Velen klommen ’s avonds stiekem over de muur, aangetrokken door de taveernes als bijen door honing. Er braken gevechten uit, want de soldaten van de ene Drakenheer waren alleen die bepaalde Drakenheer trouw, en niemand anders. De kerkers onder de tempel zaten stampvol. Uiteindelijk gaf de kapitein zijn mannen bevel om elke morgen de dronkenlappen met kruiwagens de stad uit te rijden en op de vlakte te dumpen, waar ze werden opgehaald door hun ziedende bevelhebbers.
Ook onder de draken braken onlusten uit omdat de leiders probeerden elkaar de loef af te steken. Een grote groene draak, Cyaan Bloednagel, had in een gevecht om een hert zelfs een rode draak gedood. Helaas voor hem was die rode draak het lievelingetje van de Duistere Koningin. Nu zat de groene draak gevangen in een grot onder Neraka, waar hij zo hard brulde en met zijn staart zwiepte dat velen aan de oppervlakte meenden dat er een aardbeving was.
De afgelopen twee nachten had de kapitein niet best geslapen. Toen hij vroeg op de ochtend van de derde dag het bericht kreeg dat Ariakas was gearriveerd, liet hij zich bijna op de knieën vallen voor een dankgebed. Haastig trommelde hij zijn personeel op en gaf het bevel om de intocht te laten beginnen. Alles verliep soepel, tot enkele honderden draconen van Padh zagen dat het leger van Ariakas het tempelplein op stroomde. Dronken en zonder ook maar een moment acht te slaan op hun krachteloze leiders probeerden ze ook naar binnen te komen. Ariakas’ kapiteins ergerden zich zo aan de verstoring dat ze hun manschappen bevalen ten strijde te trekken. Er brak chaos uit.
Woedend stuurde de Duistere Koningin haar eigen troepen erop af, gewapend met zwepen, stalen kettingen en goedendags. In het zwart gehulde magiegebruikers liepen in hun midden, alsmede zwarte priesters. Met behulp van zweepslagen, klappen op schedels en spreuken werd de orde uiteindelijk hersteld. Heer Ariakas en zijn leger konden op waardige - zij het niet vredige - wijze het tempelcomplex betreden.
Waarschijnlijk was het halverwege de middag - inmiddels had de kapitein helemaal geen idee meer van de tijd, omdat die vervloekte citadels het zonlicht tegenhielden - toen een van de bewakers hem kwam vragen of hij naar de poort wilde komen.
‘Wat is er?’ grauwde de kapitein ongeduldig terwijl hij de bewaker met een felle blik in zijn overgebleven oog aankeek (het andere was hij kwijtgeraakt in de strijd tegen de elfen in Silvanesti). ‘Alweer een gevecht? Geef ze allebei een klap op hun kop en sleep ze naar de gevangenis. Ik ben het spuugzat—’
‘H-het is geen gevecht, kapitein,’ stamelde de bewaker, een jonge kobold die doodsbang was voor de menselijke officier. ‘De wachter bij de p-poort heeft m-me gestuurd. T-twee officiers met g-gevangenen vragen t-toestemming om binnen te komen.’
De kapitein vloekte gefrustreerd. Wat nu weer? Bijna droeg hij de kobold op om terug te gaan en ze gewoon binnen te laten. Het krioelde toch al van de slaven en gevangenen. Een paar extra maakten ook niet meer uit. Het leger van de Drakenheer Kitiara verzamelde zich voor de poort, klaar om de stad te betreden. Hij moest erbij zijn om haar officieel welkom te heten.
‘Wat voor gevangenen?’ vroeg hij geërgerd terwijl hij haastig probeerde een berg papieren weg te werken voordat hij weg moest om de ceremonie bij te wonen. ‘Dronken draconen? Breng ze dan maar gewoon—’
‘Ik... ik denk dat u maar beter mee kunt komen, kapitein.’ De kobold zweette inmiddels, en zwetende kobolden zijn geen aangenaam gezelschap. ‘H-het zijn twee mensen en een k-kender.’
De kapitein trok zijn neus op. ‘Ik zei...’ Hij zweeg. ‘Een kender?’ vroeg hij. Opeens bijzonder geïnteresseerd keek hij op. ‘Is er toevallig ook een dwerg bij?’
‘Niet dat ik weet, kapitein,’ antwoordde de arme kobold. ‘Maar misschien heb ik hem in de d-drukte over het hoofd gezien, kapitein.’
‘Ik ga mee,’ zei de kapitein. Haastig gespte hij zijn zwaard om, waarna hij achter de kobold aan naar de poort liep.
