De poort zwaaide open. Trompetten schetterden luid. De kapitein slaakte een zucht van frustratie. Hij hoorde in het midden te staan om heer Kitiara te begroeten. Hij gebaarde naar een aantal wachters van de Duistere Koningin die vlakbij stonden.
‘Breng ze naar beneden,’ zei hij terwijl hij zijn uniform rechttrok. ‘We zullen ze eens laten zien wat we met deserteurs doen.’
Terwijl hij zich haastig uit de voeten maakte, zag hij tot zijn genoegen dat de wachters van de Koningin zijn bevel uitvoerden. Snel en efficiënt grepen ze de twee drakenlegerofficieren vast en ontwapenden ze.
Caramon wierp een verschrikte blik op Tanis toen de draconen hem bij de armen pakten en zijn zwaardriem losgespten. Tika’s ogen waren groot van angst. Dit was absoluut niet de bedoeling. Berem, wiens gezicht bijna helemaal schuilging achter zijn valse snor en baard, zag eruit alsof hij elk moment kon gaan huilen of wegrennen, of allebei. Zelfs Tasselhof leek lichtelijk verbijsterd door de plotselinge verandering in hun plannen. Tanis zag de kender snel om zich heen kijken, op zoek naar een uitweg.
Verwoed dacht de halfelf na. Hij dacht dat hij alle mogelijkheden in overweging had genomen toen hij dit plan had bedacht om Neraka binnen te komen, maar hij had duidelijk iets over het hoofd gezien. Het was geen moment bij hem opgekomen dat hij zou kunnen worden gearresteerd wegens desertie uit het drakenleger.
Als de bewakers hen naar de kerkers brachten was het allemaal voorbij. Zodra ze zijn helm afdeden zouden ze zien dat hij een halfelf was. Dan zouden ze de anderen beter bekijken... Dan zouden ze Berem ontdekken...
Hijzelf vormde het grootste gevaar. Zonder hem konden Caramon en de anderen mogelijk nog in hun opzet slagen. Zonder hem...
Er klonk trompetgeschetter en woest gejuich toen een enorme blauwe draak met op zijn rug een Drakenheer door de poort van de tempel naar binnen kwam. Toen hij de Drakenheer zag kromp Tanis’ hart ineen van pijn, maar die maakte al snel plaats voor opgetogenheid. Het publiek dromde naar voren, Kitiara’s naam brullend, en heel even waren de bewakers afgeleid omdat ze wilden controleren of de Drakenheer in gevaar verkeerde. Tanis boog zo dicht mogelijk naar Tasselhof toe.
‘Tas!’ zei hij snel, gebruikmakend van het kabaal en hopend dat de kender nog genoeg elfs kende om hem te begrijpen. ‘Zeg tegen Caramon dat hij de schijn moet ophouden. Wat ik ook doe, hij moet me vertrouwen. Daar hangt alles vanaf. Wat ik ook doe. Begrepen?’
Tas staarde Tanis verbijsterd aan voordat hij aarzelend knikte. Het was lang geleden dat hij elfs had moeten vertalen.
Tanis kon alleen maar hopen dat hij het begreep. Caramon sprak helemaal geen elfs, en Tanis durfde het risico niet aan om iets tegen hem te zeggen, ook al werd hij overstemd door het publiek. Zelfs nu draaide een van de wachters fel aan zijn arm ten teken dat hij zijn mond moest houden.
Het kabaal stierf weg, het publiek werd met verbaal en lichamelijk geweld teruggedrongen. Zodra ze zagen dat de situatie onder controle was, draaiden de wachters zich om om de gevangenen weg te brengen.
Opeens struikelde Tanis, waardoor zijn bewaker over hem heen languit in het stof viel.
‘Sta op, rat!’ Vloekend gaf de andere wachter Tanis een klap in het gezicht met het handvat van zijn zweep. De halfelf dook op de wachter af en greep de zweep met hand en al vast. Hij gaf er met al zijn kracht een ruk aan, en door die plotselinge beweging buitelde de wachter op de grond. Heel even was hij vrij.
Zich bewust van de wachters achter zich en het verbijsterde gezicht van Caramon rende Tanis op de gracieuze gestalte op de blauwe draak af.
‘Kitiara!’ schreeuwde hij op het moment dat de wachters hem vastgrepen. ‘Kitiara!’ gilde hij, een rauwe, schorre kreet die uit zijn tenen kwam. Vechtend tegen de wachters slaagde hij erin één hand vrij te maken. Daarmee rukte hij de helm van zijn hoofd en smeet die op de grond.
De Drakenheer in de nachtblauwe wapenrusting van drakenschubben draaide zich om toen ze haar naam hoorde. Tanis zag haar bruine ogen groot worden van verbazing achter het afgrijselijke drakenmasker dat ze droeg. Ook zag hij dat de blauwe draak zijn vurige ogen naar hem toe keerde.
