Выбрать главу

‘Ik weet er maar weinig van,’ zei Alhana terwijl ze haar bleke gelaat naar het vuur wendde. ‘We bewaren het als een reliek uit vroeger tijden. Eigenlijk is het niet veel meer dan een curiositeit. Wie had durven denken dat de mensen dit kwaad opnieuw zouden wekken en draken zouden laten terugkeren naar Krynn?’

Voordat Raistlin antwoord kon geven, sprak Waterwind boos: ‘Je weet helemaal niet of het mensen waren!’

Alhana wierp de Vlakteman een hooghartige blik toe. Ze gaf geen antwoord, want ze achtte het beneden haar waardigheid om met een barbaar te discussiëren.

Tanis slaakte een zucht. De Vlakteman had weinig op met elfen. Het had lang geduurd voordat hij Tanis was gaan vertrouwen, en bij Gilthanas en Laurana nog langer. En net nu Waterwind op het punt leek te staan zijn aangeleerde vooroordelen te overwinnen, had Alhana hem met haar al even diepgewortelde vooroordelen een nieuwe wond toegebracht.

‘Goed dan. Raistlin,’ zei Tanis zachtjes. ‘Vertel ons alles wat je weet over de drakenbollen.’

‘Breng me mijn drankje, Caramon,’ beval de magiër.

Zoals hem was opgedragen kwam Caramon zijn broer een beker heet water brengen. Raistlin duwde zich op zijn elleboog omhoog en roerde kruiden door het water. De vreemde, bijtende geur verspreidde zich door de grot. Met een grimas nam Raistlin een slokje van het bittere aftreksel voordat hij begon te vertellen.

‘Tijdens de Dromentijd, toen leden van mijn orde nog werden gerespecteerd en vereerd op Krynn, waren er vijf Torens van de Hoge Magie.’ De stem van de magiër werd zacht, alsof hij pijnlijke herinneringen ophaalde. Zijn broer zat met een ernstig gezicht naar de rotsvloer van de grot te staren. Toen hij de schaduw zag die over beide broers leek te zijn neergedaald, vroeg Tanis zich voor de zoveelste keer af wat er in de Toren van de Hoge Magie was gebeurd wat hun leven zo ingrijpend had veranderd. Het had geen zin om ernaar te vragen, wist hij. Het was hun allebei verboden om erover te praten.

Raistlin zweeg even en haalde diep adem voordat hij verderging. ‘Toen de Tweede Drakenoorlog uitbrak, kwamen de hoogsten van mijn orde samen in de machtigste der Torens — die van Palanthas — om de drakenbollen te creëren.’

Er verscheen een afwezige blik in Raistlins ogen. Toen hij verder ging met zijn verhaal, was het alsof hij het in gedachten zelf opnieuw beleefde. Zelfs zijn stem klonk anders: die werd krachtiger, dieper, helderder. Hij hoestte niet meer. Caramon keek hem verwonderd aan.

‘De dragers van de Witte Mantel betraden als eersten de kamer boven in de toren, op het moment dat de zilveren maan Solinari opkwam. Toen verscheen Lunitari aan de hemel, bloedrood, waarop de dragers van de Rode Mantel binnenkwamen. Ten slotte werd het zwarte hemellichaam, Nuitari, een duister gat te midden van de sterren, zichtbaar voor hen die ernaar zochten, en kwamen de dragers van de Zwarte Mantel de kamer in.

Het was een uniek moment in de geschiedenis, waarop alle vijandigheid tussen de dragers van de verschillende mantels terzijde werd geschoven. Het zou nog maaréén keer vaker voorkomen, toen de tovenaars zich verenigden in de Verloren Strijd, maar dat was toen nog niet te voorzien. Voorlopig was het genoeg te weten dat het grote kwaad diende te worden vernietigd. Eindelijk hadden we namelijk ingezien dat het kwaad zich tot doel had gesteld alle magie in de wereld te vernietigen, zodat alleen zijn eigen magie zou overblijven. Onder de Zwarte Gewaden waren er enkelen die hadden overwogen zich bij die grote macht aan te sluiten’ — Tanis zag de vonk in Raistlins ogen — ‘maar ze hadden al snel beseft dat ze slechts slaven zouden zijn, geen meesters. Zo werden de drakenbollen geboren, in een nacht waarin alle drie de manen aan de hemel stonden.’

‘Drie manen?’ vroeg Tanis zachtjes, maar Raistlin hoorde hem niet en vertelde verder met die stem die niet van hem was.

