Maar Derek was vastbesloten geweest. Hij moest en zou uitrijden en het op het slagveld opnemen tegen het drakenleger. Om de suggestie dat hij zwaar in de minderheid was, lachte hij spottend. Sinds wanneer vochten kobolden als ridders van Solamnië? Honderd jaar eerder waren de ridders tijdens de Kobolden- en Ogeroorlog om fort Vingaard met vijftig tegen één in de minderheid geweest, en toch hadden ze een verpletterende overwinning op de monsters behaald!
‘Maar je hebt te maken met draconen,’ waarschuwde Sturm. ‘Die zijn anders dan kobolden. Ze zijn intelligent en vaardig. Er zijn magiegebruikers onder hen, en hun wapens zijn de beste van heel Krynn. Zelfs hun lijken kunnen nog dood en verderf zaaien.’
‘Ik denk niet dat ze een probleem zullen vormen, Zwaardglans,’ viel Derek hem ruw in de rede. ‘En nu stel ik voor dat je je mannen gaat wekken en hun vertelt dat ze zich gereed moeten maken.’
‘Ik ga niet mee,’ zei Sturm vastberaden. ‘En ik ben niet van plan mijn mannen wel met je mee te sturen.’
Derek werd lijkbleek van woede. Even kon hij geen woord uitbrengen, zo boos was.hij. Zelfs heer Alfred keek geschrokken.
‘Sturm,’ begon Alfred, ‘weet je wel wat je zegt?’
‘Ja, mijn heer,’ antwoordde Sturm. ‘Wij zijn het enige wat nog tussen het drakenleger en Palanthas in staat. We mogen dit garnizoen niet onbemand achterlaten. Ik houd mijn mannen hier.’
‘Je negeert een rechtstreeks bevel,’ zei Derek zwaar ademend. ‘Jij bent mijn getuige, heer Alfred. Deze keer gaat zijn kop eraf!’ Met grote passen liep hij naar buiten. Heer Alfred volgde hem met een grimmig gezicht en liet Sturm alleen achter.
Uiteindelijk liet Sturm de keuze aan zijn mannen. Ze konden bij hem blijven zonder enig risico voor henzelf— ze volgden immers gewoon het bevel van hun commandant op — of ze mochten Derek vergezellen. Het was, zo zei hij, dezelfde keus die Vinas Solamnus zijn mannen eeuwen geleden had gegeven, toen de ridders in opstand waren gekomen tegen de corrupte keizer van Ergoth. De mannen hoefden niet aan die legende herinnerd te worden. Ze zagen het als een teken, en net als in de tijd van Solamnus besloten de meesten te blijven bij de commandant die ze respecteerden en bewonderden.
Nu keken ze grimmig toe terwijl hun vrienden zich klaarmaakten om uit te rijden. Het was de eerste openlijke breuk in de lange geschiedenis van de ridderorde, en het was een droevig moment.
‘Wil je niet van gedachten veranderen, Sturm?’ vroeg heer Alfred terwijl de ridder hem op zijn paard hielp. ‘Heer Derek heeft gelijk. Het drakenleger is niet getraind, niet zoals de ridders. Er bestaat een goede kans dat we hen op de vlucht kunnen jagen voordat er veel slagen zijn gewisseld.’
‘Ik bid dat het zo zal gaan, mijn heer,’ antwoordde Sturm rustig.
Alfred nam hem bedroefd op. ‘Als het inderdaad zo gaat, Zwaardglans, zal Derek ervoor zorgen dat je wordt veroordeeld en terechtgesteld. Dan kan Gunthar niets doen om hem tegen te houden.’
‘Een dergelijke dood zou ik graag sterven, mijn heer, als ik daarmee kon verhinderen wat ik vrees dat er zal gebeuren.’
‘Verdomme, man!’ barstte heer Alfred uit. ‘Als we verslagen worden, wat kun jij hier dan uitrichten? Met zo’n klein contingent kun je nog geen leger van greppeldwergen van je afslaan! Stel dat de wegen inderdaad begaanbaar worden, dan nog zul je de toren niet lang genoeg kunnen verdedigen om Palanthas tijd te gunnen versterking te sturen.’
‘Op z’n minst kunnen we Palanthas tijd geven om te evacueren, als...’
Heer Derek Kroonwacht reed op zijn paard tussen zijn mannen door. Door de spleten in zijn helm richtte hij zijn boze, glinsterende ogen op Sturm, en hij vroeg met opgestoken hand om stilte.
‘In overeenstemming met de Maatstaf, Sturm Zwaardglans,’ begon Derek op formele toon, ‘beschuldig ik je hierbij van samenzwering en...’
