Er drupte water op zijn hoofd. Koud, irritant. Raistlin wilde omrollen, weg van het water, maar hij kon zich niet bewegen, want er drukte iets zwaars op hem. Verwoed probeerde hij eraan te ontsnappen. De angst die door zijn lijf gierde bracht hem helemaal bij zijn positieven. De paniek vluchtte voor zijn bewustzijn. Hij had zichzelf weer in de hand. Zoals hem was geleerd, dwong hij zichzelf te ontspannen en de situatie in ogenschouw te nemen.
Hij kon niets zien. Het was pikkedonker, waardoor hij volledig was aangewezen op zijn overige zintuigen. Eerst moest hij dat gewicht van zich afzien te krijgen. Voorzichtig bewoog hij zijn armen. Dat veroorzaakte geen pijn, dus kennelijk was er niets gebroken. Daarom tastte hij naar wat er boven op hem lag. Een lichaam. Dat van Caramon, afgaand op de wapenrusting — en de stank. Raistlin slaakte een zucht. Hij had het kunnen weten. Met al zijn kracht duwde hij zijn broer van zich af en kroop onder hem vandaan.
Eindelijk kon de magiër gemakkelijker ademhalen en het water van zijn gezicht wissen. In de duisternis zocht hij de hals van zijn broer, zodat hij zijn hartslag kon voelen. Die was krachtig. Hij voelde warm aan en zijn ademhaling was regelmatig. Opgelucht liet Raistlin zich weer op de grond zakken. Waar hij ook was, hij was in elk geval niet alleen.
Waar was hij eigenlijk? Raistlin probeerde zich die laatste afschuwelijke momenten te herinneren. Hij wist nog dat de balk het dreigde te begeven en dat Tanis Laurana eronder weg had geduwd. Hij wist nog dat hij een betovering had uitgesproken, de laatste waar hij nog kracht voor had. De magie was door hem heen gestroomd en had om hem en zijn metgezellen heen een krachtveld gevormd dat hen beschermde tegen tastbare voorwerpen. Hij wist nog dat Caramon zich boven op hem had geworpen, dat het gebouw was ingestort en dat hij het gevoel had gehad dat hij viel.
Het gevoel dat hij viel...
Aha. Nu begreep Raistlin het. Kennelijk waren ze dwars door de vloer heen de kelder van de herberg in gevallen. Terwijl hij om zich heen tastte, besefte de magiër opeens dat hij door en door nat was. Toen vond hij wat hij zocht: de staf van Magius. Er zat geen krasje op het kristal, want alleen drakenvuur kon de staf beschadigen die Par-Salian hem in de Torens van de Hoge Magie had geschonken.
‘Shirak,’ fluisterde hij, en het licht van de staf vlamde op. Om zich heen kijkend ging hij rechtop zitten. Ja, hij had gelijk. Ze bevonden zich in de kelder van de herberg. Overal lagen kapotte flessen wijn, en de inhoud ervan had zich over de stenen vloer verspreid. Vaten bier waren doormidden gespleten. Het was niet alleen water waar hij in had gelegen.
De magiër liet het licht over de vloer schijnen. Daar lagen Tanis, Waterwind, Goudmaan en Tika, allemaal in de buurt van Caramon. Zo te zien mankeert hen niets, dacht hij na een snelle inspectie. Overal om hen heen lagen brokstukken. De helft van de plafondbalk stak schuin uit het puin, met de punt op de grond. Raistlin glimlachte. Dat was weer een knap staaltje werk geweest, die spreuk van hem. Voor de zoveelste keer waren ze hem veel verschuldigd.
Als we tenminste niet omkomen van de kou, hielp hij zichzelf verbitterd herinneren. Hij rilde zo hevig dat hij zijn staf nauwelijks kon vasthouden. Hij begon te hoesten. Dit zou zijn dood worden. Ze moesten hieruit zien te komen.
‘Tanis,’ riep hij terwijl hij de halfelf probeerde wakker te schudden.
Tanis lag aan de uiterste rand van Raistlins beschermende magische cirkel. Mompelend kwam hij in beweging. Opnieuw schudde Raistlin hem. Met een kreet hief de halfelf beschermend zijn armen boven zijn hoofd.
‘Tanis, je bent veilig,’ fluisterde Raistlin hoestend. ‘Wakker worden.’
‘Hè?’ Tanis ging met een ruk zitten en keek verwilderd om zich heen. ‘Waar...’ Toen wist hij het weer. ‘Laurana?’
‘Weg.’ Raistlin haalde zijn schouders op. ‘Je hebt haar de gevarenzone uit geduwd...’
‘Ja...’ zei Tanis. Hij liet zich weer op de grond zakken. ‘En ik hoorde jou iets zeggen. Magische woorden…’
‘Daarom zijn we niet verpletterd.’ Rillend trok Raistlin zijn doorweekte gewaad dichter om zich heen en ging vlak bij Tanis zitten, die om zich heen zat te kijken alsof hij op een maan terecht was gekomen.
