Выбрать главу

Niemand verroerde zich of zei iets, en even later begon hij zo zachtjes weer te praten dat de anderen gedwongen waren zich dicht naar hem toe te buigen om hem te kunnen verstaan. Langzaam drong tot hen door dat hij was vergeten dat ze er waren, en zelfs waar hij was. Hij was teruggekeerd naar dat moment.

‘Maar er staat één heel mooi iets te midden van de ruïnes: de voet van een verwoeste zuil, ingelegd met juwelen.’ Uit Berems zachte stem sprak ontzag. ‘Zoiets moois heb ik nog nooit gezien. Of zoiets kostbaars. Hoe kan ik daar zomaar bij weglopen? Eén juweel maar. Eén juweel zal ons rijk maken. Dan kunnen we naar de stad verhuizen. Dan zullen mannen mijn zusje het hof maken, zoals ze verdient. Ik... ik laat me op mijn knieën vallen en trek mijn mes. Er is één juweel, een groene edelsteen, die fel schittert in het zonlicht. Het is het mooiste wat ik ooit heb mogen aanschouwen. Ik wil het hebben. Ik steek het mes’ — Berem maakte een snelle beweging met zijn hand - ‘onder het juweel in de steen en begin te wrikken.

Mijn zusje is ontzet. Ze roept me, ze beveelt me op te houden.

“Dit is een heilige plaats,” zegt ze smekend. “Het juweel behoort aan een of andere god toe. Dit is heiligschennis, Berem!”’

Berem schudde zijn hoofd. Zijn gezicht stond duister toen hij terugdacht aan zijn woede.

‘Ik doe alsof ik haar niet hoor, al voel ik een kilte in mijn hart terwijl ik het juweel los probeer te krijgen. Maar ik zeg tegen haar: “Als het van de goden was, hebben ze het achtergelaten toen ze ons in de steek lieten.” Maar ze wil niet luisteren.’

Berems ogen vlogen open, en ze waren kil en beangstigend om te zien. Zijn stem kwam van heel ver weg.

‘Ze grijpt me vast. Haar nagels drukken in mijn arm. Het doet pijn.

“Hou op, Berem!” beveelt ze me. Mij, haar oudere broer. “Ik sta niet toe dat je iets bezoedelt wat aan de goden toebehoort.”

Hoe durft ze op die toon tegen me te praten? Ik doe dit immers voor haar. Voor onze familie. Ze moet me niet dwarsbomen. Ze weet wat er kan gebeuren als ik boos word. Dan knapt er iets in mijn hoofd en raakt mijn brein overspoeld. Dan kan ik niet helder zien of nadenken. Ik schreeuw tegen haar: “Laat me met rust!” Maar ze pakt de hand vast waarmee ik het mes vasthoud, en het schiet uit en maakt een kras op het juweel.’

Een krankzinnig licht laaide op in Berems ogen. Heimelijk legde Caramon zijn hand op zijn dolk als de man zijn vuisten balt en zijn stem een bijna hysterische klank krijgt.

‘Ik... ik geef haar een duw... niet eens zo hard... Het was helemaal niet mijn bedoeling om haar zo hard te duwen. Ze valt. Ik moet haar vangen, maar dat lukt niet. Ik beweeg te langzaam, te langzaam. Haar hoofd... slaat tegen de zuil. Een scherpe rand doorboort haar hier,’ - Berem tikte tegen zijn slaap - ‘en bloed stroomt over haar gezicht en de juwelen. Ze glanzen niet meer. Haar ogen glanzen ook niet meer. Ze staren me aan, maar zien me niet. En dan... en dan...’

Een hevige rilling trok door zijn lichaam.

‘Het is een afschuwelijk tafereel dat ik telkens als ik mijn ogen sluit in mijn nachtmerries voor me zie. Het is net als de Catastrofe, alleen werd toen alles vernietigd. Dit is een schepping, maar wat een afgrijselijke, duivelse schepping! De grond splijt open. Reusachtige zuilen vormen zich voor mijn ogen. Uit een afschuwelijke duisternis onder de grond rijst een tempel op. Maar het is geen mooie tempel, hij is lelijk en misvormd. Ik zie de Duisternis voor me oprijzen, Duisternis met vijf kronkelende koppen. De koppen spreken me toe met een stem killer dan het graf.

“Lang geleden werd ik uit deze wereld verbannen, en slechts door een klein stukje van die wereld kan ik terugkeren. De zuil met de juwelen was voor mij een deur die op slot zat en me gevangen hield. Jij hebt me bevrijd, sterveling, en daarom schenk ik je wat je begeert. De groene edelsteen is voor jou.”

