‘Wat afschuwelijk!’ prevelde Laurana huiverend.
Een hele tijd zei Raistlin niets, maar staarde hij met zijn vreemde ogen naar de kille, grauwe winterse hemel. Toen vertrok zijn mond. ‘Ik heb er een belangrijke les uit geleerd. Leer de kracht onder controle te krijgen. Laat je er nooit door beheersen!’
Laurana leek hem niet te hebben gehoord. Onrustig wrong ze haar handen in haar schoot. Dit was de volmaakte gelegenheid om de vragen te stellen waar ze een antwoord op wilde, maar dat zou betekenen dat ze zichzelf moest openstellen voor deze man die ze vreesde en wantrouwde. Haar nieuwsgierigheid, en haar liefde, waren echter te groot. Ze besefte geen moment dat ze in een sluw uitgezette val trapte. Raistlin genoot er namelijk van om mensen hun diepste geheimen te ontfutselen, in de wetenschap dat ze hem ooit goed van pas zouden kunnen komen.
‘Wat hebben jullie toen gedaan?’ vroeg ze moeizaam slikkend. ‘Is Kit-Kitiara...’ In haar poging zo natuurlijk mogelijk te klinken, struikelde ze over de naam. Ze werd rood van gêne.
Geboeid bestudeerde Raistlin Laurana’s innerlijke strijd. ‘Tegen die tijd was Kitiara al weg,’ antwoordde hij. ‘Op haar vijftiende is ze van huis weggegaan om met haar zwaard haar brood te verdienen. Ze is een expert, dat zegt Caramon althans, en wist moeiteloos werk als huurling te vinden. O, ze kwam af en toe wel terug om te zien hoe het met ons ging. Zodra we oud genoeg waren en genoeg vaardigheden hadden opgedaan, nam ze ons wel eens mee. Toen hebben Caramon en ik samen leren vechten, ik met mijn magie en mijn broer met zijn zwaard. Later, nadat ze Tanis had leren kennen,’ — Raistlins ogen glinsterden toen hij Laurana ongemakkelijk heen en weer zag schuiven — ‘reisde ze steeds vaker met ons mee.’
‘Met wie? En waar gingen jullie dan naartoe?’
‘Met Sturm Zwaardglans, die er toen al van droomde om ridder te worden, de kender, Tanis, Caramon en ik. We reisden mee met Flint, voordat die het smidswerk voor gezien hield. Het werd zo gevaarlijk op de wegen dat Flint niet meer wilde reizen. En inmiddels hadden we alles van onze vrienden geleerd wat er te leren viel. We werden rusteloos. Het werd tijd dat we ieder ons weegs gingen, zei Tanis.’
‘En jullie deden wat hij zei? Was hij toen al jullie leider?’ Ze dacht aan hem terug zoals ze hem had gekend voordat hij uit Qualinost was weggegaan, onbebaard en zonder de zorgenrimpels die ze nu op zijn gezicht zag. Maar zelfs toen was hij al teruggetrokken en somber geweest, gekweld door het gevoel dat hij tot beide rassen behoorde, en tegelijkertijd tot geen van beide. Toen had ze niets van hem begrepen. Pas nu ze een tijdje in de mensenwereld had geleefd, begon ze het te snappen.
‘Hij beschikt over de kwaliteiten waarvan wordt beweerd dat ze essentieel zijn voor een leider. Hij denkt snel na, is intelligent en creatief. Maar dat geldt in meerdere of mindere mate voor ons allemaal. Waarom volgen de anderen Tanis? Sturm is van adel en is lid van een orde die teruggaat tot in de oudheid. Waarom gehoorzaamt hij een halfelfbastaard? En Waterwind. Hij wantrouwt allen die niet menselijk zijn en vertrouwt zelfs mensen maar half. Toch zouden hij en Goudmaan Tanis volgen naar de Afgrond. Waarom?’
‘Dat heb ik me inderdaad afgevraagd,’ begon Laurana, ‘en ik denk… ‘
Raistlin deed echter alsof hij haar niet hoorde en beantwoordde zijn eigen vraag. ‘Tanis luistert naar zijn gevoel. Hij onderdrukt het niet, zoals de ridder, en verbergt het niet, zoals de Vlakteman. Tanis beseft dat een leider soms met zijn hart moet denken in plaats van met zijn hoofd.’ Raistlin wierp haar een vluchtige blik toe. ‘Vergeet dat nooit.’
