Gachans reptielenblik bleef niet lang rusten op de zonsondergang. Hij blikte alert om zich heen in de straten van het tentenkamp, dat verlaten was aangezien de meeste draconen die avond hun heer dienden te vergezellen. De Drakenheren hadden opvallend weinig vertrouwen in elkaar en in hun Koningin. Er was in haar vertrekken wel eens eerder iemand vermoord, en de kans was groot dat dat opnieuw zou gebeuren.
Daar maakte Gachan zich echter niet druk over. Sterker nog, het maakte zijn werk alleen maar gemakkelijker. Snel ging hij de andere draconen voor door de stinkende, met afval bezaaide, straten. Hij had ze ook zonder hem op deze missie kunnen sturen, maar hij had zijn machtige tegenstander inmiddels goed leren kennen en had sterk het gevoel dat haast geboden was. De wind van de belangwekkende gebeurtenissen was als een krachtige orkaan. Nu stond hij nog in het oog ervan, maar hij wist dat hij binnenkort zou worden meegezogen, Gachan wilde zich door de wind kunnen laten meevoeren in plaats van op de rotsen te pletter te slaan.
‘Hier is het,’ zei hij. Bij een biertent bleef hij staan. Aan een paal hing een uithangbord met daarop in het Gemeenschaps de naam van de kroeg: het Drakenoog. Tegen de paal stond een bord met in slordig geschreven Gemeenschaps de tekst: VERBODEN VOOR DRACONEN EN KOBOLDEN. Toen Gachan de smerige tentflap een stukje opzij duwde en naar binnen keek, zag hij zijn doelwit. Met een gebaar naar zijn metgezellen duwde hij de flap verder opzij en stapte naar binnen.
Zijn binnenkomst werd met een hels kabaal begroet, want zodra de mensen in het café hun waterige ogen op de drie nieuwkomers richtten en zagen dat het draconen waren, begonnen ze te schreeuwen en te joelen. Het lawaai stierf echter vrijwel onmiddellijk weg toen Gachan de kap afzette die zijn reptielengezicht bedekte. Iedereen herkende de rechterhand van heer Kitiara. Er daalde een doodse stilte neer over de aanwezigen, ondoordringbaarder dan de stinkende rook en smerige luchtjes die het café vulden. Met een angstige blik op de draconen bogen de mensen zich over hun bier en maakten zich zo klein mogelijk in een poging niet op te vallen.
Met zijn glinsterende zwarte ogen blikte Gachan om zich heen.
‘Daar,’ zei hij in het dracoons, gebarend naar een man die half over de bar hing. Zijn metgezellen kwamen meteen in actie en grepen de eenogige soldaat, die hen dronken en doodsbang aanstaarde.
‘Neem hem mee naar buiten, naar achteren,’ beval Gachan.
Zonder acht te slaan op de tegenwerpingen en smeekbedes van de kapitein, of op de dreigende blikken en het gemompel van de cafébezoekers, sleepten de draconen hun gevangene mee naar achteren. Gachan kwam iets langzamer achter hen aan.
De bedreven draconen hadden er een paar tellen voor nodig om hun gevangene dusdanig te ontnuchteren dat hij kon praten — het schorre gekrijs van de man zorgde ervoor dat heel wat bezoekers van het café opeens geen zin meer hadden in hun bier — maar uiteindelijk was hij in staat Gachans vragen te beantwoorden.
‘Herinner je je dat je vanmiddag een drakenofficier hebt gearresteerd op verdenking van desertie?’
De kapitein herinnerde zich dat hij die dag heel veel officieren had ondervraagd... Hij was een druk bezet man... Ze leken allemaal op elkaar. Gachan gebaarde naar de draconen, die snel en doeltreffend reageerden.
De kapitein gilde het uit van de pijn. Ja, ja! Hij wist het weer. Maar het was niet één officier. Het waren er twee.
‘Twee?’ Gachans ogen glinsterden. ‘Beschrijf die andere officier.’
‘Een grote man, een mens, echt heel groot. Barstte bijna uit zijn uniform. En er waren gevangenen bij...’
‘Gevangenen?’ Gachans reptielentong schoot nerveus uit zijn mond. ‘Beschrijf ze.’
De kapitein wilde maar al te graag aan dat verzoek voldoen. ‘Een vrouw, ook een mens, met rode krullen en borsten zo groot als—’
‘Ja, en verder?’ grauwde Gachan. Zijn klauwen beefden. Hij wierp een blik op zijn metgezellen, en de draconen verstevigden hun greep.
Snikkend gaf de kapitein een haastige beschrijving van de andere twee gevangenen, struikelend over zijn eigen woorden.