Er klinkt afschuwelijk, spottend gelach. Ik voel een brandende pijn in mijn borst. Als ik omlaag kijk, zie ik dat de groene edelsteen in mijn vlees verzonken is, net als nu. Doodsbang voor het afschuwelijke kwaad tegenover me en verbijsterd door mijn eigen boze daad kan ik niets anders doen dan staren terwijl de donkere schaduwgestalte steeds duidelijker vorm aanneemt. Het is een draak. Dat zie ik nu. Een vijfkoppige draak waarover ik als kind nachtmerrieachtige verhalen heb gehoord.

En ik weet dat we gedoemd zijn zodra de draak de wereld betreedt. Want eindelijk besef ik wat ik heb aangericht. Dit is de Koningin van de Duisternis over wie de priesters ons vertelden. Lang geleden werd ze verbannen door de grote Huma, en sindsdien probeert ze terug te keren. En nu zal ze dankzij mijn dwaasheid weer vrij op deze aardbodem kunnen rondlopen. Een van de enorme koppen kronkelt op me af en ik weet dat ik ga sterven, want ze kan iemand die van haar terugkeer getuige is geweest niet in leven laten. Ik zie de vlijmscherpe tanden. Ik kan me niet verroeren. Het kan me ook niets schelen.

Dan staat opeens mijn zusje voor me. Ze leeft, maar als ik haar wil aanraken, voel ik slechts lucht. Ik schreeuw haar naam: “Jasla!”

“Rennen, Berem!” roept ze. “Rennen! Ze kan me niet passeren, nog niet. Rennen!”

Even blijf ik stokstijf staan staren. Mijn zusje zweeft tussen mij en de Duistere Koningin in. Tot mijn ontzetting zie ik dat de vijf koppen zich woedend verheffen, en hun gekrijs geselt mijn oren. Maar ze kunnen mijn zusje niet passeren. Dan beginnen de contouren van de Koningin voor mijn ogen te blikkeren en vervagen. Ze is er nog, een boosaardige schaduwgestalte, maar meer niet. Toch heeft ze grote macht. Ze duikt op mijn zusje af...

Dan pas draai ik me om en ren weg. Ik blijf maar rennen, terwijl de groene edelsteen een gat in mijn borst lijkt te branden. Ik ren tot alles zwart wordt.’

Berem zweeg. Zweetdruppeltjes sijpelden over zijn gezicht alsof hij werkelijk dagen achtereen had gerend. Niet een van de reisgenoten zei iets. Het was alsof het sombere verhaal hen in steen had veranderd, als de rotsblokken die de donkere poel omringden.

Uiteindelijk haalde Berem beverig adem. De troebele blik verdween uit zijn ogen en hij zag hen weer.

‘Daarna volgt een lange periode in mijn leven waar ik me niets van herinner. Toen ik weer tot mezelf kwam, was ik oud geworden, zoals nu. In eerste instantie hield ik mezelf voor dat het een nachtmerrie was, een afschuwelijke droom. Maar toen voelde ik de groene edelsteen branden in mijn borst en wist ik dat het echt was gebeurd. Ik had geen idee waar ik was. Misschien heb ik in mijn omzwervingen van noord naar zuid en van oost naar west over Krynn gereisd. Ik wilde wanhopig graag terugkeren naar Neraka. Maar dat was nu juist de enige plek waarvan ik wist dat ik er niet naartoe kon. Daar had ik de moed niet voor.

Jarenlang zwierf ik rond, niet in staat rust en vrede te vinden, want telkens als ik stierf kwam ik weer tot leven. Overal waar ik ging hoorde ik verhalen over het kwaad dat zich over het land verspreidde, en ik wist dat het mijn schuld was. Toen kwamen de draken en de drakenmannen. Alleen ik wist wat dat betekende. Alleen ik wist dat de Koningin de top van haar macht had bereikt en dat ze de wereld wilde veroveren. Het enige wat ze nog ontbeert ben ik. Waarom? Dat weet ik niet zo goed. Behalve dat ik het gevoel heb dat ik een deur probeer te sluiten die iemand anders juist wil openduwen. En ik ben moe...’

Berems stem haperde. ‘Zo moe,’ zei hij met zijn hoofd in zijn handen. ‘Ik wil dat er een eind aan komt.’

Een hele tijd bleven de reisgenoten zwijgend zitten terwijl ze iets trachtten te bevatten wat leek op een verhaal dat een oude min hun in de donkere uurtjes van de nacht zou vertellen.

‘Wat moet je doen om die deur te sluiten?’ vroeg Tanis.

‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Berem met gedempte stem. ‘Het enige wat ik weet is dat ik naar Neraka word getrokken, terwijl dat juist de enige plek op heel Krynn is waar ik niet naartoe durf. Daarom... daarom liep ik weg.’