Daar heerste op dat moment kortstondige vrede. Ariakas’ leger was inmiddels in het tentenkamp. Dat van Kitiara vormde al duwend en trekkend rijen om naar binnen te marcheren. Het was bijna tijd voor de ceremonie. De kapitein wierp een snelle blik op de groep die voor hem stond, net voorbij de poort.
Twee drakenlegerofficiers hielden de wacht bij een groepje norse gevangenen. De kapitein bestudeerde de gevangenen zorgvuldig, denkend aan de bevelen die hij nog maar twee dagen eerder had gekregen. Hij moest in het bijzonder uitkijken naar een dwerg die in gezelschap van een kender reisde. Mogelijk was er een elfenheer bij en een elfenvrouw met lang, zilverkleurig haar - in werkelijkheid een zilveren draak. Dat waren de metgezellen van de elfenvrouw die ze gevangen hielden, en de Duistere Koningin verwachtte dat in elk geval enkelen van hen zouden proberen haar te bevrijden.
Er stond inderdaad een kender. Maar de vrouw had rode krullen, niet zilver, en als zij een draak was at de kapitein zijn borstkuras op. De krom gebogen oude man met de lange, onverzorgde baard was duidelijk een mens, geen dwerg of elfenheer. Eigenlijk kon hij zich niet voorstellen dat twee drakenlegerofficieren de moeite hadden genomen dat zootje ongeregeld gevangen te nemen.
‘Snijd ze gewoon de keel door in plaats van ons ermee lastig te vallen, dan zijn we ervan af,’ zei de kapitein zuur. ‘We hebben nu al te weinig plek in de kerkers. Neem ze maar weer mee.’
‘Wat zonde!’ zei een van de officiers, een reus van een man met armen als boomstammen. Hij greep het meisje met het rode haar vast en sleurde haar naar voren. ‘Ik heb gehoord dat er op de slavenmarkt grof wordt betaald voor zulke meisjes.’
‘Daar heb je gelijk in,’ mompelde de officier. Met zijn goede oog bestudeerde hij de gulle rondingen van het meisje, die in zijn beleving werden benadrukt door de maliënkolder die ze droeg. ‘Maar ik denk niet dat je voor deze twee veel zult krijgen.’ Hij gaf de kender een por. Die slaakte een verontwaardigde kreet, maar werd direct tot zwijgen gebracht door de andere drakenlegerofficier. ‘Dood ze—’
De grote drakenlegerofficier leek van zijn stuk gebracht door dat argument. Hij knipperde duidelijk verward met zijn ogen. Voordat hij echter antwoord kon geven, deed de andere officier, die zich tot op dat moment stilletjes op de achtergrond had gehouden, een stap naar voren.
‘De mens is een magiegebruiker,’ zei de officier. ‘En we vermoeden dat de kender een spion is. We hebben hem in de buurt van Fort Dargaard gevangen genomen.’
‘Waarom heb je dat niet meteen gezegd,’ snauwde de kapitein, ‘in plaats van mijn tijd te verspillen? Ja, breng ze maar naar binnen,’ zei hij gehaast toen de trompetten schalden. Het was tijd voor de ceremonie; de grote ijzeren poort trilde en zwaaide al open. ‘Ik zal jullie papieren aftekenen. Geef maar hier.’
We hebben geen—’ begon de grote officier.
‘Welke papieren bedoelt u?’ viel de bebaarde officier hem in de rede terwijl hij in een buidel tastte. ‘Identificatie—’
‘Nee!’ zei de kapitein, briesend van ongeduld. ‘Je verlofbriefje van je officier met toestemming om gevangenen af te leveren.’
‘Dat hebben we niet gekregen, kapitein,’ zei de bebaarde officier koeltjes. ‘Is dat soms een nieuwe regel?’
‘Nee, zeker niet,’ zei de kapitein, die hen wantrouwig opnam. ‘Hoe zijn jullie zonder verlofbriefje door de linies gekomen? En hoe denk je terug te gaan? Of hadden jullie andere plannen? Wilden jullie soms een reisje gaan maken van het geld dat jullie met deze gevangenen zouden verdienen?’
‘Nee!’ De grote officier liep rood aan van woede en zijn ogen schoten vuur. ‘Misschien is onze commandant het gewoon vergeten, dat is alles. Hij heeft veel aan zijn hoofd, en in dat hoofd zit niet genoeg om er iets aan te doen, als u begrijpt wat ik bedoel.’ Hij staarde de kapitein dreigend aan.