‘Moet je zien!’ riep een jonge rode vrouwtjesdraak. ‘Griffioenen!’
De Drakenheer slaakte een kreet van verbijstering en ongenoegen. In de diepte stegen drie griffioenen op uit de rook. Ze waren nog niet half zo groot als een rode draak, maar stonden bekend om hun felheid. De draconensoldaten maakten zich als hazen uit de voeten toen ze de wezens zagen, die met hun scherpe klauwen en snavels de kop aftrokken van de reptielenmannen die zo onfortuinlijk waren om hun pad te kruisen.
Vervuld van haat grauwde de rode draak, klaar om zijn eskader voor te gaan in de aanval, maar de Drakenheer versperde hem de weg.
‘Ze mogen niet worden gedood, hoor je me?’ zei de Drakenheer streng.
‘Maar ze ontsnappen!’ siste de rode draak woest.
‘Laat ze maar,’ antwoordde de Drakenheer kil. ‘Ze komen toch niet ver. Ik ontsla je van je plicht in dezen. Ga terug naar de andere draken. En als die dwaas van een Padh hier iets over zegt, vertel je hem maar dat zijn geheim niet samen met heer Canaillaard is gestorven, en dat ik weet dat hij de blauwkristallen staf is kwijtgeraakt. De herinnering aan schaarsmeester Padh leeft voort in mijn geheugen en zal met anderen worden gedeeld als hij het waagt me dwars te zitten!’
De Drakenheer salueerde, wendde snel zijn grote blauwe draak en ging achter de griffioenen aan, die dankzij hun geweldige snelheid samen met hun berijders al ver voorbij de poorten van de stad waren geraakt. De rode draak keek de blauwe draken na, die achter de ontsnapten aan verdwenen aan de nachtelijke hemel.
‘Moeten wij er niet ook achteraan?’ vroeg de vrouwtjesdraak.
‘Nee,’ zei de rode mannetjesdraak bedachtzaam met zijn vuurrode ogen op de Drakenheer gericht, die in de verte steeds kleiner werd. ‘Hém wil ik niet dwarsbomen.’
‘Je dank is overbodig en zelfs niet gewenst,’ zei Alhana Sterrenbries, waarmee ze de stamelende, uitgeputte Tanis halverwege een zin in de rede viel. De reisgenoten vlogen door de geselende regen op de rug van drie griffioenen. Ze hielden zich stevig vast aan de bevederde halzen en tuurden behoedzaam naar de brandende stad in de diepte, die snel uit het zicht verdween.
‘En als je mijn relaas eenmaal hebt aangehoord, zul je me waarschijnlijk niet eens meer willen bedanken,’ voegde Alhana er kil aan toe, met een blik op Tanis, die achter haar zat. ‘Ik heb jullie voor mijn eigen doeleinden gered. Ik heb krijgers nodig om mijn vader te vinden. We vliegen naar Silvanesti.’
‘Maar dat is onmogelijk!’ zei Tanis verschrikt. ‘We moeten onze vrienden zoeken! Vlieg naar de heuvels. We kunnen niet naar Silvanesti, Alhana. Er staat te veel op het spel! Als we de drakenbollen kunnen vinden, hebben we een kans om die afschuwelijke wezens te vernietigen en een eind te maken aan deze oorlog. Daarna kunnen we naar Silvanesti gaan...’
‘We gaan nu naar Silvanesti,’ antwoordde Alhana. ‘Ik laat je geen keus, halfelf. Mijn griffioenen gehoorzamen mij, en mij alleen. Als ik het beveel, scheuren ze jullie aan stukken, net als die drakenmannen.’
‘Op een dag zullen de elfen ontwaken en beseffen dat ze deel uitmaken van een groot gezin,’ zei Tanis met een stem die beefde van woede. ‘Dan kunnen ze niet langer worden behandeld als het verwende oudste kind dat alles krijgt terwijl de rest netjes op de kruimels moet wachten.’
‘De geschenken die we van de goden hebben ontvangen, hebben we dubbel en dwars verdiend. Mensen en halfmensen zoals jullie’ — de hoon in haar stem was messcherp — ‘hebben dezelfde geschenken gekregen, maar ze vergooid in hun hebzuchtige drang naar meer. We overleven het wel, ook zonder jullie hulp. En of jullie het overleven, kan ons weinig schelen.’
‘Je bent er anders niet vies van om ons nu om hulp te vragen!’
‘En daarvoor zullen jullie goed worden beloond,’ riposteerde Alhana.
‘Al het staal en de juwelen in Silvanesti zijn nog niet voldoende om...’
