‘Je zei dat we gespaard zouden blijven!’ zei de heer met opeengeklemde kaken. ‘We zijn nog bezig met onderhandelingen…’
‘De Drakenheer was de onderhandelingen beu,’ antwoordde de dracoon, die een gaap moest onderdrukken. ‘En de stad zal wel degelijk gespaard blijven — zodra iedereen zijn lesje heeft geleerd, uiteraard.’
De heer liet zijn hoofd in zijn handen zakken. De andere raadsleden, die niet helemaal begrepen wat er gebeurde, staarden elkaar vol afschuw aan toen ze tranen tussen de vingers van de heer heen zagen sijpelen.
Buiten waren inmiddels rode draken in de lucht te zien, honderden draken. Met vleugels die in het licht van de ondergaande zon uit pure vlammen leken te bestaan, vlogen ze in groepjes van drie tot vijf. De bevolking van Tarsis wistéén ding heel zeker: boven hen vloog de dood.
Toen de draken hun eerste duikvluchten uitvoerden boven de stad, ging de drakenvrees voor hen uit, waardoor de paniek sneller dan het felste vuur om zich heen greep. De mensen konden maar aanéén ding denken toen het wegstervende daglicht werd tegengehouden door de enorme drakenvleugels: ontsnappen.
Maar ontsnappen was niet mogelijk.
Na die eerste duikvlucht wisten de draken dat ze geen tegenstand zouden ondervinden, dus sloegen ze toe. De een na de ander beschreef een cirkel om zich vervolgens als een komeet te laten vallen en met hun vurige adem het ene gebouw na het andere in de as te leggen. Het om zich heen grijpende vuur wakkerde de wind aan. Verstikkende rookwolken vulden de straten en veranderden de schemering in nacht. As daalde als zwarte regen neer. Gegil van angst ging over in geschreeuw van pijn toen de eerste mensen stierven in de brandende hel die Tarsis heette.
Een zee van doodsbange mensen golfde door de door vlammen verlichte straten. Er waren er maar weinig die goed wisten waar ze naartoe gingen. Sommigen riepen dat ze in de heuvels veilig zouden zijn, anderen renden langs de oude kade, nog weer anderen probeerden de stadspoorten te bereiken. En boven hen vlogen steeds de draken, naar believen vuurspuwend en moordend.
De zee van mensen stortte zich op Tanis en zijn metgezellen, wierp hen tegen de grond, dreef hen uiteen, drukte hen tegen de gebouwen. De rook verstikte hen en prikte in hun ogen. Ze werden door tranen verblind terwijl ze zich verzetten tegen de drakenvrees die hen gek dreigde te maken.
De hitte was zo intens dat sommige gebouwen simpelweg uiteenspatten. Tanis ving Gilthanas op toen die tegen de muur van een gebouw werd geslingerd. Hij hield hem stevig vast en kon slechts hulpeloos toezien hoe de rest van zijn vrienden door de mensenmassa werd meegesleurd.
‘Terug naar de herberg!’ schreeuwde Tanis. ‘We spreken af in de herberg!’ Maar of ze hem hadden gehoord, wist hij niet. Hij kon er slechts op vertrouwen dat ze allemaal zouden proberen die kant op te gaan.
Sturm nam Alhana in zijn sterke armen en nam haar mee door de stad, waar de dood heerste, waarbij hij haar soms droeg en dan weer meesleurde. Hij probeerde door de as heen te turen om te zien waar de anderen waren, maar het was hopeloos. Dat was het begin van de wanhopigste strijd die hij ooit had gevoerd, want hij moest niet alleen zelf op de been blijven, maar ook Alhana ondersteunen terwijl de ene na de andere angstaanjagende mensengolf hen overspoelde.
Toen werd Alhana uit zijn armen gerukt door de gillende mensen, die met hun laarzen alles vertrapten wat hen in de weg stond. Sturm perste zich tussen de massa, duwend en stotend met zijn geharnaste ellebogen, tot hij Alhana’s polsen kon beetpakken. Doodsbleek en bevend van angst klampte ze zich met al haar kracht aan zijn handen vast, en eindelijk lukte het hem om haar naar zich toe te trekken. Er schoof een schaduw over hen heen. Onder wreed gekrijs stortte zich een draak op de straat waarin het krioelde van de mannen, vrouwen en kinderen. Sturm dook weg in een portiek en schermde Alhana met zijn lichaam af. Vuur golfde door de straat. Het gegil van de stervenden was hartverscheurend.
