Caramon gaf geen antwoord, maar Tas zag dat zijn kaak verstrakte en dat er in zijn hals een spiertje begon te trillen.
Tas vergat waar hij was. Hij slaakte een diepe zucht en vroeg met stemverheffing: ‘Je vertrouwt hem toch wel, hè, Caramon? Want anders...’
Zonder waarschuwing draaide Tas’ draconenbewaker zich om en gaf hem zo’n harde dreun op zijn mond dat hij tegen de muur klapte. Duizelig van de pijn zeeg Tas op de grond. Een donkere schaduw viel over hem heen. Zijn blik was zo wazig dat hij niet kon zien wie het was, en hij zette zich schrap voor de volgende klap. Het waren echter sterke, maar zachtaardige handen die hem aan zijn vest overeind trokken.
‘Ik zei datje ze niet moest beschadigen,’ grauwde Caramon.
‘Ach, een kender!’ De dracoon spuugde op de grond.
De soldaten waren inmiddels bijna allemaal gepasseerd. Caramon zette Tas op zijn voeten. De kender probeerde te staan, maar om de een of andere reden schoofde stoep telkens onder hem weg.
‘Het... het spijt me...’ hoorde hij zichzelf mompelen. ‘Mijn benen doen raar...’ Uiteindelijk voelde hij dat hij werd opgetild en als een zak meel over de brede schouder van Caramon werd geslingerd. Hij piepte protesterend.
‘Hij heeft informatie,’ zei Caramon met zijn zware stem. ‘Ik hoop dat je zijn hersenen niet dusdanig hebt geklutst dat hij het is vergeten. Daar zal de Zwarte Vrouwe niet blij mee zijn.’
‘Welke hersenen?’ snauwde de dracoon, maar Tas, die hem vrij goed kon zien nu hij ondersteboven over Caramons schouder hing, vond dat hij een beetje geschrokken keek.
Ze liepen verder. Tas had vreselijke pijn aan zijn hoofd en zijn wang brandde. Hij legde zijn vingers erop en voelde kleverig bloed. Kennelijk hadden de klauwen van de dracoon diepe krassen achtergelaten. Hij hoorde een gezoem in zijn oren alsof er honderd bijen zijn hoofd in waren gevlogen. De wereld leek langzaam om hem heen te draaien. Dat maakte hem misselijk, en al dat gestuiter op Caramons schouder maakte het er niet bepaald beter op.
‘Hoe ver is het nog?’ Hij voelde Caramons stem vibreren in diens diepe borstkas. ‘Die kleine rotzak is zwaar.’
Ten antwoord wees de dracoon met zijn lange, benige klauw.
Met grote moeite draaide Tas zijn hoofd om te kijken, in een poging zijn pijn en duizeligheid te vergeten. Hij ving er slechts een korte glimp van op, maar dat was genoeg. Het gebouw was steeds groter geworden naarmate ze dichterbij kwamen, en nu vulde het niet alleen hun blikveld, maar ook hun geest.
Tas liet zich weer slap hangen. Het werd donker om hem heen, en slaperig vroeg hij zich af waar al die mist opeens vandaan kwam. Het laatste wat hij zich herinnerde waren de woorden: ‘Naar de kerkers... onder de tempel van hare majesteit Tachisis, de Koningin van de Duisternis.’
6
Tanis onderhandelt. Gachan gaat op onderzoek uit.
‘Wijn?’
‘Nee.’
Kitiara haalde haar schouders op. Ze tilde de karaf uit de kom met sneeuw die hem koud moest houden en schonk langzaam een glas voor zichzelf in, afwezig kijkend naar de bloedrode wijn die uit de kristallen karaf in het glas stroomde. Toen zette ze de karaf voorzichtig terug in de sneeuw en ging tegenover Tanis zitten. Koeltjes nam ze hem op.
Ze had haar drakenhelm afgezet, maar haar wapenrusting droeg ze nog: het nachtblauwe harnas, versierd met bladgoud, dat haar slanke lichaam als een huid van schubben omsloot. Het licht van de vele kaarsen in de kamer deed de gepoetste oppervlakken glanzen en weerkaatste op de scherpe metalen randen, zodat het leek of Kitiara in vlammen was gehuld. Haar donkere haar, vochtig van het zweet, krulde om haar gezicht. Haar bruine ogen waren helder als vuur en werden omlijst door lange, donkere wimpers.
‘Wat doe je hier, Tanis?’ vroeg ze zachtjes. Ze streek met haar vinger over de rand van het glas terwijl ze hem recht aankeek.
‘Dat weet je best,’ antwoordde hij kort.
‘Vanwege Laurana, natuurlijk,’ zei Kitiara.
Tanis haalde zijn schouders op. Zorgvuldig hield hij zijn gezicht uitdrukkingsloos, maar desondanks vreesde hij dat deze vrouw — die hem soms beter leek te kennen dan hijzelf — er elke gedachte aan kon aflezen.
‘Ben je alleen?’ vroeg Kitiara, nippend van haar wijn.