‘Groots en machtig was de magie die die nacht werd verricht, zo machtig dat weinigen hem konden verdragen en allen ter aarde stortten, geestelijk en lichamelijk volkomen uitgeput. Die ochtend stonden er echter vijf drakenbollen op sokkels, vol glinsterend licht en donkere schaduwen. Opéén na werden ze allemaal meegenomen uit Palanthas en met groot gevaar naar de overige vier torens gebracht. Daar hielpen ze bij het verdrijven van de Koningin van de Duisternis.’

De koortsachtige glans verdween uit Raistlins ogen. Hij liet zijn schouders hangen, zijn stem stierf weg en hij begon hevig te hoesten. De anderen staarden hem zwijgend en ademloos aan.

Uiteindelijk kuchte Tanis. ‘Hoe bedoel je, drie manen?’

Raistlin keek met doffe ogen op. ‘Drie manen?’ fluisterde hij. ‘Ik weet niets over drie manen. Waar hadden we het over?’

‘Drakenbollen. Je hebt ons net zitten vertellen hoe ze werden gecreëerd. Hoe wist je...’ Tanis zweeg toen hij zag dat Raistlin zich op zijn veldbed liet zakken.

‘Ik heb jullie helemaal niets verteld,’ zei Raistlin gepikeerd. ‘Waar heb je het over?’

Tanis keek naar de anderen. Waterwind schudde zijn hoofd. Caramon beet op zijn lip en wendde zich blik af. Zijn gezicht stond bezorgd.

‘We hadden het over de drakenbollen,’ zei Goudmaan. ‘Je zou ons vertellen wat je erover wist.’

Raistlin veegde bloed van zijn mond. ‘Ik weet niet veel,’ zei hij met een vermoeid schouderophalen. ‘De drakenbollen zijn gecreëerd door de hoge magiërs. Alleen de machtigsten van mijn orde konden ze gebruiken. Er werd gezegd dat iedereen die zonder voldoende kennis van magie de bollen trachtte te hanteren, een groot kwaad over zich zou afroepen. Verder weet ik niets. Alle kennis over de drakenbollen is tijdens de Verloren Strijd verloren gegaan. Twee, zo wordt beweerd, zijn er vernietigd bij de Val van de Torens van de Hoge Magie, om te voorkomen dat ze in handen van het gepeupel zouden vallen. Alles wat over de overige drie bekend was, is samen met de tovenaars die ze hanteerden gestorven.’ Zijn stem begaf het. Uitgeput ging hij languit op zijn veldbed liggen en viel in slaap.

‘De Verloren Strijd, drie manen, Raistlin die met een vreemde stem praat. Ik snap er helemaal niets van,’ mompelde Tanis.

‘Ik geloof er geen woord van!’ zei Waterwind kil. Hij schudde hun dierenvellen uit, klaar om naar bed te gaan.

Tanis wilde net zijn voorbeeld volgen, toen hij zag dat Alhana uit de schaduw van de grot kwam en naast Raistlin ging staan. Met haar handen ineengeklemd keek ze neer op de slapende magiër.

‘Voldoende kennis van magie,’ fluisterde ze met een stem vol angst. ‘Mijn vader!’

Opeens begreep Tanis het. ‘Je denkt toch niet dat je vader heeft geprobeerd de bol te gebruiken?’

‘Ik ben er bang voor,’ fluisterde Alhana handenwringend. ‘Hij zei dat alleen hij het kwaad kon bestrijden en uit ons land kon weghouden. Het kan niet anders of hij bedoelde...’ Snel liet ze zich vlak bij Raistlin op de knieën zakken. ‘Maak hem wakker!’ beval ze met vlammende ogen. ‘Ik moet het weten! Maak hem wakker en dwing hem te zeggen wat het gevaar is!’

Caramon trok haar vriendelijk maar ferm bij zijn broer vandaan. Alhana staarde hem met een verwrongen gezicht van woede en angst aan en even leek het of ze hem zou slaan, maar Tanis kwam net op tijd bij haar staan om haar hand vast te pakken.

‘Vrouwe Alhana,’ zei hij rustig, ‘het heeft geen zin om hem wakker te maken. Hij heeft ons alles verteld wat hij weet. En wat die andere stem betreft: hij kan zich duidelijk niets herinneren van wat die heeft gezegd.’

‘Ik heb dit eerder met Raist zien gebeuren,’ zei Caramon zachtjes, ‘dat het lijkt of hij in iemand anders verandert. Maar hij raakt er altijd uitgeput van en hij herinnert het zich nooit.’

Alhana rukte haar hand los uit die van Tanis. Haar gelaat was weer het vertrouwde marmeren masker, puur en kil. Ze draaide zich met een ruk om en liep naar het voorste deel van de grot. Daar greep ze de deken vast die Waterwind daar had opgehangen om ervoor te zorgen dat het licht van het vuur niet zichtbaar zou zijn, en rukte hem bijna los toen ze hem opzij trok en met grote passen naar buiten liep.