‘Kitiara!’ schreeuwde Tanis. Met de moed der wanhoop rukte hij zich los uit de greep van zijn gevangennemers en dook weer naar voren. Maar draconen uit het publiek stortten zich op hem, grepen zijn armen stevig vast en drukten hem tegen de grond. Nog steeds stribbelde Tanis tegen. Hij slaagde erin zich ver genoeg om te draaien om de Drakenheer recht te kunnen aankijken.
‘Halt, Skie,’ zei Kitiara, die bevelend haar geschoeide hand op de hals van de draak legde. Gehoorzaam bleef Skie staan. Zijn klauwen gleden een beetje weg op het plaveisel. Maar de ogen waarmee de draak Tanis aanstaarde waren vervuld van haat en jaloezie.
Tanis hield zijn adem in. Zijn hart bonkte pijnlijk tegen zijn ribben. Zijn hoofd deed pijn en er sijpelde bloed in zijn oog, maar dat merkte hij niet eens. Hij wachtte op het geschreeuw dat zou betekenen dat Tasselhof hem niet had verstaan, dat zijn vrienden trachtten hem te hulp te schieten. Hij wachtte tot Kitiara Caramon - haar halfbroer - achter hem zou zien staan en hem zou herkennen. Zich omdraaien om te zien wat er met zijn vrienden gebeurde durfde hij niet. Hij kon alleen maar hopen dat Caramon zo verstandig was - en genoeg vertrouwen in hem had - om zich gedeisd te houden.
Daar kwam de kapitein aangelopen, met zijn wrede, eenogige gezicht verwrongen van woede. De kapitein hief zijn gelaarsde voet en richtte die op Tanis’ hoofd, klaar om die bemoeizuchtige relschopper bewusteloos te trappen.
‘Stop,’ zei iemand.
De kapitein gehoorzaamde zo plotseling dat hij zijn evenwicht verloor.
‘Laat hem gaan.’ Dezelfde stem.
Met tegenzin lieten de wachters Tanis los, en op een gebiedend gebaar van de Zwarte Vrouwe deden ze een paar passen achteruit.
‘Wat is er zo belangrijk, commandant, dat je mijn entree verstoort?’ vroeg ze koeltjes, met een stem die door de drakenhelm zwaar en vervormd klonk.
Met knikkende knieën van opluchting en licht in zijn hoofd na het gevecht met de wachters stond Tanis wankel op en liep op haar af. Toen hij bijna naast Kitiara stond, zag hij een geamuseerde glinstering in haar bruine ogen. Ze genoot hiervan: een nieuw spelletje met een oud speeltje.
Tanis schraapte zijn keel en sprak brutaaclass="underline" ‘Deze idioten willen me arresteren wegens desertie, alleen omdat die imbeciel van een Bakaris is vergeten me de juiste papieren mee te geven.’
‘Ik zal ervoor zorgen dat hij gestraft wordt omdat hij je problemen heeft bezorgd, mijn beste Tanthalasa,’ antwoordde Kitiara. Tanis hoorde de lach in haar stem. ‘Hoe durf je?’ voegde ze eraan toe terwijl ze zich met een ruk omdraaide en boos de kapitein aankeek. Die kromp ineen toen het gemaskerde gezicht op hem werd gericht.
‘Ik... ik volgde ook maar bevelen op, mijn heer,’ stamelde hij, bevend als een kobold.
‘Wegwezen, of ik voer je aan mijn draak,’ beval Kitiara met een gebiedend handgebaar. Vervolgens stak ze in hetzelfde gracieuze gebaar haar hand naar Tanis uit. ‘Kan ik je een lift aanbieden, commandant? Als tegenprestatie, uiteraard.’
‘Dank u, mijn heer,’ zei Tanis.
Met een duistere blik op de kapitein pakte Tanis Kitiara’s hand vast en slingerde zichzelf naast haar op de rug van de grote draak. Snel liet hij zijn blik over de massa gaan terwijl Kitiara Skie beval verder te lopen. In eerste instantie leverde zijn gekwelde zoektocht niets op, maar toen zag hij met een zucht van opluchting dat Caramon en de anderen door de wachters werden afgevoerd. De grote man keek in het voorbijgaan met een gekwetst, verbaasd gezicht vluchtig naar hem op. Maar hij liep door. Kennelijk had Tas het bericht doorgegeven, of anders was de grote man zo verstandig om de schijn op te houden. Of misschien vertrouwde Caramon hem hoe dan ook. Dat wist Tanis niet. Zijn vrienden waren nu veilig, of in elk geval veiliger dan met hem erbij.