‘Niet kijken!’ fluisterde Sturm tegen Alhana, terwijl hij haar tegen zich aan drukte. De tranen stroomden over zijn wangen. De draak verdween, en opeens was het afschuwelijk, ondraaglijk stil. Niets bewoog.
‘Kom, laten we gaan nu het kan,’ zei Sturm met onvaste stem. Zich stevig aan elkaar vasthoudend strompelden ze met verdoofde zintuigen het portiek uit. Na een tijdje waren ze zo misselijk en duizelig van de rook en de stank van verschroeid vlees dat ze gedwongen waren opnieuw de beschutting van een portiek op te zoeken.
Even konden ze niets anders doen dan elkaar vasthouden, dankbaar voor het korte respijt, maar gekweld door de wetenschap dat ze binnen een paar tellen weer die levensgevaarlijke straat op moesten.
Alhana legde haar hoofd tegen Sturms borst. Het doorleefde, ouderwetse harnas voelde koel aan tegen haar huid. Het harde metalen oppervlak was geruststellend, en eronder kon ze zijn hart horen kloppen, snel maar regelmatig en sussend. De armen die om haar heen lagen waren sterk, stevig en gespierd. Zijn handen streken over haar zwarte haar.
Alhana, kuise maagd van een streng, rigide volk, wist al heel lang wanneer, waar en met wie ze zou trouwen. Hij was een elfenheer, en in overeenstemming met hun afspraak hadden ze elkaar in al die jaren sinds het was geregeld niet aangeraakt. Hij was bij het volk achtergebleven, terwijl Alhana was teruggekeerd om haar vader te zoeken. Zo was ze in de mensenwereld verzeild geraakt, en ze tolde ervan op haar benen. Ze verachtte hen, maar tegelijkertijd fascineerden ze haar. Ze waren overweldigend met hun rauwe, ongetemde emoties. En net op het moment dat ze dacht dat ze hen voor altijd zou haten en minachten, bewees eréén dat hij anders was dan de rest.
Alhana keek op in Sturms diepbedroefde gezicht en zag daar trots, nobelheid, strikte, onbuigzame discipline en een constant streven naar perfectie, onbereikbare perfectie. Maar vooral de diepe bedroefdheid in zijn ogen. Alhana voelde zich aangetrokken tot deze man, deze mens. Toen ze zich overgaf aan zijn kracht, zich liet troosten door zijn aanwezigheid, verspreidde zich een zoete, schrijnende hitte door haar lichaam, en opeens besefte ze dat dat vuur een groter gevaar voor haar betekende dan het vuur van duizend draken.
‘We kunnen maar beter gaan,’ fluisterde Sturm zacht, maar tot zijn verbazing duwde Alhana hem van zich af.
‘Hier scheiden onze wegen,’ zei ze met een stem die zo kil was als de nachtelijke wind. ‘Ik moet terug naar mijn verblijf. Bedankt voor je hulp.’
‘Wat?’ zei Sturm. ‘Wil je alleen verdergaan? Dat is gekkenwerk.’ Hij pakte haar bij haar arm. ‘Ik kan niet toestaan...’ Dat had hij verkeerd aangepakt, besefte hij zodra hij haar voelde verstijven. Ze verroerde zich niet, maar keek hem hooghartig aan tot hij haar losliet.
‘Ik heb zo mijn eigen vrienden,’ zei ze, ‘net als jij. Jouw loyaliteit ligt bij hen. Mijn loyaliteit ligt bij mijn vrienden. We moeten ieder onze eigen weg gaan.’ Haar stem haperde toen ze de diepe gekwetstheid op Sturms nog altijd betraande gezicht zag. Even kon Alhana het niet verdragen en vroeg ze zich af of ze de kracht had om dit door te zetten. Toen dacht ze aan haar volk, dat op haar vertrouwde, en vond ze de kracht. ‘Ik dank je voor je vriendelijkheid en hulp, maar ik moet gaan nu de straten leeg zijn.’
Gekwetst en verward staarde Sturm haar aan. Toen verhardden zijn trekken. ‘Het was me een genoegen, vrouwe Alhana. Maar u verkeert nog altijd in gevaar. Sta me toe u naar uw verblijf te begeleiden, en dan zal ik u niet meer lastigvallen.’
‘Dat is werkelijk onmogelijk,’ zei Alhana met haar kiezen op elkaar, zodat ze onverzettelijk zou lijken. ‘Mijn verblijf is niet ver weg, en mijn vrienden wachten op me. We weten een vluchtroute de stad uit. Vergeef me dat ik je niet meeneem, maar ik weet nooit zeker of ik mensen wel kan vertrouwen.’