‘Je doodt me maar als je wilt,’ zei de ridder tegen de wachter, ‘maar ik ga deze dame helpen.’
Knipperend met zijn ogen deed de wachter een stap naar achteren, waarop hij naar zijn heer keek alsof hij wilde weten wat hij moest doen. De heer schudde nauwelijks merkbaar zijn hoofd. Tanis, die gespannen toekeek, hield zijn adem in. Toen dacht hij dat hij de heer zag glimlachen, al verborg hij het snel met zijn hand.
‘Vrouwe, sta me toe u te helpen,’ zei Sturm met een hoffelijk, ouderwets soort beleefdheid dat nergens ter wereld meer voorkwam. Met zijn sterke handen hielp hij haar voorzichtig overeind.
‘U kunt maar beter bij me vandaan blijven, heer ridder,’ zei de vrouw zo zachtjes dat ze achter haar sluier bijna onverstaanbaar was. Bij het horen van haar stemgeluid keken Tanis en Gilthanas elkaar echter verschrikt aan. ‘U weet niet wat u doet,’ zei ze. ‘U zet uw leven op het spel...’
‘Het is me een voorrecht,’ zei Sturm met een buiging. Hij bleef beschermend naast haar staan, zijn blik op de wachters gericht.
‘Ze is een Silvanesti-elf!’ fluisterde Gilthanas tegen Tanis. ‘Weet Sturm dat?’
‘Natuurlijk niet,’ antwoordde Tanis zachtjes. ‘Hoe kan hij dat weten? Zelfs ik herkende haar accent bijna niet.’
‘Wat doet ze hier in vredesnaam? Silvanesti is ver weg...’
‘Ik...’ begon Tanis, maar een van de wachters gaf hem een por in zijn rug. Hij zweeg, precies op het moment dat de heer sprak.
‘Vrouwe Alhana,’ zei hij kil. ‘Er is u te verstaan gegeven dat u de stad diende te verlaten. De laatste keer dat u voor mij verscheen, heb ik genade getoond omdat u uit naam van uw volk was gekomen met een diplomatieke missie, en omdat het protocol hier in Tarsis nog altijd in ere wordt gehouden. Toen heb ik u echter al verteld dat u van ons geen hulp hoefde te verwachten en heb ik u vierentwintig uur gegeven om te vertrekken. Maar u bent er nog steeds.’ Hij keek naar de wachters. ‘Wat is de aanklacht?’
‘Poging tot het ronselen van huurlingen, mijn heer,’ antwoordde de bevelhebber. ‘Ze is opgepakt in een herberg bij de Oude Kade, mijn heer.’ Hij schonk Sturm een vernietigende blik. ‘Maar goed dat ze deze lieden niet is tegengekomen, want natuurlijk zou niemand in Tarsis een elf helpen.’
‘Alhana,’ mompelde Tanis bij zichzelf. Hij schoof voorzichtig dichter naar Gilthanas toe. ‘Waarom komt die naam me zo bekend voor?’
‘Ben je al zo lang van je volk gescheiden datje die naam niet meer herkent?’ antwoordde Gilthanas zachtjes in het elfs. ‘Onder onze verwanten in Silvanesti was er maar één die Alhana heette. Alhana Sterrenbries, dochter van de Sterrenspreker, prinses van haar volk, en heerseres over haar volk zodra haar vader sterft, want ze heeft geen broers.’
‘Alhana!’ zei Tanis. Nu wist hij het weer. Het elfenvolk was honderden jaren eerder gescheiden geraakt, toen Kith-Kanan na de bittere Bloedmoordoorlog vele elfen naar het land Qualinesti had geleid. Maar de elfenleiders hielden nog steeds contact op de mysterieuze wijze van de elfenheren, die, zo wordt beweerd, boodschappen hoorden in de wind en de taal van de zilveren maan spraken. Nu wist hij weer wie Alhana was: naar verluidt de mooiste van alle elfenmaagden, en afstandelijk als de zilveren maan die bij haar geboorte aan de hemel had gestaan.
De dracoon boog naar voren om met de heer te overleggen. Tanis zag het gezicht van de man betrekken, en even leek het of hij bezwaar zou maken, maar toen beet hij op zijn lip, slaakte een zucht en knikte. De dracoon trok zich weer terug in de schaduw.
‘U staat onder arrest, vrouwe Alhana,’ zei de heer moeizaam. Sturm deed een stap in de richting van de vrouw toen de wachters haar naderden. Met zijn kin geheven wierp hij hun allemaal een waarschuwende blik toe. Zelfs ongewapend kwam hij zo zelfverzekerd en nobel over dat de wachters aarzelden. Maar hun heer had hun een bevel gegeven.
‘Ik zou maar iets doen als ik jou was,’ bromde Flint. ‘Ik ben helemaal vóór ridderlijkheid, maar dit is er niet de juiste plaats of het juiste moment voor.’
