Выбрать главу

Misschien is dit wel de laatste keer dat ik hen zie, dacht hij opeens met pijn in het hart. Toen schudde hij zijn hoofd. Daar kon en mocht hij niet bij stilstaan. Hij wendde zich af en zag dat Kitiara hem met een merkwaardige mengeling van sluwheid en onverholen bewondering in haar bruine ogen aankeek.

Tasselhof stond op zijn tenen in een poging te zien wat er met Tanis gebeurde. Hij hoorde gegil en geschreeuw, gevolgd door een korte stilte. Vervolgens zag hij de halfelf op de rug van de draak klimmen en naast Kitiara plaatsnemen. De stoet zette zich weer in beweging. De kender dacht dat hij Tanis in zijn richting zag kijken, maar zonder spoor van herkenning. De wachters duwden hun overgebleven gevangenen voor zich uit door de stuwende massa en Tas verloor zijn vriend uit het oog.

Een van de wachters porde Caramon met een kort zwaard in de ribben.

‘Dus je maatje krijgt een lift van de Drakenheer terwijl jij wegrot in de gevangenis,’ zei de dracoon grinnikend.

‘Hij zal me niet vergeten,’ mompelde Caramon.

De dracoon grijnsde en stootte zijn maat aan, die Tasselhof aan zijn kraag mee sleurde. ‘Tuurlijk, hij komt je vast halen - als hij tenminste weg kan komen uit haar bed!’

Caramon werd rood en trok een boos gezicht. Tasselhof wierp de grote krijger een geschrokken blik toe. De kender had nog geen kans gezien om Tanis’ boodschap aan hem door te geven, en hij was doodsbang dat de grote man hun plannen zou doorkruisen, al betwijfelde Tas of er nog wel iets te doorkruisen viel. Maar toch...

Caramon schudde echter slechts vol gekwetste waardigheid zijn hoofd. ‘Voor het vallen van de avond ben ik weer vrij,’ bromde hij met zijn zware baritonstem. ‘We hebben samen al te veel meegemaakt. Hij laat me niet in de steek.’

Bij het horen van de weemoedige bijklank in Caramons stem worstelde Tas wanhopig in een poging zo dicht bij Caramon in de buurt te kunnen komen dat hij het kon uitleggen. Maar op dat moment slaakte Tika een boze kreet. Toen hij omkeek, zag Tas dat de wachter haar bloes kapot had gescheurd. Ze had al bloederige krassen op haar hals van de klauwen aan zijn handen. Caramon schreeuwde, maar te laat. Zoals het een echte barmeid betaamt gaf ze de wachter met de rug van haar hand een klap tegen zijn reptielengezicht.

Woedend smeet de dracoon Tika op straat, waarna hij zijn zweep hief. Tas hoorde dat Caramons adem stokte, en de kender kroop ineen, wachtend op het einde.

‘Hé! Beschadig haar nu niet!’ brulde Caramon. ‘Tenzij je verantwoordelijk wilt worden gehouden. Heer Kitiara heeft gezegd dat we zes zilverstukken voor haar moesten zien te krijgen, en als ze onder de verwondingen zit lukt dat nooit!’

De dracoon aarzelde. Caramon was een gevangene, dat was waar. Maar de wachters waren allemaal getuige geweest van het warme welkom dat zijn kameraad van de Zwarte Vrouwe had gekregen. Durfden ze het aan om een man te beledigen die mogelijk net zozeer bij haar in de gratie was? Kennelijk besloten ze van niet. Ze sleurden Tika ruw overeind en duwden haar voor zich uit.

Tasselhof slaakte een zucht van opluchting, maar wierp toen een bezorgde blik op Berem, die hij wel erg stil vond. Zijn bezorgdheid was terecht. De Immerman leek wel in een andere wereld te verkeren. Zijn wijd open ogen hadden een merkwaardig starende blik en zijn mond hing open, waardoor hij bijna achterlijk leek. In elk geval leek het er niet op dat hij problemen zou veroorzaken. Kennelijk zou Caramon zijn rol blijven spelen en kwam het met Tika wel goed. Voorlopig had niemand hem nodig. Daarom keek Tas belangstellend om zich heen naar het tempelcomplex, voor zover dat mogelijk was met die dracoon die hem bij zijn kraag vasthield.

Hij had er bijna meteen spijt van. Neraka zag er precies uit zoals het was: een klein, oeroud, verarmd dorp dat was gebouwd voor de dienaren van degenen die in de tempel huisden, en dat werd opgeslokt door de ontelbare tenten die eromheen als paddenstoelen uit de grond waren geschoten.

