Выбрать главу

Het geschraap van stenen en de graafgeluiden werden luider, net als de koboldenstemmen, die af en toe werden onderbroken door een gesnauwd bevel van een dracoon. Er staan er boven minstens een stuk of vijftig, dacht Tanis verbijsterd.

Stilletjes haalde Waterwind zijn zwaard uit het water en begon het schoon te vegen. Caramon liet met een sombere uitdrukking op zijn anders zo vrolijke gezicht Tika los en ging eveneens op zoek naar zijn zwaard. Tanis had er geen, dus wierp Waterwind hem een dolk toe. Tika wilde ook haar wapen trekken, maar Tanis schudde zijn hoofd. Ze zouden maar weinig ruimte hebben om te vechten, en Tika had juist veel ruimte nodig. De halfelf keek Raistlin vragend aan.

De magiër schudde zijn hoofd. ‘Ik zal het proberen, Tanis,’ fluisterde hij. ‘Maar ik ben moe. Doodmoe. En ik kan niet helder denken, ik kan me niet concentreren.’ Hij boog zijn hoofd, rillend van de kou in zijn natte gewaad. Het kostte hem de grootste moeite om zijn gehoest met zijn mouw te dempen, zodat hij hen niet zou verraden.

Eén spreuk kan zijn dood betekenen, als hij er al een uit kan persen, besefte Tanis. Maar dan heeft hij waarschijnlijk meer geluk dan wij. In elk geval zullen ze hem niet levend te pakken krijgen.

De geluiden boven hen werden alsmaar luider. Kobolden waren sterke, onvermoeibare werkers. Ze wilden deze klus snel klaren, dan konden ze zich tenminste weer gaan richten op het plunderen van Tarsis. In grimmig stilzwijgen wachtten de reisgenoten af. Een vrijwel constante stroom stof en steentjes daalde op hen neer, vermengd met vers regenwater. Ze verstevigden hun greep op hun wapens. Het was slechts een kwestie van minuten voordat ze ontdekt zouden worden.

Toen klonken er opeens nieuwe geluiden. Ze hoorden de kobolden gillen van angst. De draconen schreeuwden hen toe dat ze door moesten werken, maar Tanis en zijn vrienden hoorden dat er links en rechts schoppen en pikhouwelen werden weggesmeten op het puin. De draconen vloekten terwijl ze zo te horen een grootschalige muiterij onder de kobolden probeerden neer te slaan.

Boven het kabaal van de gillende kobolden uit klonk een luide, hoge, heldere kreet, die verder weg werd beantwoord. Het klonk als de roep van een adelaar die bij zonsondergang over de vlakten scheerde. Alleen klonk deze roep vlak boven hen.

Ze hoorden de ijselijke kreet van een dracoon, gevolgd door een scheurend geluid, alsof het wezen werd verscheurd. Nog meer gegil, het gekletter van wapens die werden getrokken, weer een roep en een antwoord, veel dichterbij deze keer.

‘Wat is dat?’ vroeg Caramon met grote ogen. ‘Het is geen draak. Het klinkt als... als een reusachtige roofvogel!’

‘Wat het ook is, het scheurt de draconen aan stukken,’ zei Goudmaan vol ontzag. Opeens werd het gegil afgekapt en bleef er een stilte achter die bijna nog erger was. Wat was dit nieuwe kwaad dat in de plaats was gekomen van het oude?

Toen klonk het lawaai van stenen, puinbrokken en balken die werden opgetild en op straat gesmeten. Wat het ook was, het probeerde uit alle macht bij hen te komen.

‘Het heeft alle draconen opgevreten,’ fluisterde Caramon hees, ‘en nu heeft het het op ons gemunt.’

Tika klampte zich met een lijkbleek gezicht aan Caramon vast. Goudmaan hapte zachtjes naar adem, en zelfs Waterwind leek iets van zijn stoïcijnse uitstraling te verliezen terwijl hij gespannen omhoogkeek.

‘Caramon,’ zei Raistlin huiverend, ‘hou je kop.’

In zijn hart was Tanis het met de magiër eens. ‘We maken ons allemaal druk om n...’ begon hij. Opeens klonk er een donderend geraas. Stenen, puin, hout en stof stortten overal om hen heen neer. Gehaast zochten ze dekking toen een enorme klauw met nagels die blonken in het licht van Raistlins staf naar beneden werd gestoken.

De reisgenoten trokken zich terug onder kapotte balken en biervaten en keken vol verwondering toe hoe de reuzenklauw uit het puin werd teruggetrokken. Er bleef een groot, gapend gat achter.

Het was doodstil. Even durfde niemand zich te verroeren. De stilte bleef echter voortduren.