‘Heb jij nog ideeën?’ snauwde Tanis.
Flint gaf geen antwoord. Ze konden er allemaal helemaal niets aan doen, en dat wisten ze donders goed. Sturm zou nog liever sterven dan toe te staan dat de wachters de vrouw nog eens aanraakten, ook al had hij geen idee wie ze was. Het deed er niet toe. Heen en weer geslingerd tussen frustratie en bewondering voor zijn vriend schatte Tanis de afstand tussen hem en de dichtstbijzijnde wachter in, wetend dat hij er in elk geval één kon uitschakelen. Hij zag hoe Gilthanas zijn ogen sloot en geluidloos woorden vormde. De elf was een magiegebruiker, al deed hij er zelden een beroep op. Toen hij de uitdrukking op Tanis’ gezicht zag, slaakte Flint een diepe zucht en keerde zich in de richting van een andere wachter, terwijl hij zijn gehelmde hoofd als een stormram liet zakken.
Plotseling sprak de heer met raspende stem. ‘Stop, ridder!’ zei hij met het gezag dat hij had geërfd van alle generaties voor hem. Sturm erkende dat en ontspande zich, waarop Tanis een zucht van verlichting slaakte. ‘Ik sta niet toe dat er in deze raadskamer bloed wordt vergoten. De vrouwe heeft de wetten van dit land geschonden, wetten die u, heer ridder, in het verleden vanwege uw gezworen plicht zou hebben gehandhaafd. Maar ik ben het met u eens dat er geen reden is om haar respectloos te behandelen. Wachters, leid de vrouwe naar de gevangenis, maar met dezelfde hoffelijkheid die je mij zou betonen. En u, heer ridder, zult haar vergezellen, aangezien u zich zo bekommert om haar welzijn.’
Tanis gaf Gilthanas een por, waarop die met een schok uit zijn trance ontwaakte. ‘Het klopt wat Sturm zei: deze heer stamt af van een nobel geslacht,’ fluisterde hij.
‘Ik snap niet wat er te glimlachen valt, halfelf,’ bromde Flint, die had opgevangen wat Tanis zei. ‘Eerst worden we door toedoen van die kender beschuldigd van het aanzetten tot een rel, waarop hij verdwijnt. En nu belanden we door die ridder in de gevangenis. Help me de volgende keer herinneren dat ik bij de magiër blijf. Van hem weet ik tenminste dat hij gestoord is!’
Toen de wachters de gevangenen bij de tafel vandaan leidden, leek Alhana in de plooien van haar rok ergens naar op zoek te zijn.
‘Ik wil u om een gunst vragen, heer ridder,’ zei ze tegen Sturm. ‘Ik geloof dat ik iets heb laten vallen. Het is een kleinigheidje, maar wel kostbaar. Zou u willen kijken...’
Sturm knielde snel en zag meteen het glanzende voorwerp op de grond liggen, verborgen door haar rok. Het was een broche in de vorm van een ster, ingelegd met vele glinsterende diamanten. Zijn adem stokte. Een kleinigheidje! Het ding moest een fortuin waard zijn. Geen wonder dat ze niet wilde dat die waardeloze wachters het vonden. Snel vouwde hij zijn vingers eromheen, waarna hij deed alsof hij zoekend om zich heen blikte. Uiteindelijk keek hij, nog steeds geknield, naar de vrouw op.
Opnieuw stokte zijn adem, want de vrouw trok de kap van haar hoofd en haalde de sluier voor haar gezicht weg. Voor het eerst werd het gelaat van Alhana Sterrenbries door een mens aanschouwd.
Muralasa noemden de elfen haar, de prinses van de nacht. Haar haren, zo zwart en zacht als een nachtbries, werden bijeengehouden door een haarnet zo fijn als spinrag waar piepkleine edelsteentjes als sterren in glinsterden. Haar huid was zo bleek als de zilveren maan, haar ogen hadden de diepe, donkerpaarse kleur van de nachtelijke hemel en haar lippen waren rood als de schaduw op de rode maan.
Het eerste wat bij de ridder opkwam was dat hij Paladijn mocht danken dat hij al op zijn knieën zat. Het tweede was dat hij zonder nadenken zijn leven zou geven om haar te mogen dienen, en het derde was dat hij iets moest zeggen, maar hij leek alle woorden van alle talen die hij kende te zijn vergeten.
‘Bedankt voor het zoeken, edele ridder,’ zei Alhana zachtjes terwijl ze Sturm strak aankeek. ‘Zoals ik al zei, het was maar een kleinigheid. Sta toch op, alstublieft. Ik ben zeer vermoeid, en aangezien we naar dezelfde plek gaan, zou u me een grote dienst bewijzen indien u me zou willen assisteren.’