Er kwam een subtiele verandering over Kits stem, en haar lach leek geforceerd. Plotseling fronsend draaide ze het wijnglas om in haar handen.
Tanis gaf geen antwoord. Hij kon alleen maar met een rood gezicht luisteren naar haar hoon. Kitiara staarde hem even aan voordat ze haar ogen neersloeg.
‘Stel dat ik ja zeg?’ vroeg ze met kille stem, haar blik gericht op het glas in haar hand. ‘Wat kun je me dan bieden in ruil voor wat ik kwijt raak?’
Tanis ademde diep in. ‘De bevelhebber van je leger is dood,’ zei hij met vlakke stem. ‘Dat weet ik. Tas heeft me verteld dat hij hem heeft gedood. Ik zal zijn plaats innemen.’
‘Dus jij wilt dienen onder... in het drakenleger?’ Kit sperde oprecht verrast haar ogen open.
‘Ja.’ Tanis klemde zijn kaken op elkaar. Zijn stem klonk verbitterd. ‘We hebben toch al verloren. Ik heb jullie vliegende citadels gezien. We kunnen niet meer winnen, ook niet als de goede draken blijven. En dat zal niet gebeuren, want het volk zal hen terugsturen. De mensen hebben ze nooit vertrouwd, niet echt. Voor mij telt maar één ding. Laat Laurana gaan, ongedeerd.’
‘Ik geloof werkelijk dat je het zou doen,’ zei Kitiara zachtjes, vol verwondering. Een hele tijd staarde ze hem aan. ‘Ik moet erover nadenken...’
Toen schudde ze haar hoofd, alsof ze met zichzelf streed. Ze dronk haar wijn op, zette het glas weg en stond op.
‘Ik zal erover nadenken,’ zei ze. ‘Maar nu moet ik gaan, Tanis. Vanavond komen de Drakenheren bijeen. Ze zijn uit heel Ansalon gekomen om erbij te zijn. Je hebt natuurlijk gelijk. Jullie hebben de oorlog verloren. Vanavond gaan we plannen maken om de ijzeren vuist te ballen. Jij zult me vergezellen. Ik zal je voorstellen aan hare duistere majesteit.’
‘En Laurana?’ drong Tanis aan.
‘Ik zei dat ik erover zou nadenken!’ Een donker lijntje verstoorde de gladde huid tussen Kitiara’s fijn getekende wenkbrauwen. Haar stem klonk scherp. ‘Er zal een ceremoniële wapenrusting worden gebracht. Zorg ervoor dat je binnen een uur omgekleed en wel klaar staat om met me mee te gaan.’ Ze wilde weggaan, maar draaide zich nog één keer naar Tanis om. ‘Mijn beslissing hangt mogelijk af van hoe jij je vanavond gedraagt,’ zei ze zachtjes. ‘Vergeet niet, halfelf, dat je vanaf nu mij dient.’
Haar bruine ogen glinsterden helder en koud toen ze Tanis’ blik vasthield. Hij voelde de wil van deze vrouw op zich drukken, tot het was alsof een sterke hand hem op de blinkende marmeren vloer drukte. Ze voelde zich gesteund door de ijzeren vuist van het drakenleger. De schaduw van de Duistere Koningin omringde haar en verschafte haar een macht die Tanis nooit eerder had opgemerkt.
Opeens werd hij zich bewust van de diepe kloof die hen scheidde. Ze was de volmaakte, archetypische mens. Want alleen mensen werden geboren met een machtswellust zo krachtig dat de ruwe passie in hun karakter er gemakkelijk door kon worden bezoedeld. Het korte leven van een mens was als een vlam die een zuiver licht kon uitstralen, zoals de kaars van Goudmaan en de uiteengespatte zon van Sturm. Maar de vlam kon ook vernietigen, uitgroeien tot een verzengend vuur dat alles op zijn pad verwoestte. Aan dat vuur had hij zijn kille, trage elfenbloed gewarmd; die vlam had hij in zijn hart gekoesterd. Nu zag hij zichzelf zoals hij zou eindigen: een massa verkoold vlees met een zwart, stil hart, net als de lichamen van de mensen die in de vlammen van Tarsis waren omgekomen.
Dat was zijn verdiende loon, de prijs die hij moest betalen. Hij zou zijn ziel op het altaar van deze vrouw leggen, zoals een ander een handvol zilver op een kussen zou achterlaten. Dat was hij Laurana verschuldigd. Ze had genoeg geleden vanwege hem. Met zijn dood kon hij haar niet bevrijden, maar met zijn leven misschien wel.
Langzaam legde Tanis zijn hand op zijn borst en maakte een buiging.
‘Mijn heer,’ zei hij.
