‘N-nee,’ zei Tanis met een vuurrood gezicht. ‘Ik.
‘Doe het dan ook niet,’ zei ze, waarna ze zich tot Gilthanas wendde. ‘Je vroeg waarom ik naar Tarsis was gekomen. Ik was op zoek naar hulp. Ik moet terug naar Silvanesti om mijn vader te zoeken.’
‘Terug naar Silvanesti?’ herhaalde Gilthanas. ‘Wij... Mijn volk wist niet dat de Silvanesti-elfen hun thuisland hadden verlaten. Geen wonder dat we geen contact meer konden krijgen...’
‘Ja.’ Alhana’s stem klonk droevig. ‘Het kwaad dat jullie, onze verwanten, uit Qualinesti heeft verdreven, is ook tot ons gekomen.’ Ze boog haar hoofd, maar keek toen op en ging met zachte stem verder: ‘Lang hebben we ons tegen dat kwaad verzet. Maar uiteindelijk moesten we vluchten, of roemloos ten onder gaan. Mijn vader heeft het volk onder mijn leiding naar Zuid-Ergoth gestuurd. Zelf is hij in Silvanesti achtergebleven om in zijn eentje het kwaad te bestrijden. Ik heb me tegen zijn beslissing verweerd, maar hij zei dat hij de macht had om te voorkomen dat het kwaad ons thuisland zou vernietigen. Met een bezwaard gemoed heb ik ons volk in veiligheid gebracht, en daar zijn ze nog steeds. Maar ik wil terug om mijn vader te zoeken, want vele dagen zijn verstreken en we hebben niets meer van hem vernomen..’
‘Maar had u dan geen krijgers, vrouwe, die u konden vergezellen op zo’n gevaarlijke reis?’ vroeg Tanis.
Alhana draaide zich om en keek Tanis aan alsof ze verbijsterd was dat hij zich in hun gesprek had durven mengen. Even leek het erop dat ze weigerde hem antwoord te geven, maar nadat ze zijn gezicht wat langer had bestudeerd, veranderde ze van gedachten.
‘Er waren vele krijgers die aanboden me te vergezellen,’ antwoordde ze trots. ‘Maar toen ik beweerde dat ik mijn volk in veiligheid had gebracht, was dat te veel gezegd. Geen enkele plaats op deze wereld is nog veilig. De krijgers zijn achtergebleven om het volk te beschermen. Ik ben naar Tarsis gegaan in de hoop daar krijgers te vinden die bereid zouden zijn me te vergezellen naar Silvanesti. Eerst ben ik naar de heer en de raad gegaan, zoals het protocol vereist...’
Tanis schudde met een boze frons zijn hoofd. ‘Dat was stom,’ zei hij bot. ‘U had kunnen weten hoe ze over elfen denken, ook voordat de draconen ten tonele verschenen. U mag verdorie nog van geluk spreken dat ze u alleen maar bevalen de stad uit te gaan.’
Alhana’s toch al bleke gezicht werd zo mogelijk nog witter. Haar donkere ogen vonkten. ‘Ik heb gedaan wat het protocol vereist,’ antwoordde ze, te welopgevoed om haar woede te uiten, al klonk haar stem kil. ‘Als ik het anders had aangepakt, was ik niet beter geweest dan de eerste de beste barbaar. Toen de heer weigerde me te helpen, heb ik hem te verstaan gegeven dat ik zelf op zoek zou gaan naar hulp. Het zou eerloos zijn geweest om dat niet te doen.’
Flint, die het gesprek, dat in het elfs werd gevoerd, slechts gedeeltelijk kon volgen, stootte Tanis aan. ‘Zij en de ridder zullen het ongetwijfeld prima met elkaar kunnen vinden.’ Hij snoof. ‘Als ze zichzelf niet eerst de dood injagen met hun eergevoel, tenminste.’ Voordat Tanis kon antwoorden, voegde Sturm zich weer bij hen.
‘Tanis,’ zei Sturm opgewonden, ‘de ridders hebben de oude bibliotheek gevonden. Daarom zijn ze hier. Ze hebben in Palanthas documenten gevonden waarin staat dat er hier in de bibliotheek van Tarsis in vroeger tijden kennis over draken werd bewaard. De Ridderraad heeft hen erop uitgestuurd om te kijken of de bibliotheek nog bestond.’
Sturm gebaarde naar de ridders dat ze naar voren moesten komen. ‘Dit is Brian Donner, ridder van het Zwaard,’ zei hij. ‘Aran Langboog, ridder van de Kroon, en Derek Kroonwacht, ridder van de Roos.’ De ridders maakten een buiging.
‘En dit is Tanis Halfelf, onze leider,’ zei Sturm. Tanis zag Alhana opschrikken en verwonderd naar hem kijken. Toen wierp ze een vluchtige blik op Sturm alsof ze wilde nagaan of ze hem goed had verstaan.
