‘Maar je gaat ernaartoe,’ zei Tanis langzaam en ferm. ‘Je gaat er samen met ons naartoe. Wij blijven bij je. We laten je niet alleen.’
Berem huiverde en schudde zachtjes jammerend zijn hoofd. Toen hield hij opeens op en keek op. Zijn gezicht was rood aangelopen. ‘Ja!’ riep hij. ‘Ik kan er niet meer tegen. Ik ga met jullie mee. Jullie zullen me beschermen...’
‘We zullen ons best doen,’ prevelde Tanis. Hij zag dat Caramon zijn ogen ten hemel sloeg en vervolgens zijn blik afwendde. ‘Laten we maar op zoek gaan naar de uitgang.’
‘Die heb ik al gevonden.’ Berem zuchtte. ‘Ik was er al bijna doorheen toen ik de dwerg een kreet hoorde slaken. Deze kant op.’ Hij wees naar een smalle spleet tussen de rotsen. Caramon zuchtte en wierp een spijtige blik op de schrammen op zijn arm. Een voor een gingen de reisgenoten de spleet in.
Tanis was de laatste. Hij draaide zich om en keek nog één keer naar de kale vlakte. De duisternis viel nu snel, en de azuurblauwe hemel kleurde paars en ten slotte zwart. De merkwaardige rotsblokken waren in donkere schaduw gehuld. De zwarte stenen poel waar Fizban was verdwenen kon hij niet meer zien.
Het was een vreemde gedachte dat Flint er niet meer was. In zijn binnenste voelde hij een grote leegte. Telkens verwachtte hij de norse stem te horen van de dwerg, die klaagde over zijn pijntjes of ruziede met de kender.
Even worstelde Tanis met zichzelf in een poging zijn vriend zo lang mogelijk vast te houden. Toen liet hij Flint stilletjes los. Hij draaide zich om, kroop door de smalle spleet in de rotswand en verliet Godsheem, om nooit meer terug te keren.
Toen ze eenmaal weer op het pad waren, volgden ze het tot ze bij een kleine grot kwamen. Daar zochten ze dicht bij elkaar beschutting. Een vuur durfden ze niet aan te leggen zo dicht bij Neraka, het machtscentrum van het drakenleger. Een tijdje zei niemand iets, maar toen begonnen ze te praten over Flint, om hem te kunnen loslaten zoals Tanis had gedaan. Het waren fijne herinneringen die ze ophaalden, herinneringen aan Flints rijke, avontuurlijke leven.
Ze lachten hartelijk toen Caramon het verhaal vertelde over het rampzalige kampeerreisje waarbij hij de boot had doen omslaan toen hij met zijn blote handen een vis probeerde te vangen en Flint in het water was gevallen. Tanis vertelde hoe de dwerg Tas had leren kennen, toen de kender er ‘per ongeluk’ vandoor ging met een armband die Flint had gemaakt en die hij op de markt probeerde te verkopen. Tika moest denken aan het prachtige speelgoed dat hij voor haar had gemaakt, en aan zijn vriendelijkheid toen haar vader was verdwenen, waarop hij het meisje bij zich in huis had genomen tot Otik haar werk en onderdak had geboden.
Deze en vele andere herinneringen deelden ze, tot tegen het eind van de avond de pijn en verbittering waren verdwenen en alleen het schrijnende verdriet nog overbleef.
Bij de meesten van hen, althans.
Tot diep in de nacht bleef Tasselhof bij de ingang van de grot naar de sterren zitten staren. Hij had Flints helm in zijn kleine handen, en de tranen stroomden vrijelijk over zijn gezicht.
Rouwlied van de kenders
5
Neraka.
Tot hun verbazing ontdekten de reisgenoten dat het heel simpel zou zijn om Neraka binnen te komen.
Doodsimpel.
‘Wat gebeurt er in de naam van de goden allemaal?’ mompelde Caramon toen hij en Tanis, nog steeds gekleed in hun gestolen drakenleger-uniform, vanuit hun verborgen uitzichtspunt in de bergen ten westen van Neraka naar de vlakte keken.