‘Dit is onze kans,’ fluisterde Tanis luid. ‘Caramon, ga eens kijken wat daarboven gaande is.’

De grote krijger was al uit zijn schuilplaats gekropen en liep zo goed en zo kwaad als het kon over de met puin bezaaide vloer. Waterwind ging met getrokken zwaard achter hem aan.

‘Niets,’ zei Caramon verwonderd toen hij naar boven keek.

Tanis, die zich naakt voelde zonder zijn zwaard, kwam onder het gat staan om eveneens naar boven te kijken. Tot zijn verbijstering verscheen er een donkere gestalte boven hen, die als een silhouet afstak tegen de door vlammen verlichte hemel. Achter de gestalte torende een groot dier. Het enige wat ze konden onderscheiden, was de kop van een reuzenadelaar, met ogen die glansden in het licht van het vuur, net als zijn vlijmscherpe, gebogen snavel.

De reisgenoten deinsden terug, maar het was al te laat. De gestalte had hen duidelijk al opgemerkt. Hij kwam dichterbij. Te laat dacht Waterwind aan zijn boog. Caramon trok Tika met zijn ene hand naar zich toe en omklemde zijn zwaard met de andere.

De gestalte knielde rustig neer aan de rand van het gat, voorzichtig, om niet zijn evenwicht te verliezen tussen het losse puin, en trok de kap van zijn hoofd.

‘Wat een weerzien, Tanis Halfelf,’ zei een vrouwenstem zo koel, zuiver en afstandelijk als de sterren.

8

Ontsnapping uit Tarsis. Het verhaal van de drakenbollen.

Draken vlogen, gedragen door hun leerachtige vleugels, boven de verwoeste stad Tarsis toen het bezettingsleger van de draconen binnenstroomde. De taak van de draken zat erop. Binnenkort zou de Drakenheer hen terugroepen, zodat ze zich konden voorbereiden op de volgende slag. Voorlopig konden ze zich echter ontspannen, zich laten meevoeren op de hete luchtstromen die uit de brandende stad opstegen en af en toe een mens verschalken die zo dwaas was om zich uit zijn schuilplaats te wagen. De rode draken zweefden door de lucht, nog steeds in hun georganiseerde eskaders, en voerden al zwevend en scherend hun wervelende, dodelijke dans uit.

Er bestond nu geen macht meer op Krynn die hen nog kon stoppen. Dat wisten ze, en ze verheugden zich in hun overwinning. Maar nu en dan gebeurde er iets waarvoor ze hun dans moesten onderbreken. Zo kreeg een van de eskaderleiders het bericht dat er een gevecht was uitgebroken bij een ingestorte herberg. De jonge, rode mannetjesdraak leidde zijn eskader naar de plek des onheils, mopperend over het gebrek aan efficiëntie van de troepencommandanten. Maar ja, wat kon je anders verwachten als de Drakenheer een pafferige kobold was die niet eens de moed had om toe te kijken terwijl een weerloze stad als Tarsis werd ingenomen?

Zuchtend van weemoed dacht de rode draak terug aan de glorietijd waarin Canaillaard hen op de rug van Pyros persoonlijk had aangevoerd. Dat was pas een Drakenheer geweest! De rode draak schudde mistroostig zijn kop. Aha, daar was het gevecht. Hij kon het nu duidelijk zien. Hij beval zijn eskader om in de lucht te blijven terwijl hij naar beneden scheerde om eens goed te kijken.

‘Stop! Dat is een bevel!’

De rode draak remde zijn duikvlucht af en keek verbijsterd omhoog.

De stem was helder en krachtig, en afkomstig van een Drakenheer. Maar dit was duidelijk niet Padh! Hij droeg weliswaar een zware mantel, een glanzend masker en een wapenrusting van drakenleer, zoals een Drakenheer betaamde, maar afgaand op de stem was het een mens, geen kobold. Maar waar kwam hij opeens vandaan? En waarom? Want tot grote verbazing van de rode draak bereed de Drakenheer een enorme blauwe draak en werd hij vergezeld door enkele eskaders van blauwe draken.

‘Wat wenst u?’ vroeg de rode draak streng. ‘Waaraan ontleent u het recht om ons tegen te houden? U hebt in dit deel van Krynn niets te zoeken.’

‘Het lot van de mensheid op heel Krynn is mijn zaak,’ antwoordde de Drakenheer. ‘En de kracht van mijn zwaardarm geeft me alle recht die ik nodig heb om jou te bevelen, dappere rode draak. En wat ik wens? Ik vraag je die mensen gevangen te nemen in plaats van ze te doden. Ze dienen ondervraagd te worden. Breng hen naar me toe. Je zult rijk worden beloond.’