‘Hier!’ piepte een schrille stem.
Tanis tuurde door de schemerige zaal tot hij een kaars op een tafel zag branden. Tasselhof zat op een hoge houten kruk over een dik boek gebogen. Toen de reisgenoten dichterbij kwamen, zagen ze dat hij een kleine bril op zijn neus had.
‘Goed, Tas,’ zei Tanis. ‘Waar heb je die vandaan?’
‘Waar heb ik wat vandaan?’ vroeg de kender onschuldig. Hij zag Tanis zijn ogen vernauwen en legde zijn hand tegen het kleine, metalen brilletje. ‘O, dit bedoel je? Die had ik in een van mijn buidels... En als je het echt wilt weten, ik heb hem gevonden in het dwergenrijk.’
Kreunend sloeg Flint zijn hand voor zijn gezicht.
‘Hij lag gewoon ergens op tafel!’ zei Tas verontwaardigd toen hij Tanis boos zag kijken. ‘Echt waar! Er was niemand in de buurt. Ik dacht dat iemand hem misschien per ongeluk had laten liggen. Ik heb hem alleen maar meegenomen om te voorkomen dat er iets mee zou gebeuren. En dat was maar goed ook. Voor hetzelfde geld was hij door iemand gestolen, en hij is heel kostbaar! Ik was van plan hem terug te geven, maar toen kregen we het opeens zo druk met vechten tegen duistere dwergen en draconen en het zoeken naar de hamer dat ik het... een beetje... ben vergeten. Toen ik er weer aan dacht, waren we mijlenver van de dwergen verwijderd, op weg naar Tarsis, en ik dacht: ze willen vast niet dat ik helemaal terugga alleen om hem terug te brengen, dus—’
‘Wat kun je ermee?’ viel Tanis de kender in de rede, wetend dat ze er anders overmorgen nog zouden staan.
‘Hij is geweldig,’ zei Tas haastig, opgelucht dat Tanis niet tegen hem begon te schreeuwen. ‘Op een dag liet ik hem op een kaart liggen.’ Tas klopte op zijn kaartenkoker. ‘Ik kijk naar beneden en wat zie ik? Ik kan door de glazen heen lezen wat er op de kaart staat! Nu is dat op zich natuurlijk niet zo bijzonder,’ zei Tas haastig toen hij zag dat Tanis weer begon te fronsen. ‘Maar dit was een kaart die was geschreven in een taal waar ik nog nooit iets van had begrepen. Dus heb ik de bril op al mijn kaarten uitgeprobeerd, en ik kon ze allemaal lezen, Tanis! Stuk voor stuk! Zelfs de heel oude!’
‘En daar heb je tegen ons nooit iets over gezegd?’ vroeg Sturm bestraffend.
‘Nou ja, het gesprek kwam er nooit op,’ zei Tas verontschuldigend. ‘Als je me nou rechtstreeks had gevraagd: “Tasselhof, heb jij een magische bril?” Dan had ik je meteen de waarheid verteld. Maar dat heb je nooit gedaan, Sturm Zwaardglans, dus kijk niet zo naar me. Maar goed, ik kan dit oude boek dus ook lezen. Ik zal je vertellen wat ik—’
‘Hoe weet je dat het een magische bril is en niet gewoon een mechanisch apparaat van de dwergen?’ vroeg Tanis, die aanvoelde dat Tas iets achterhield.
Tas slikte moeizaam. Hij had gehoopt dat Tanis dat niet zou vragen.
‘Eh...’ stamelde hij. ‘Ik... ik geloof dat ik er toevallig, eh... een keer iets over heb gezegd tegen Raistlin, toen jullie op een avond allemaal druk bezig waren met andere dingen. Hij zei dat het misschien wel een magische bril was. Om erachter te komen zei hij zo’n rare spreuk van hem op, en toen, eh... gloeide de bril op. Dat betekende dat hij betoverd is. Hij vroeg wat ik ermee kon doen, en toen liet ik het hem zien, en toen zei hij dat het een “bril van het ware zicht” was. Vroeger werd hij voor de magiegebruikers onder de dwergen gebruikt om boeken te lezen die in andere talen waren geschreven en...’ Tas zweeg plots.
‘En?’ drong Tanis aan.
‘En, eh... spreukenboeken.’ Tas’ stem was niet meer dan een fluistering.
‘En wat zei Raistlin verder nog?’
‘Dat hij me, als ik zijn spreukenboeken aanraakte of er zelfs maar verkeerd naar keek, in een krekel zou veranderen en me met h-huid en haar zou opeten,’ stamelde Tasselhof. Hij keek Tanis met grote ogen aan. ‘En ik geloofde hem meteen.’
Tanis schudde zijn hoofd. Net iets voor Raistlin om een dreigement te verzinnen waarmee je zelfs de nieuwsgierigheid van e en kender de kop kon indrukken. ‘Verder nog iets?’ vroeg hij.