Kronkelende zwarte lijnen kropen over de kale vlakte naar het enige gebouw binnen honderd mijl, de tempel van de Koningin van de Duisternis. Het leek of er honderden adders uit de bergen kwamen kruipen, maar dit waren geen adders. Dit was het drakenleger, duizenden soldaten sterk. De twee toekijkende mannen zagen hier en daar het zonlicht blinken op een speer of een schild. Vlaggen in de kleuren zwart, rood en blauw wapperden aan lange staken met daarop de emblemen van de Drakenheren. Hoog boven hen vulden draken de hemel met een afschuwelijke regenboog van kleuren: rood, blauw, groen en zwart. Twee reusachtige vliegende citadels zweefden boven het ommuurde tempelcomplex; de schaduwen die ze wierpen hulden het landschap in oneindige duisternis.
‘Weet je,’ zei Caramon langzaam, ‘het is maar goed dat die oude man ons daar aanviel. Anders waren we met onze koperen draken midden in deze menigte beland en ter plekke afgeslacht.’
‘Ha,’ beaamde Tanis afwezig. Hij had veel nagedacht over ‘die oude man’ en een paar dingetjes bij elkaar opgeteld: wat hij zelf allemaal had gezien en wat Tas hem had verteld. Hoe meer hij over Fizban nadacht, hoe beter hij ging begrijpen hoe de vork in de steel zat. Zijn huid ‘rilde’, zoals Flint zou hebben gezegd.
Toen hij aan Flint dacht, voelde hij een pijnlijke steek in zijn hart, en resoluut zette hij zijn gedachten aan de dwerg - en de oude man - van zich af. Hij had nu al meer dan genoeg aan zijn hoofd, en deze keer waren er geen oude magiërs die de kastanjes voor hem uit het vuur konden halen.
‘Ik weet niet wat er gaande is,’ zei Tanis zachtjes, ‘maar het werkt deze keer in ons voordeel, niet in ons nadeel. Weetje nog wat Elistan een keer zei? Op de schijven van Mishakal staat geschreven dat het kwaad zich tegen zichzelf zal keren. De Duistere Koningin verzamelt haar troepen, om wat voor reden dan ook. Waarschijnlijk om Krynn de doodssteek te geven. Maar dankzij de verwarring kunnen we gemakkelijk naar binnen glippen. Niemand zal acht slaan op twee bewakers die een groep gevangenen komt afleveren.’
‘Dat hoop je,’ voegde Caramon er somber aan toe.
‘Dat bid ik,’ zei Tanis zachtjes.
De wachtkapitein bij de poort van Neraka was een zwaar geplaagd man. De Duistere Koningin had opgeroepen tot een krijgsberaad, en pas voor de tweede keer sinds het begin van de oorlog kwamen de Drakenheren van het werelddeel Ansalon samen. Vier dagen eerder waren de eersten in Neraka aangekomen en daarmee was het leven van de kapitein in een nachtmerrie veranderd.
De Drakenheren dienden op basis van hun rangorde om de beurt de stad te betreden. Heer Ariakas werd dan ook als eerste toegelaten met zijn persoonlijke gevolg, zijn soldaten, zijn lijfwachten en zijn draken; daarna Kitiara, de Zwarte Vrouwe, met haar persoonlijke gevolg, haar soldaten, haar lijfwachten en haar draken; daarna Ludien van Takar met zijn persoonlijke gevolg, zijn soldaten enzovoorts, tot en met Drakenheer Padh van het oostelijke front.
Het systeem was niet alleen bedoeld als eerbetoon aan de hooggeplaatste lieden. Het had ook als doel grote aantallen soldaten en draken, compleet met voorraden, een complex in en uit te leiden dat er niet op gebouwd was om zo’n omvangrijk leger te herbergen. En aangezien de Drakenheren elkaar voor geen cent vertrouwden, lieten ze zich er geen van allen toe bewegen om ook maar één dracoon minder mee naar binnen te nemen dan de anderen. Het was een goed systeem en het had prima moeten werken. Helaas was er al helemaal in het begin een probleem ontstaan, omdat heer Ariakas twee dagen te laat arriveerde.
Had hij dat met opzet gedaan om de verwarring te creëren waarvan hij wist dat die zou ontstaan? De kapitein wist het niet en durfde het niet te vragen, maar hij had er zo zijn eigen ideeën over. Dat betekende uiteraard dat de Drakenheren die vóór Ariakas waren aangekomen gedwongen waren om op de vlakte voor het tempelcomplex hun kamp op te slaan tot de heer zijn opwachting maakte. Dat leidde tot problemen. De draconen, kobolden en menselijke huursoldaten verlangden naar de geneugten van het tentenkamp dat op het plein voor de tempel in allerijl was opgezet. Ze hadden een heel eind gemarcheerd en werden begrijpelijkerwijs boos toen hun die geneugten werden ontzegd.