De gedachten tolden door Kitiara’s hoofd terwijl ze naar haar persoonlijke vertrek liep. Ze voelde het bloed gonzen in haar aderen. Opwinding, verlangen, de verrukkelijke opgetogenheid na de overwinning maakten haar erger dronken dan de wijn. Eronder school echter een knagende twijfel, die des te ergerlijker was omdat hij de glans van haar opgetogenheid stal. Boos probeerde ze de twijfel te onderdrukken, maar toen ze de deur naar haar kamer opende, welde hij onstuitbaar weer op.
De bedienden verwachtten haar nog niet. De toortsen waren niet aangestoken, en er lag wel hout in de open haard, maar het brandde niet. Geërgerd reikte ze naar het schelkoord dat hen haastig zou doen binnen komen waarna een berisping zou volgen vanwege hun laksheid, toen een koude, ontvleesde hand zich om haar pols sloot.
De aanraking van die hand zond een brandende kou door haar botten en bloed, waardoor haar hart bijna bleef stilstaan. Happend naar adem van pijn wilde Kitiara zich losrukken, maar de hand hield haar stevig vast.
‘Je bent onze afspraak toch niet vergeten?’
‘Nee, natuurlijk niet,’ zei Kitiara. Ze probeerde de trilling van angst uit haar stem te weren toen ze bevaclass="underline" ‘Laat me los.’
Langzaam verslapte de greep van de hand. Haastig rukte Kitiara haar arm los en wreef over haar pols, die in die korte tijd blauwwit was geworden.
‘De elfenvrouw is van jou, zodra de Koningin met haar klaar is, uiteraard.’
‘Uiteraard. Anders zou ik haar niet eens willen. Aan een levende vrouw heb ik niets, niet zoals jij iets hebt aan een levende man...’ Die woorden liet de donkere gestalte dreigend in de lucht hangen.
Kitiara wierp een minachtende blik op het bleke gezicht en de flakkerende ogen, die boven het zwarte harnas van de ridder leken te zweven.
‘Doe niet zo dwaas, Sothis,’ zei ze. Haastig trok ze aan het schelkoord. Ze had behoefte aan licht. ‘Ik ben in staat vleselijke lusten te scheiden van zakelijke geneugtes - iets wat jij niet kon, afgaand op wat ik over je leven weet.’
‘Wat ben je dan van plan met de halfelf?’ vroeg heer Sothis met een stem die als gewoonlijk van diep onder de grond leek te komen.
‘Die zal van mij zijn, volledig en onvoorwaardelijk,’ zei Kitiara. Zachtjes wreef ze over haar pijnlijke pols.
Met aarzelende, zijdelingse blikken op de Zwarte Vrouwe haastten bedienden zich de kamer binnen, bang voor een van haar beruchte driftbuien. Maar Kitiara werd zo door haar eigen gedachten in beslag genomen dat ze geen acht op hen sloeg. Heer Sothis trok zich terug in de schaduw, zoals altijd wanneer de kaarsen werden aangestoken.
‘De enige manier om de halfelf te bezitten is hem te laten toekijken terwijl ik Laurana dood,’ ging Kitiara verder.
‘Dat is niet bepaald de beste manier om zijn hart te veroveren,’ sneerde heer Sothis.
‘Zijn hart hoef ik niet.’ Terwijl ze haar handschoenen uittrok en haar harnas losgespte, lachte Kitiara kort. ‘Ik wil hém! Zolang zij leeft, zal hij met zijn gedachten bij haar zijn, en bij het nobele offer dat hij heeft gebracht. Nee, de enige manier waarop ik hem tot de mijne kan maken - onherroepelijk - is door hem met de hak van mijn laars te vermorzelen tot er niet meer van hem over is dan een vormeloze massa. Dan heb ik pas iets aan hem.’
‘Maar niet lang,’ merkte heer Sothis op bijtende toon op. ‘De dood zal hem bevrijden.’
Kitiara haalde haar schouders op. De bedienden rondden hun taken af en maakten zich snel uit de voeten. Zwijgend en bedachtzaam stond de Zwarte Vrouwe in het licht, met haar harnas half los en haar drakenhelm in haar hand.
‘Hij heeft tegen me gelogen,’ zei ze na een tijdje zachtjes. Vervolgens smeet ze de drakenhelm op een tafeltje, waar hij tegen een stoffige porseleinen vaas stootte die meteen brak, en begon door de kamer heen en weer te lopen. ‘Hij heeft gelogen. Mijn broers zijn niet omgekomen in de Bloedzee — ik weet dat minstens een van hen nog leeft. Net als hij, de Immerman.’ Hooghartig smeet ze de deur open. ‘Gachan!’ riep ze.
Een dracoon haastte zich naar binnen.