‘Naar de Afgrond met de Maatstaf!’ grauwde Sturm, wiens geduld nu echt op was. ‘Wat heeft de Maatstaf ons opgeleverd? Tweedracht, jaloezie, krankzinnigheid! Zelfs ons eigen volk onderhandelt liever met de vijand. De Maatstaf heeft gefaald!’
Een doodse stilte daalde neer over de ridders op de binnenplaats, een stilte die slechts werd onderbroken door het rusteloze schuifelen van een paard of het gerammel van een wapenrusting als iemand in zijn zadel verschoof.
‘Bid maar dat ik de dood vind, Zwaardglans,’ zei Derek zachtjes, ‘want bij de goden, anders snijd ik je persoonlijk de keel door bij je terechtstelling!’ Zonder nog een woord te zeggen, wendde hij zijn paard en draafde naar het hoofd van de colonne.
‘Open de poort!’ riep hij.
De ochtendzon klom boven de rookwolken uit naar de blauwe hemel. Uit het noorden stak de wind op en bracht de vlag, die dapper boven op de toren stond, aan het wapperen. Het licht weerkaatste op de harnassen. Zwaarden werden tegen schilden geslagen en er klonk trompetgeschal, terwijl enkele mannen zich haastten om de dikke houten poort te openen.
Derek hief zijn zwaard hoog in de lucht. Met een luidkeelse riddergroet aan de vijand gaf hij zijn paard de sporen. De ridders achter hem namen zijn schallende strijdkreet over en reden de vlakte op waar Huma lang geleden een glorieuze overwinning tegemoet was gegaan. De voetsoldaten marcheerden weg, met laarzen die roffelden op het stenen plaveisel. Even leek heer Alfred iets te willen zeggen tegen Sturm en de jonge ridders die stonden te kijken. Maar uiteindelijk schudde hij slechts zijn hoofd en reed weg.
De poort zwaaide achter hem dicht. De zware ijzeren balk werd ervoor geschoven om hem stevig af te sluiten. Sturms mannen renden naar de borstwering om te kunnen zien wat er gebeurde.
Sturm bleef zwijgend midden op de binnenplaats staan, zonder enige uitdrukking op zijn ingevallen gezicht.
De jonge, knappe commandant die het drakenleger in afwezigheid van de Zwarte Vrouwe aanvoerde, was net opgestaan voor het ontbijt en alweer een oersaaie dag toen er een verkenner het kamp in galoppeerde.
Vol afkeer keek commandant Bakaris naar de verkenner. Die reed als een wildeman door het kamp, waardoor de kookketels en kobolden alle kanten op vlogen. Draconensoldaten sprongen overeind, schudden met hun vuisten en scholden de man uit. Maar de verkenner besteedde geen aandacht aan hen.
‘De Drakenheer!’ riep hij terwijl hij zich voor de tent van zijn paard liet glijden. ‘Ik moet de Drakenheer spreken.’
‘De Drakenheer is er niet,’ zei de generaal-adjudant.
‘Ik heb de leiding,’ snauwde Bakaris. ‘Wat wil je?’
De verkenner keek snel om zich heen, want hij wilde geen fout maken. De gevreesde Zwarte Vrouwe en de grote blauwe draak die ze bereed waren echter nergens te bekennen.
‘De ridders zijn het veld opgereden!’
‘Wat?’ De mond van de commandant viel open van verbazing. ‘Weet je dat zeker?’
‘Ja!’ De verkenner kon bijna niet uit zijn woorden komen. ‘Heb ze gezien! Honderden te paard! Speren, zwaarden. En duizend man te voet.’
‘Ze had gelijk!’ zei Bakaris zachtjes bij zichzelf. Hij vloekte bewonderend. ‘Die dwazen hebben een fout gemaakt!’
Roepend om zijn bedienden rende hij terug naar zijn tent. ‘Groot alarm,’ beval hij kort. ‘Zorg dat de kapiteins hier binnen vijf minuten zijn voor de laatste orders.’ Met handen die beefden van gretigheid gespte hij zijn wapenrusting om. ‘En stuur de wyverns naar Zeedrift om de Drakenheer op de hoogte te stellen.’
Koboldenbedienden renden alle kanten op, en al snel schalde er een schel getoeter door het kamp. De commandant wierp nog een laatste, snelle blik op de kaart die op zijn tafel lag en ging toen op weg om zijn officiers toe te spreken.
‘Jammer,’ merkte hij koeltjes op terwijl hij wegliep. ‘Tegen de tijd dat ze het nieuws hoort, is de strijd waarschijnlijk al gestreden. Spijtig. Ze zou graag aanwezig zijn geweest bij de val van de Toren van de Hogepriester. Maar goed,’ mijmerde hij, ‘morgenavond slapen we misschien wel samen in Palanthas, zij en ik.’