‘Jullie zoeken de drakenbollen,’ viel Alhana hem in de rede. ‘Ik weet waar jullie er een kunnen vinden. In Silvanesti.’
Tanis knipperde met zijn ogen. Even wist hij niet wat hij moest zeggen, maar bij het horen van het woord ‘drakenbollen’ moest hij aan zijn vriend denken. ‘Waar is Sturm eigenlijk?’ vroeg hij. ‘De laatste keer dat ik hem zag, was hij bij jou.’
‘Dat weet ik niet,’ antwoordde ze. ‘Onze wegen hebben zich gescheiden. Hij wilde naar de herberg om jullie te zoeken. Ik heb mijn griffioenen bij me geroepen.’
‘Waarom heb je hem niet meegenomen naar Silvanesti als je zo om krijgers zat te springen?’
‘Dat gaat jou niets aan.’ Alhana draaide Tanis haar rug toe. Zwijgend probeerde hij na te denken, maar daarvoor was hij te moe. Toen hoorde hij iemand iets roepen, nauwelijks verstaanbaar boven het geraas van de machtige, gevederde vleugels van de griffioen uit.
Het was Caramon. De krijger riep iets en wees achter zich. Wat nu weer, dacht Tanis vermoeid.
Ze hadden de rook en de onweerswolken die Tarsis bedekten achter zich gelaten. Om hen heen was nu nog slechts heldere nachtlucht. Boven hen glansden de sterren. Schitterend en kil als diamanten benadrukten ze de gapende gaten aan de hemel waar de twee verdwenen sterrenbeelden hun rondjes om de wereld hadden gedraaid. De zilveren en rode maan waren ondergegaan, maar Tanis had hun licht niet nodig om de donkere gestalten te herkennen die de sprankelende sterren aan het zicht onttrokken.
‘Draken,’ zei hij tegen Alhana. ‘Ze achtervolgen ons.’
Achteraf waren Tanis’ herinneringen aan die nachtmerrieachtige vlucht uit Tarsis erg vaag. Hij wist nog dat het uren had geduurd, dat de wind zo bijtend koud was dat het bijna aanlokkelijk werd om door drakenvuur om het leven te komen, dat hij constant in paniek achterom had gekeken naar de donkere gestalten die hen langzaam maar zeker inhaalden, tot zijn ogen traanden, niet in staat zich af te wenden. Hij wist nog dat ze bij zonsondergang uitgeput en bang in een grot hoog in een klif hadden geslapen, en dat ze de volgende ochtend, toen ze weer door de lucht scheerden, opnieuw werden achtervolgd door die donkere, gevleugelde gestalten.
Er zijn maar weinig levende wezens die sneller kunnen vliegen dan de griffioen met zijn adelaarsvleugels, maar de draken — de eerste blauwe draken die ze ooit hadden gezien — waren steeds aan de horizon, steeds in de achtervolging. Ze maakten het de reisgenoten onmogelijk overdag te rusten en dwongen hen zich ’s nachts te verstoppen wanneer de uitgeputte griffioenen echt moesten slapen. Er was maar weinig te eten, afgezien van de quith-pa die Alhana bij zich had en met de anderen deelde, een noodrantsoen in de vorm van gedroogd fruit dat hen op de been hield, maar weinig deed om de honger te stillen. Zelfs Caramon was echter te vermoeid en somber om veel te eten.
Het enige wat Tanis zich levendig herinnerde viel voor tijdens de tweede avond van hun reis. Hij vertelde het groepje dat in een vochtige, troosteloze grot ineengedoken om het vuur zat over wat de kender in de bibliotheek van Tarsis had ontdekt. Toen hij over de drakenbollen sprak, begonnen Raistlins ogen te glinsteren en leek zijn magere gezicht van binnenuit te worden verlicht door een gretige, intense gloed.
‘Drakenbollen?’ herhaalde hij zachtjes.
‘Ik dacht dat jij er misschien iets over zou weten,’ zei Tanis. ‘Wat zijn het?’
Raistlin gaf niet meteen antwoord. Gewikkeld in zijn eigen mantel en die van zijn broer was de frêle jongeman zo dicht mogelijk bij het vuur gaan liggen, en nog rilde hij van de kou. Met zijn gouden ogen staarde hij Alhana aan, die een eindje van de groep vandaan zat. Ze stond hun weliswaar toe de grot met haar te delen, maar verwaardigde het zich niet om aan hun gesprek deel te nemen. Nu leek het echter of ze haar hoofd een beetje draaide om beter te kunnen luisteren.
‘Je zei dat er een drakenbol in Silvanesti was,’ fluisterde de magiër met een blik op Tanis. ‘In dat geval ben ik niet de aangewezen persoon om die vraag te beantwoorden.’