Выбрать главу

‘Iemand heeft het specifiek op ons gemunt,’ prevelde Raistlin.

Tanis knikte. ‘Daar lijkt het wel op. We hebben niet veel tijd. Als we de heuvels kunnen bereiken...’

Opeens zweeg hij en hief zijn hoofd. Iedereen zweeg en luisterde. Ze herkenden de schrille kreten en het gekraak van reusachtige, leerachtige vleugels die steeds dichterbij kwamen.

‘Dekking!’ schreeuwde Waterwind, maar het was al te laat.

Er klonk een hoog, krijsend geluid en een doffe dreun. De herberg, drie verdiepingen hoog en opgetrokken uit steen en hout, schudde heen en weer alsof hij uit niet meer dan zand en stokken was gemaakt. Stof en puin vlogen door de lucht. Boven zich hoorden ze het geluid van splijtend hout dat op de grond viel. Het gebouw stortte in.

Vol verbijsterde fascinatie keken de reisgenoten toe, verlamd door de aanblik van de dikke plafondbalken die beefden onder het gewicht van het ingestorte dak.

‘Naar buiten!’ schreeuwde Tanis. ‘De hele tent komt...’

De balk recht boven de halfelf kreunde, om vervolgens luid krakend doormidden te breken. Tanis legde zijn handen om Laurana’s middel en wierp haar zo ver mogelijk van zich af. Hij zag nog net dat Elistan, die in het voorste deel van het gebouw stond, haar opving.

Op het moment dat de balk het definitief begaf, hoorde Tanis de magiër vreemde woorden gillen. Toen viel hij, de duisternis in, en het leek of de hele wereld boven op hem terechtkwam.

Sturm kwam de hoek om, net op tijd om te kunnen zien hoe de herberg van de Rode Draak in een zee van rook en vlammen instortte. Erboven zweefde een draak. Het hart van de ridder sloeg een paar slagen over van verdriet en angst.

Hij dook een portiek in om zich in de schaduw ervan schuil te houden terwijl een stel draconen hem passeerde, lachend en kletsend in hun kille, keelachtige taal. Kennelijk gingen ze ervan uit dat de klus geklaard was en gingen ze op zoek naar nieuw vermaak. Het viel hem op dat drie anderen, gekleed in blauwe in plaats van rode uniformen, ontzettend boos leken te zijn over de vernietiging van de herberg, want ze schudden hun vuist tegen de overvliegende draak.

Sturms knieën knikten toen de wanhoop hem overspoelde. Hij liet zich tegen de deur zakken en keek de draconen met doffe ogen na. Wat nu? Waren ze allemaal nog binnen? Misschien waren ze ontsnapt. Toen sprong zijn hart pijnlijk op. Hij zag iets wits.

‘Elistan!’ riep hij uit toen hij zag hoe de priester uit het puin tevoorschijn kwam en iemand met zich meesleepte. De draconen renden met getrokken zwaarden op de priester af en riepen hem in het Gemeenschaps toe dat hij zich moest overgeven. Maar Sturm schreeuwde de Solamnische strijdkreet en rende het portiek uit. Met een ruk draaiden de draconen zich om, behoorlijk verontrust door de plotselinge verschijning van de ridder.

Sturm werd zich er vagelijk van bewust dat er iemand met hem mee rende. Toen hij een vluchtige blik opzij wierp, zag hij het licht van de vlammen weerkaatsen op het metaal van een helm en hoorde hij de dwerg brullen. Vervolgens hoorde hij vanuit een portiek magische woorden.

Gilthanas, die niet zonder hulp rechtop kon staan, was op handen en voeten uit zijn dekking gekropen en wees naar de draconen terwijl hij zijn betovering uitsprak. Pijlen van vuur schoten uit zijn handen. Een van de wezens viel om, met zijn handen tegen zijn brandende borst gedrukt. Flint besprong een andere en gaf die met een steen een dreun op zijn hoofd, terwijl Sturm de derde dracoon met een stevige vuistslag vloerde. Toen ving hij snel Elistan op, die op hem af strompelde. De priester had een vrouw in zijn armen.

‘Laurana!’ riep Gilthanas vanuit het portiek.

Duizelig en misselijk van de rook sloeg de elfenmaagd haar glazige ogen op. ‘Gilthanas?’ prevelde ze. Ze keek op en zag de ridder staan.

‘Sturm,’ zei ze verward terwijl ze met een vaag gebaar naar achteren wees. ‘Je zwaard ligt daar ergens. Ik heb het gezien…’

En inderdaad, Sturm zag een zilveren glans, nauwelijks zichtbaar onder het puin. Daar lag zijn zwaard, en daarnaast dat van Tanis, het elfenzwaard van Kith-Kanan. Sturm gooide de brokstukken opzij en tilde eerbiedig de zwaarden op die daar lagen als antieke kunstvoorwerpen in een afschuwelijke, reusachtige grafheuvel. De ridder luisterde ingespannen, gespitst op een beweging, een roep, een kreet. Het bleef ijzingwekkend stil.

