dan werd overvallen door een huilbui en zachtjes snufte met zijn hoofd op Tika’s schouder.
In eerste instantie was Berems stem zacht en sprak hij met tegenzin. Soms zagen ze hem met zichzelf worstelen, waarna hij er een deel van het verhaal uit flapte alsof het hem pijn deed. Langzaam maar zeker begon hij echter steeds sneller te praten naarmate de opluchting omdat hij na al die jaren eindelijk de waarheid kon vertellen zijn ziel overspoelde.
‘Toen... toen ik zei dat ik begreep hoe jij’ — hij knikte naar Caramon — ‘je voelde vanwege... vanwege het verlies van je broer, sprak ik de waarheid. Ik... ik had een zusje. We waren geen tweeling, maar we hadden waarschijnlijk wel net zo’n sterke band. Ze was maar een jaar jonger dan ik. We woonden op een kleine boerderij in de buurt van Neraka. Het was een geïsoleerd gebied. Geen buren. Mijn moeder heeft ons thuis leren lezen en schrijven, genoeg om ons te kunnen redden. Meestal waren we op de boerderij aan het werk. Mijn zus was mijn enige metgezel, mijn enige vriendin. En omgekeerd was het net zo.
Ze werkte hard — te hard. Na de Catastrofe moesten we alle zeilen bijzetten om eten op tafel te krijgen. Onze ouders waren oud en ziek. Die eerste winter verhongerden we bijna. Wat je ook hebt gehoord over de Grote Hongersnood, je kunt het je niet voorstellen.’ Zijn stem brak, zijn blik werd troebel. ‘Uitgehongerde troepen wilde dieren en roversbenden zwierven door het land. Omdat we zo geïsoleerd woonden hadden we meer geluk dan veel anderen. Maar vaak bleven we ’s nachts met een knuppel in de hand op omdat de wolven afwachtend om het huis heen slopen... Ik moest toezien dat mijn zusje — een mooi meisje — al voor haar twintigste oud werd. Haar haar was net zo grijs als het mijne nu en haar gezicht was gerimpeld en ingevallen. Maar ze klaagde nooit.
Die lente werd het er niet veel beter op. Maar in elk geval hadden we hoop, zei mijn zusje. We konden zaden planten en die zien groeien. We konden op het wild jagen dat met de lente zou terugkeren. Er zou eten op tafel komen. Ze was dol op jagen. Ze kon goed boogschieten en was graag buiten. Vaak gingen we samen. Die dag...’
Berem zweeg. Hij sloot zijn ogen en begon te beven alsof hij het ijskoud had. Maar hij klemde zijn tanden op elkaar en vertelde verder.
‘Die dag liepen we verder dan gewoonlijk. Na een blikseminslag had een brand het struikgewas verwoest, en we vonden een pad dat we nooit eerder hadden gezien. We hadden weinig geluk gehad met de jacht, dus volgden we het pad in de hoop op wild te stuiten. Maar na een tijdje zag ik dat het geen wildspoor was. Het was een heel oud, door mensenvoeten uitgesleten pad dat al jaren niet meer was gebruikt. Ik wilde teruggaan, maar mijn zusje ging verder, nieuwsgierig waar het zou uitkomen.’
Berems gezicht verstrakte van spanning. Even was Tanis bang dat hij niet verder zou praten, maar Berem ging koortsachtig verder, alsof iets hem voortdreef.
‘Het leidde naar een... een vreemde plek. Mijn zusje zei dat het ooit een tempel moest zijn geweest, een tempel voor boze goden. Ik weet het niet. Het enige wat ik weet is dat er overal stukken van zuilen lagen, overwoekerd met dood onkruid. Ze had gelijk. Er hing een boosaardige sfeer en we hadden weg moeten gaan. We hadden weg moeten gaan van die afschuwelijke plek...’ Dat herhaalde Berem enkele keren zachtjes bij zichzelf, als een bezwering. Toen zweeg hij.