‘Een kender,’ herhaalde Gachan, die steeds opgewondener werd. ‘Ga door! Een oude man met een witte baard...’ Verward zweeg hij. De oude magiegebruiker? Ze hadden die afgetakelde oude dwaas toch niet meegenomen op zo’n belangrijke, gevaarlijke missie? Maar als hij het niet was, wie dan wel? Iemand anders die ze onderweg hadden opgepikt?
‘Vertel me meer over de oude man,’ beval Gachan.
Wanhopig pijnigde de kapitein zijn van drank doortrokken en door pijn verdwaasde hersens. De oude man... witte baard...
‘Liep hij krom?’
Nee... lang, brede schouders... blauwe ogen. Vreemde ogen... De kapitein stond op het punt het bewustzijn te verliezen. Gachan omklemde de man met zijn hand en drukte zijn klauwen in diens nek.
‘Wat was er met zijn ogen?’
Angstig staarde de kapitein naar de dracoon, die langzaam het leven uit hem perste. Hij sprak onsamenhangend.
‘Jong... te jong!’ herhaalde Gachan triomfantelijk. Nu wist hij het. ‘Waar zijn ze?’
De kapitein bracht nog een laatste woord uit, waarna Gachan hem met een klap op de grond smeet.
De orkaan greep hem. Gachan voelde dat hij omhoog werd gezogen. Eén gedachte fladderde door zijn hoofd als de vleugels van een draak terwijl hij met zijn metgezellen de tent achter zich liet en naar de kerkers onder het paleis rende.
De Immerman... de Immerman... de Immerman!
7
De tempel van de Koningin van de Duisternis.
‘Tas!’
‘Pijn... La’ me met rust...’
‘Ik weet het, Tas, het spijt me, maar je moet wakker worden. Toe dan, Tas!’
De angstige, dringende ondertoon in de stem drong door de pijn en de mist in het hoofd van de kender heen. Een deel van hem sprong verwoed op en neer en schreeuwde hem toe dat hij wakker moest worden. Maar een ander deel wilde zich liever helemaal terug laten zakken in de duisternis. Die was weliswaar onplezierig, maar altijd nog stukken beter dan de pijn waarvan hij wist dat die op de loer lag, klaar om hem te bespringen. ..
‘Tas... Tas...’ Er werd op zijn wang geklopt. De fiuisterstem was gespannen en klonk afgemeten door de onderdrukte angst. Opeens wist de kender dat hij geen keus had. Hij moest wakker worden. En trouwens, het deel van hem dat zo wild op en neer sprong schreeuwde hem toe dat hij misschien wel iets miste.
‘De goden zij dank!’ verzuchtte Tika toen Tasselhof zijn ogen wijd opendeed en haar aankeek. ‘Hoe voel je je?’
‘Vreselijk,’ zei Tas moeizaam terwijl hij overeind probeerde te komen. Zoals hij al had voorzien, sprong de pijn uit een hoekje tevoorschijn en stortte zich op hem. Kreunend omklemde hij zijn hoofd.
‘Ik weet het... Het spijt me,’ zei Tika opnieuw. Teder streek ze zijn haar naar achteren.
‘Je bedoelt het vast goed, Tika,’ zei Tas ellendig, ‘maar zou je daarmee willen ophouden? Het voelt alsof een stel dwergen me met hamers bewerkt.’
Haastig trok Tika haar hand weg. De kender tuurde zo goed en zo kwaad als het ging met zijn ene goede oog om zich heen. Het andere was zo gezwollen dat hij het nauwelijks open kreeg. ‘Waar zijn we?’
‘In de kerkers onder de tempel,’ antwoordde Tika zachtjes. Tas, die vlak naast haar zat, voelde haar rillen van angst en kou. Nu hij om zich heen keek kon hij begrijpen waarom. Weemoedig dacht hij terug aan de goede oude tijd, toen hij niet had geweten wat angst inhield. Eigenlijk hoorde hij een siddering van opwinding te voelen. Hij was immers ergens waar hij nooit eerder was geweest, en er vielen vast allerlei boeiende dingen te ontdekken.
Maar hier was de dood aanwezig, wist Tas; dood en pijn. Hij had er al te veel zien sterven, te veel pijn zien lijden. Zijn gedachten dwaalden af naar Flint, Sturm, Laurana... in Tas’ binnenste was iets veranderd. Hij zou nooit meer zo zijn als de andere kenders. Door verdriet had hij angst leren kennen; niet om zichzelf, maar om anderen. Hij besloot ter plekke dat hij liever zelf zou sterven dan nog iemand te moeten verliezen van wie hij hield.