‘We moeten hier weg,’ zei hij langzaam, zonder zich te verroeren. Hij keek naar Elistan, die lijkbleek naar het puin stond te staren. ‘Waar zijn de anderen?’

‘Die waren allemaal nog binnen,’ zei Elistan met bevende stem. ‘En de halfelf...’

‘Tanis?’

‘Ja. Die kwam door de achterdeur naar binnen, vlak voordat de draak de herberg aanviel. Ze stonden allemaal bij elkaar, precies in het midden. Ik stond in een deuropening. Tanis zag de balk breken. Hij wierp Laurana naar me toe, ik ving haar op, en toen stortte het hele plafond op hen neer. Ze kunnen het met geen mogelijkheid...’

‘Ik geloof er niets van!’ zei Flint fel. Hij sprong tussen het puin, maar Sturm greep hem vast en trok hem terug.

‘Waar is Tas?’ vroeg de ridder streng.

Flints gezicht betrok. ‘Beklemd onder een balk,’ zei hij met een gezicht dat grauw was van verdriet. Hij greep zo wild naar zijn haar dat zijn helm van zijn hoofd vloog. ‘Ik moet naar hem terug. Maar ik kan de anderen niet zo achterlaten... Caramon...’ De dwerg begon te huilen. Dikke tranen rolden in zijn baard. ‘Die stomme os! Ik kan niet zonder hem. Dit kan hij me niet aandoen. En Tanis!’ De dwerg vloekte wanhopig. ‘Verdomme, ik kan niet zonder hen!’

Sturm legde zijn hand op Flints schouder. ‘Ga terug naar Tas. Hij heeft je nu nodig. Er zwerven draconen door de straten. We redden het...’

Laurana gilde, een angstaanjagend, meelijwekkend geluid dat Sturm als een speer doorboorde. Hij draaide zich om en wist haar er net op tijd van te weerhouden om de ruïne in te rennen.

‘Laurana!’ riep hij. ‘Kijk dan eens. Kijk eens goed!’ Overmand door zijn eigen emoties schudde hij haar heen en weer. ‘Daar kan toch niemand levend uit zijn gekomen!’

‘Dat kun je niet weten!’ gilde ze hem woedend toe. Ze rukte zich los, liet zich op handen en knieën vallen en probeerde een zwartgeblakerd brok puin op te tillen. ‘Tanis!’ riep ze. Het brok steen was zo zwaar dat ze het slechts een paar centimeter kon optillen.

Terneer geslagen en niet wetend wat hij moest doen keek Sturm toe. Toen kreeg hij zijn antwoord. Trompetten! En ze naderden snel. Honderden, zo niet duizenden trompetten. Het leger zette de aanval in. Hij keek Elistan aan, die droevig maar begrijpend knikte. Samen haastten ze zich naar Laurana toe.

‘Lieve kind,’ begon Elistan voorzichtig, ‘je kunt niets voor hen doen. De levenden hebben je nodig. Je broer is gewond, en de kender ook. De draconen vallen aan. We kunnen nu vluchten, zodat we tegen die afschuwelijke monsters kunnen blijven vechten, of ons leven verkwisten aan zinloos verdriet. Tanis heeft zijn leven voor je gegeven, Laurana. Zorg ervoor dat het geen zinloos offer wordt.’

Laurana staarde hem aan met een gezicht vol vuil en roet waarop bloed en tranen hun sporen hadden achtergelaten. Ze hoorde de trompetten, ze hoorde het geroep van Gilthanas, ze hoorde Flint iets schreeuwen over Tasselhof die op sterven na dood was, ze hoorde wat Elistan zei. Toen begon het te regenen. Water drupte uit de hemel doordat de sneeuw begon te smelten in de hitte van het drakenvuur. Het stroomde over haar gezicht en verkoelde haar huid.

‘Help me, Sturm,’ fluisterde ze met lippen die zo verdoofd waren dat ze er bijna geen woorden mee kon vormen. Hij sloeg zijn arm om haar heen. Duizelig en misselijk van de shock stond ze op.

‘Laurana!’ riep haar broer. Elistan had gelijk. De levenden hadden haar nodig. Ze moest naar hem toe. Het liefst zou ze op het puin gaan liggen om te sterven, maar ze moest door. Dat zou Tanis hebben gedaan. Ze hadden haar nodig. Ze moest door.

‘Vaarwel, Tanthalas,’ fluisterde ze.

Het begon harder te regenen, maar het was een malse regen, alsof de goden zelf huilden om Tarsis de Schone.