‘Nee, Tanis,’ zei Tas onschuldig. In werkelijkheid had Raistlin nog meer over de bril gezegd, maar daar begreep Tas niet veel van. Iets over dat de bril ervoor zorgde dat je dingen té goed zag, maar dat sloeg nergens op, dus waarschijnlijk was het niet de moeite van het vermelden waard. En trouwens, Tanis was al boos genoeg.
‘Nou, wat heb je ontdekt?’ vroeg de halfelf met tegenzin.
‘O, Tanis, het is ongelooflijk boeiend!’ zei Tas, dankbaar dat de beproeving achter de rug was. Zorgvuldig sloeg hij een bladzijde om, waarop die scheurde en barstte tussen zijn vingers. Bedroefd schudde hij zijn hoofd. ‘Dat gebeurt bijna elke keer. Maar hier zie je’— de anderen kwamen om hem heen staan en bukten zich om te zien waar hij naar wees — ‘plaatjes van draken. Blauwe draken, rode draken, zwarte draken, groene draken. Goed, zie je dit?’ Hij sloeg nog een bladzijde om. ‘Oeps. Nou ja, nu kun je het niet meer zien, maar het was een enorme glazen bol. En volgens het boek kun je, als je zo’n glazen bol hebt, de draken in je macht krijgen en moeten ze doen wat je zegt!’
‘Een glazen bol!’ Flint snoof, en nieste toen. ‘Geloof hem niet, Tanis. Volgens mij heeft die bril hooguit zijn stoere verhalen uitvergroot.’
‘Ik vertel echt wel de waarheid!’ zei Tas verontwaardigd. ‘Ze heten drakenbollen, vraag maar aan Raistlin! Hij moet er iets over weten, want volgens dit boek zijn ze lang geleden door machtige tovenaars gemaakt.’
‘Ik geloof je,’ zei Tanis, die zag dat Tasselhof oprecht van streek was. ‘Maar ik ben bang dat we er niet veel aan zullen hebben. Ze zijn waarschijnlijk bij de Catastrofe allemaal vernietigd, en al was dat niet zo, dan zouden we toch niet weten waar we ze moesten zoeken...’
‘Wel waar,’ zei Tas opgewonden. ‘Hier heb je een lijst waarop staat waar ze werden bewaard. Kijk maar...’ Hij zweeg en hield zijn hoofd scheef. ‘Sst,’ zei hij, gespannen luisterend. De anderen bleven stil. Even hoorden ze niets, maar toen hoorden ze wat de kender met zijn scherpe gehoor al had opgevangen.
Tanis voelde zijn handen koud worden. De droge, bittere smaak van angst vulde zijn mond. Nu hoorde hij in de verte het geluid van honderden schallende trompetten, trompetten die ze allemaal al eerder hadden gehoord. De bulderende koperen trompetten die de komst van een draconenleger aankondigden... en de komst van de draken.
De trompetten van de dood.
7
Niet voorbestemd elkaar in deze wereld weer te zien…
De reisgenoten hadden net de markt bereikt toen Tanis de eerste vlucht draken zag.
De groep had zich losgemaakt van de ridders, en het was geen plezierig afscheid geweest. De ridders hadden geprobeerd hen over te halen met hen mee de heuvels in te vluchten. Toen ze weigerden, had Derek erop gestaan dat Tasselhof hen zou vergezellen, aangezien de kender de enige was die wist waar de drakenbollen zich bevonden. Wetend dat Tas toch maar bij de ridders weg zou lopen, voelde Tanis zich opnieuw gedwongen nee te zeggen.
‘Neem de kender mee, Sturm, en kom met ons mee,’ beval Derek zonder acht te slaan op Tanis.
‘Dat kan ik niet doen, mijn heer,’ antwoordde Sturm met zijn hand op Tanis’ arm. ‘Hij is mijn leider, en mijn loyaliteit ligt in de eerste plaats bij mijn vrienden.’
Dereks stem was kil van woede. ‘Als dat je besluit is,’ zei hij, ‘kan ik je niet tegenhouden. Maar dit spreekt tegen je, Sturm Zwaardglans. Denk erom dat je nog geen ridder bent. Nog niet. Het is voor jou te hopen dat ik niet aanwezig ben wanneer de Raad moet beslissen of je tot ridder zult worden geslagen.’
Sturm werd lijkbleek. Hij wierp een zijdelingse blik op Tanis, die zijn best deed om zijn verbijstering over dat onverwachte nieuws te verbergen. Er was echter geen tijd om erover na te denken. Het akelige trompetgeschal dat door de kille wind werd aangevoerd, kwam steeds dichterbij. De ridders en de reisgenoten gingen ieder hun eigen weg: de ridders naar hun kamp in de heuvels, de reisgenoten terug naar de stad.
Ze troffen de stadsbewoners voor hun huizen aan, waar ze stonden te gissen naar de betekenis van het merkwaardige trompetgeschal, dat ze nooit eerder hadden gehoord en niet konden plaatsen. Slechtséén Tar sier hoorde het en begreep wat het betekende. In de raadskamer stond de heer meteen op toen hij het geluid hoorde. Met een ruk draaide hij zich om naar de meesmuilende dracoon die achter hem in de schaduw zat.