Even in verwarring gebracht knipperde Laurana met haar ogen, maar omdat ze in de stem van de magiër een neerbuigende ondertoon hoorde die haar ergerde, zei ze hooghartig: ‘Het valt me op dat je jezelf niet noemt. Als je inderdaad zo intelligent en machtig bent als je zelf beweert, waarom volg jij Tanis dan?’
Raistlins zandlopervormige ogen waren donker en versluierd. Hij zweeg, want juist op dat moment kwam Caramon hem een beker brengen, die hij zorgvuldig volschonk met water uit de ketel. De krijger keek Laurana met een somber gezicht aan, zoals altijd gegeneerd en slecht op zijn gemak als zijn broer zo zat te oreren.
Raistlin leek er niets van te merken. Hij haalde een buidel uit zijn reistas en strooide wat groene blaadjes in het hete water. Meteen verspreidde zich een scherpe, indringende geur door het vertrek. ‘Ik volg hem niet.’ De jonge magiër keek op naar Laurana. ‘Voorlopig reizen Tanis en ik toevallig in dezelfde richting.’
‘De ridders van Solamnië zijn niet welkom in onze stad,’ zei de heer streng en met een ernstig gezicht. Zijn duistere blik gleed over de rest van het gezelschap. ‘En hetzelfde geldt voor elfen, kenders en dwergen, alsmede lieden die met hen meereizen. Ik heb begrepen dat jullie ook een magiegebruiker in jullie gelederen hebben, een die de Rode Mantel draagt. Jullie dragen wapenrusting. Jullie wapens zijn met bloed bevlekt en jullie weten ze snel en vaardig te trekken. Het is wel duidelijk dat jullie geoefende krijgers zijn.’
‘Ongetwijfeld huurlingen, mijn heer,’ zei de bevelhebber.
‘We zijn geen huurlingen,’ zei Sturm, die met trots en nobel geheven hoofd de tafel naderde. ‘We zijn afkomstig van de noordelijke vlakten van Abanasinië. In Pax Tharkas hebben we achthonderd mannen, vrouwen en kinderen bevrijd uit de greep van de drakenheer Canaillaard. Op de vlucht voor de toorn van het drakenleger hebben we de vluchtelingen goed verborgen achtergelaten in een vallei in de bergen, waarna we zelf naar het zuiden zijn gereisd in de hoop in de legendarische stad Tarsis schepen aan te treffen. We wisten niet dat de stad inmiddels door louter land omgeven werd, anders hadden we ons de moeite bespaard.’
De heer fronste zijn voorhoofd. ‘Jullie komen uit het noorden, zeg je? Dat is onmogelijk. Niemand is ooit veilig door het dwergenrijk Thorbardin in de bergen gekomen.’
‘Als u iets weet over de ridders van Solamnië, dan weet u dat we liever zouden sterven dan een leugen te vertellen, zelfs aan onze vijanden,’ zei Sturm. ‘We zijn het dwergenrijk binnengegaan en hebben ons van een veilige doortocht verzekerd door de verloren hamer van Kharas op te sporen en aan hen terug te geven.’
De heer schoof ongemakkelijk heen en weer, met een steelse blik op de dracoon die achter hem zat. ‘Ik weet inderdaad iets over de ridders,’ zei hij met tegenzin. ‘En daarom moet ik je verhaal geloven, al klinkt het eerder als verhaaltjes voor het slapengaan dan...’
Opeens zwaaiden de deuren open en liepen twee wachters met grote passen naar binnen. Tussen hen in sleepten ze een gevangene met zich mee. Ze duwden de reisgenoten uit de weg en smeten hun gevangene op de grond. Het was een vrouw, gekleed in een lange rok en een zware mantel. Ze droeg een dikke sluier voor haar gelaat. Even bleef ze op de vloer liggen, alsof ze te moe of te verslagen was om op te staan. Toen leek ze zich met een uiterste wilsinspanning omhoog te duwen. Het was wel duidelijk dat niemand van plan was haar te hulp te schieten. De heer staarde haar met een grimmig, boos gezicht aan. De dracoon achter hem was overeind gekomen en keek vol belangstelling op haar neer. De vrouw had het moeilijk, want ze was verstrikt geraakt in haar mantel en haar lange, wijde rok.
Opeens stond Sturm naast haar.
Vol afschuw had de ridder staan kijken naar de harteloze manier waarop de vrouw werd behandeld. Hij wierp een blik op Tanis en zag de immer behoedzame halfelf zijn hoofd schudden, maar de aanblik van de vrouw, die een dappere poging deed om op te staan, werd hem te veel. Hij deed een stap naar voren, waarop er een hellebaard op hem werd gericht.