‘Waar, in de naam van de Afgrond...’
‘We zitten in de kelder van de herberg,’ zei de magiër. ‘De vloer heeft het begeven en wij zijn erdoorheen gevallen.’
Tanis keek op. ‘Bij de goden,’ fluisterde hij vol ontzag.
‘Ja,’ zei Raistlin, die Tanis’ blik had gevolgd. ‘We zijn levend begraven.’
Onder de ruïne van de Rode Draak overdachten de reisgenoten hun situatie. Die was weinig hoopgevend. Goudmaan verzorgde hun wonden, die dankzij Raistlins spreuk niet ernstig waren. Ze hadden echter geen flauw idee hoe lang ze buiten bewustzijn waren geweest of wat zich boven hen afspeelde. Erger nog: ze hadden geen idee hoe ze konden wegkomen.
Caramon probeerde voorzichtig een paar stenen boven hun hoofd te verplaatsen, maar meteen begon alles te kraken en piepen. Raistlin hielp hem er op scherpe toon aan herinneren dat hij geen energie meer had om een betovering uit te spreken, waarop Tanis vermoeid tegen de grote man zei dat hij er maar mee moest ophouden. Ze bleven zitten in de laag water, die steeds dieper werd.
Zoals Waterwind zei, de vraag was vooral wat hen als eerste fataal zou worden: zuurstofgebrek, de ijzige kou, een verdere instorting van de herberg of het stijgende water.
‘We kunnen om hulp roepen,’ opperde Tika, die haar best deed haar stem kalm te laten klinken.
‘Dan kunnen we de draconen ook nog aan de lijst toevoegen,’ snauwde Raistlin. ‘Dat zijn de enige levende wezens die je daarboven zouden kunnen horen.’
Tika werd rood, en ze veegde snel even met haar hand over haar ogen. Met een verwijtende blik op zijn broer sloeg Caramon zijn arm om haar heen en trok haar tegen zich aan. Raistlin keek hen beiden vol afkeer aan.
‘Ik heb daarboven nog geen geluid gehoord,’ zei Tanis verbaasd. ‘Je zou bijna denken dat de draken en het leger...’ Hij zweeg en keek Caramon aan. De beide soldaten knikten grimmig toen de waarheid tot hen doordrong.
‘Wat is er?’ vroeg Goudmaan.
‘We bevinden ons achter de vijandelijke linie,’ zei Caramon. ‘Het draconenleger heeft de stad bezet. En waarschijnlijk ook grote delen van het land eromheen. Er is geen uitweg, en zelfs als er wel een uitweg was, dan konden we nergens naartoe.’
Opeens hoorden de reisgenoten geluiden boven zich, alsof de woorden van Caramon benadrukt dienden te worden. Keelachtige draconenstemmen, die ze maar al te goed hadden leren herkennen, bereikten hun oren.
‘Ik zeg je, dit is je reinste tijdverspilling,’ jammerde een andere stem, die van een kobold zo te horen, in het Gemeenschaps. ‘Er is echt niemand meer in leven in deze puinhoop.’
‘Ga dat maar tegen de Drakenheer zeggen, ellendige hondenvreter,’ grauwde een dracoon. ‘Hij is vast bijzonder geïnteresseerd in jouw mening. Of liever: zijn draak. Jullie hebben een bevel gekregen. En nu graven, allemaal.’
Er klonken schrapende geluiden toen er brokken puin opzij werden geschoven. Door de spleten liepen vuil en stof in straaltjes naar beneden. De grote balk trilde even, maar hield het.
De reisgenoten staarden elkaar aan, met ingehouden adem, terwijl ze dachten aan de vreemde draconen die de herberg hadden belegerd. ‘Iemand heeft het specifiek op ons gemunt,’ had Raistlin gezegd.
‘Waar zoeken we eigenlijk naar in dit puin?’ kraste een kobold in zijn eigen taal. ‘Zilver? Sieraden?’
Tanis en Caramon, die een beetje Kobolds spraken, spanden zich in om de sprekers te kunnen verstaan.
‘Welnee,’ zei de kobold die over de bevelen had gemekkerd. ‘Spionnen of zoiets, die de Drakenheer persoonlijk wil ondervragen.’
‘Hier?’ vroeg de ander verbaasd.
‘Dat zei ik ook al,’ grauwde zijn kameraad. ‘En je hebt gezien hoeveel ik daarmee ben opgeschoten. Die reptielenmannen beweren dat het hele stel vastzat in de herberg toen de draak toesloeg. Ze zeggen dat er niemand is ontsnapt, dus denkt de Drakenheer dat ze hier nog moeten zijn. Als je het mij vraagt hebben de draconen het verbruid en moeten wij nu boeten voor hun geblunder.’