Op het achterste deel van het terrein verhief de tempel zelf zich dreigend boven de tentenstad, als een roofvogel boven zijn prooi. Het verwrongen, mismaakte, afstotelijke gebouw leek zelfs de bergen aan de horizon te overheersen. Zodra iemand voet in Neraka zette, ging zijn blik eerst naar de tempel. Waar hij na die tijd ook keek en wat hem ook bezighield, de tempel was er altijd, zelfs ’s nachts, in zijn dromen.

Tas wierp er één blik op en keek toen haastig weg, met een kil, misselijk gevoel in zijn buik. Maar wat hij vóór zich zag was bijna nog erger. Het wemelde van de soldaten in het tentenkamp. Draconen, menselijke huursoldaten en kobolden stroomden uit de haastig opgetrokken taveernes en bordelen de smerige straat op. Slaven van allerlei rassen waren aangevoerd om hun gevangennemers te bedienen en zich aan hun goddeloze geneugten te onderwerpen. Greppeldwergen krioelden als ratten rond en leefden van afval. De stank was overweldigend en de taferelen leken rechtstreeks uit de Afgrond afkomstig. Hoewel het middag was, was het koud en donker als de nacht. Toen Tas opkeek, zag hij de reusachtige vliegende citadels die majestueus en dreigend boven de tempel zweefden, terwijl draken er immer waakzaam omheen vlogen.

Toen ze door de drukke straten op weg waren gegaan, had Tas kortstondig de hoop gekoesterd dat hij zich zou kunnen losrukken. Hij was er erg bedreven in om op te gaan in de massa. Hij zag dat ook Caramon schichtig om zich heen keek; de grote man was op hetzelfde idee gekomen. Maar toen ze een paar straten verder waren en hij de angstaanjagende citadels had gezien die in de lucht de wacht hielden, besefte Tas dat het onbegonnen werk was. Kennelijk was Caramon tot dezelfde conclusie gekomen, want de kender zag dat de grote krijger zijn schouders liet hangen.

Ontzet en vol afschuw moest Tas opeens denken aan Laurana, die hier gevangen werd gehouden. Eindelijk leek de schier onverwoestbare opgewektheid van de kender het te begeven onder het gewicht van de duisternis en het kwaad overal om hem heen, duisternis en kwaad waarvan hij het bestaan nooit had vermoed.

Hun bewakers liepen haastig door en baanden zich tussen de dronken, ruziënde soldaten door een weg over de overvolle, smalle straten. Hoezeer hij ook zijn best deed, Tas kon geen manier bedenken om Tanis’ boodschap aan Caramon door te geven. Vervolgens waren ze gedwongen te wachten terwijl een compagnie van het leger van hare duistere majesteit schouder aan schouder over straat marcheerde. Degenen die zich niet uit de voeten maakten werden door de draconenofficieren de stoep op gesmeten of eenvoudigweg omvergelopen en vertrapt. De wachters duwden de reisgenoten haastig met de rug tegen een afbrokkelende muur en bevalen hun te blijven staan tot de soldaten voorbij waren.

Tasselhof werd geflankeerd door Caramon aan de ene kant en een dracoon aan de andere. De wachter had zijn greep op Tas’ kraag laten verslappen, ongetwijfeld omdat hij dacht dat zelfs een kender niet zo dwaas zou zijn om in die drukte te proberen te ontsnappen. Hoewel Tas voelde dat het reptiel hem met zijn zwarte ogen in de gaten hield, slaagde hij erin dicht genoeg naar Caramon toe te sluipen om iets te kunnen zeggen. Hij hoopte dat de wachters hem niet zouden horen, maar met al dat geschreeuw en gestamp om zich heen, leek die kans hem gering.

‘Caramon,’ fluisterde Tas. ‘Ik heb een boodschap voor je. Kun je me horen?’

Caramon draaide zich niet om en bleef met een versteend gezicht recht voor zich uit staren. Maar Tas zag zijn ooglid bewegen.

‘Tanis zei dat we hem moesten vertrouwen,’ fluisterde Tas snel. ‘Wat er ook gebeurt. En dat we... dat we de schijn moeten ophouden... Dat zei hij geloof ik.’

Tas zag Caramon fronsen.

‘Hij praatte elfs,’ voegde Tas er beledigd aan toe. ‘En hij was moeilijk te verstaan.’

Caramons gezichtsuitdrukking veranderde niet. Hij keek hooguit nog bozer.

Tas slikte. Hij sloop dichterbij tot hij met zijn rug tegen de muur achter de brede rug van de krijger stond. ‘Die... die Drakenheer,’ zei de kender aarzelend. ‘Dat... was Kitiara, hè?’