‘Ja,’ antwoordde Tanis. Zonder aarzeling beantwoordde hij haar blik.
Vol ongeloof trok Kitiara haar wenkbrauw op.
‘Flint is dood,’ voegde hij er met overslaande stem aan toe. Ondanks zijn angst kon hij nog steeds niet zonder verdriet aan zijn vriend terugdenken. ‘En Tasselhof was opeens weg. Ik kon hem niet vinden. Maar... ik wilde hem toch al liever niet meenemen.’
‘Dat kan ik me voorstellen,’ zei Kit droog. ‘Dus Flint is dood.’
‘Net als Sturm,’ voegde Tanis er met opeengeklemde kaken aan toe, niet in staat zich in te houden.
Kitiara keek hem scherp aan. ‘Zo gaat dat in een oorlog, lieveling,’ zei ze. ‘We waren allebei soldaten, hij en ik. Hij begrijpt het. Zijn geest draagt me geen kwaad hart toe.’
Tanis slikte zijn woede in, al stikte hij er bijna in. Het klopte wat ze zei. Sturm zou het inderdaad begrijpen.
Zwijgend bestudeerde Kitiara een tijdje Tanis’ gezicht. Toen zette ze ferm haar glas neer.
‘En mijn broers?’ vroeg ze. ‘Waar—’
‘Waarom breng je me niet gewoon naar de kerkers voor verhoor?’ grauwde Tanis. Hij stond op en ijsbeerde door de luxueus ingerichte kamer.
Kitiara glimlachte peinzend, bedachtzaam. ‘Ja,’ zei ze. ‘Ik zou je daar kunnen ondervragen. En dan zou je praten, lieve Tanis. Je zou me alles vertellen wat ik wilde horen, en dan zou je me smeken of je nog meer mocht vertellen. Niet alleen hebben we lieden die erg bedreven zijn in de kunst van het martelen, ze zijn bovendien hartstochtelijk toegewijd aan hun beroep.’ Loom stond Kitiara met haar wijnglas in haar hand op en liep op Tanis af. Ze legde haar andere hand op zijn borst en streek langzaam over zijn schouder. ‘Maar dit is geen verhoor. Laten we het erop houden dat ik een zus ben die zich zorgen maakt om haar familie. Waar zijn mijn broers?’
‘Dat weet ik niet,’ zei Tanis. Hij pakte haar hand stevig vast en hield die bij zich vandaan. ‘Ze zijn allebei vermist geraakt in de Bloedzee...’
‘Samen met de man met de groene edelsteen?’
‘Samen met de man met de groene edelsteen.’
‘En hoe heb jij het overleefd?’
‘Ik ben gered door zee-elfen.’
‘Dus mogelijk hebben die de anderen ook gered?’
‘Misschien. Misschien ook niet. Ik ben immers deels elf. De anderen waren mensen.’
Kitiara bleef een hele tijd naar Tanis staan staren. Hij had nog steeds haar pols vast. Onbewust verstrakte hij zijn greep onder haar onderzoekende blik.
‘Je doet me pijn...’ fluisterde Kit zachtjes. ‘Wat doe je hier, Tanis? Kom je Laurana redden... in je eentje? Zelfs jij bent nooit zo dwaas geweest—’
‘Nee,’ zei Tanis, die Kitiara’s arm nog steviger omklemde. ‘Ik stel een ruil voor. Neem mij. Laat haar gaan.’
Kitiara sperde haar ogen open. Toen wierp ze plotseling haar hoofd in haar nek en begon te lachen. Met een snelle, soepele beweging rukte ze zich los uit Tanis’ greep, waarna ze zich omdraaide om terug te lopen naar de tafel en haar glas nog eens vol te schenken.
Over haar schouder grijnsde ze naar hem. ‘Maar Tanis,’ zei ze, opnieuw lachend. ‘Wat moet ik met jou? Waarom zou ik met die ruil instemmen?’
Tanis voelde zijn gezicht rood worden. Nog steeds grijnzend ging Kitiara verder.
‘Ik heb hun gouden generaal gevangen genomen, Tanis. Ik heb hun mascotte, hun beeldschone elfenkrijgsvrouw. En ze was nog niet eens zo’n slechte generaal. Ze heeft hun de drakenlansen geschonken en hen leren vechten. Haar broer heeft de goede draken teruggebracht, maar iedereen schrijft haar dat succes toe. Ze heeft de ridderorde bijeen gehouden, terwijl die al lang uiteen had moeten vallen. En jij wilt dat ik haar ruil voor’ - Kitiara maakte een minachtend gebaar - ‘een halfelf die in het gezelschap van kenders, barbaren en dwergen over het platteland heeft rondgezworven?’
Kitiara begon opnieuw te lachen, zo hard dat ze moest gaan zitten om de tranen uit haar ogen te wrijven. ‘Werkelijk, Tanis, je hebt wel een hoge dunk van jezelf. Waarom dacht je dat ik je terug zou nemen? Uit liefde?’