Sturm stelde Gilthanas en Flint voor en wendde zich vervolgens tot Alhana. ‘Vrouwe Alhana,’ begon hij, maar toen zweeg hij beschaamd, beseffend dat hij verder niets over haar wist.
‘Alhana Sterrenbries,’ vulde Gilthanas aan. ‘Dochter van de Sterrenspreker. Prinses van de Silvanesti-elfen.’
Opnieuw maakten de ridders een buiging, veel dieper deze keer.
‘Aanvaard mijn diepe dankbaarheid voor mijn redding,’ zei Alhana koeltjes. Haar blik ging over de hele groep, maar bleef het langst op Sturm rusten. Toen richtte ze zich tot Derek, omdat ze op grond van zijn teken van de orde van de Roos wist dat hij de leider was. ‘Hebben jullie die documenten gevonden die jullie van de raad moesten zoeken?’
Terwijl ze sprak, nam Tanis de ridders, die inmiddels hun kap hadden afgezet, belangstellend op. Ook hij wist genoeg om te weten dat de Ridderraad, die over de Solamnische ridders regeerde, zijn allerbeste mensen eropuit had gestuurd. In het bijzonder bestudeerde hij Derek, de oudste en de hoogste in rang. Er waren maar weinig ridders die de orde van de Roos wisten te behalen. De proeven waren gevaarlijk en moeilijk, en alleen ridders van zuivere afkomst kwamen in aanmerking.
‘We hebben een boek gevonden, vrouwe,’ zei Derek, ‘geschreven in een oude taal die we niet begrijpen. Er staan echter afbeeldingen van draken bij, dus we wilden de tekst overschrijven en ermee teruggaan naar Sancrist, waar de geleerden hem hopelijk zouden kunnen vertalen. Maar in plaats daarvan hebben we iemand gevonden die hem kan lezen. De kender...’
‘Tasselhof!’ barstte Flint uit.
Tanis’ mond viel open. ‘Tasselhof?’ herhaalde hij ongelovig. ‘Die kan nauwelijks Gemeenschaps lezen. Hij kent helemaal geen oude talen. De enige van onze metgezellen die mogelijk een oude taal zou kunnen vertalen, is Raistlin.’
Derek haalde zijn schouders op. ‘De kender heeft een bril waarvan hij beweert dat het een “magische bril van het ware zicht” is. Hij zette hem op en kon toen het boek lezen. Er staat...’
‘Ik kan wel raden wat er staat!’ snauwde Tanis. ‘Verhalen over robots en magische teleporterende ringen en planten die van lucht leven. Waar is hij? Ik wil eens een hartig woordje spreken met Tasselhof Klisvoet.’
‘Een magische bril van het ware zicht!’ mopperde Flint. ‘Als dat waar is, ben ik een greppeldwerg.’
De reisgenoten betraden een zwaar beschadigd gebouw. Achter Derek aan klommen ze over het puin heen een gewelfde doorgang door. De geur van stof en schimmel was sterk. De duisternis leek ondoordringbaar na de felle middagzon en even zag niemand een hand voor ogen. Toen stak Derek een toorts aan en zagen ze een smalle wenteltrap die naar nog meer duisternis in de diepte leidde.
‘De bibliotheek is onder de grond gebouwd,’ legde Derek uit. ‘Dat is waarschijnlijk de enige reden dat hij de Catastrofe zo goed heeft doorstaan.’
De reisgenoten liepen snel de trap af en kwamen al snel uit in een reusachtige zaal. Tanis’ adem stokte en zelfs Alhana sperde haar ogen open. In het flakkerende toortslicht was te zien dat de zaal van vloer tot plafond was gevuld met hoge, houten kasten die zich uitstrekten zo ver als het oog reikte. Op de planken stonden boeken, allerlei soorten boeken. Boeken met leren kaften, boeken gebonden in hout, boeken gebonden in zo te zien de bladeren van een exotische boom. Vele waren helemaal niet gebonden, maar bestonden uit pakken perkament die met zwarte linten bijeen werden gehouden. Enkele kasten waren omgevallen, zodat de boeken op de grond waren gevallen. De laag perkament kwam tot aan hun enkels.
‘Er moeten er duizenden zijn!’ zei Tanis vol ontzag. ‘Hoe hebben jullie te midden van dit alles ooit dat ene boek kunnen vinden?’
Derek schudde zijn hoofd. ‘Het was niet eenvoudig,’ zei hij. ‘Vele dagen hebben we hier beneden doorgebracht met zoeken. Toen we het eindelijk hadden gevonden, ervoeren we eerder wanhoop dan triomf, want het was meteen duidelijk dat we het boek niet konden verplaatsen. Zodra we de bladzijden aanraakten, vergingen ze tot stof. We waren al bang dat we vele, vermoeiende uren kwijt zouden zijn met overschrijven. Maar de kender—’
‘Inderdaad, de kender,’ zei Tanis grimmig. ‘Waar is hij?’