Выбрать главу

‘Ik ga als eerste op wacht staan,’ zei Tanis tegen Caramon. ‘Ga jij maar slapen.’

‘Ik hou Raist nog even in de gaten,’ zei de grote man terwijl hij naast zijn frêle tweelingbroer zijn bed opmaakte.

Tanis liep achter Alhana aan naar buiten.

De griffioenen sliepen als een blok, met hun kop begraven in de zachte veren op hun rug en hun klauwen stevig om de rand van de klif geslagen. Even kon hij Alhana niet vinden in het donker, maar toen zag hij haar geleund tegen een enorm rotsblok staan. Ze huilde bitter, met haar hoofd op haar armen.

De trotse vrouw uit Silvanesti zou het hem nooit vergeven als hij haar zo zwak en kwetsbaar zag. Daarom dook hij nog even terug achter de deken.

‘Ik ga op wacht staan!’ riep hij luid voordat hij weer naar buiten ging. Toen hij de deken weer optilde, zag hij, zonder het te laten merken, dat Alhana verschrikt rechtop ging staan en met haar handen over haar gezicht wreef. Ze keerde hem haar rug toe, en hij liep langzaam naar haar toe, zodat ze genoeg tijd had om haar zelfbeheersing te hervinden.

‘Het was benauwd in de grot,’ zei ze zachtjes. ‘Ik kon het niet verdragen. Ik moest even naar buiten om een frisse neus te halen.’

‘Ik heb de eerste wacht,’ zei Tanis. Hij zweeg even, maar ging toen verder: ‘Kennelijk ben je bang dat je vader heeft geprobeerd de drakenbol te gebruiken. Maar hij kent de geschiedenis ervan toch zeker? Als het klopt wat ik me nog over je volk herinner, was hij een magiegebruiker.’

‘Hij wist waar de bol vandaan kwam,’ zei Alhana. Even beefde haar stem, maar toen kreeg ze hem weer onder controle. ‘De jonge magiër had gelijk toen hij sprak over de Verloren Strijd en de vernietiging van de Torens. Maar hij had het mis toen hij zei dat de overige drie bollen verloren waren geraakt. Een ervan is door mijn vader in Silvanesti in veiligheid gebracht.’

‘Wat was dat, de Verloren Strijd?’ vroeg Tanis terwijl hij naast Alhana tegen de rotsen leunde.

‘Is alle kennis dan verloren gegaan in Qualinost?’ was Alhana’s wedervraag. Ze nam Tanis vol minachting op. ‘Wat een barbaren zijn jullie geworden sinds jullie je met de mensen hebben ingelaten!’

‘Laten we het erop houden dat het mijn eigen schuld was,’ zei Tanis, ‘omdat ik niet goed genoeg naar de Leermeester heb geluisterd.’

Alhana wierp hem een vluchtige blik toe, omdat ze vermoedde dat die opmerking sarcastisch bedoeld was. Toen ze echter zag hoe ernstig hij keek, en omdat ze liever niet wilde dat hij haar alleen zou laten, besloot ze zijn vraag te beantwoorden. ‘Toen Istars glorie tijdens de Machtstijd tot steeds grotere hoogte steeg, werden de Priesterkoning van Istar en zijn priesters steeds jaloerser op de macht van de magiegebruikers. De priesters zagen het nut niet meer in van magie op de wereld, uiteraard omdat ze er geen invloed op konden uitoefenen, wat hun angst aanjoeg. De magiegebruikers werden weliswaar gerespecteerd, maar nooit echt vertrouwd, zelfs de dragers van de witte mantel niet. Het was voor de priesters heel eenvoudig om het volk tegen de tovenaars op te zetten. Het ging steeds slechter met de wereld, en daarvan gaven de priesters de magiegebruikers de schuld. De macht van de magiërs lag besloten in de Torens van de Hoge Magie, waar de tovenaars hun laatste, slopende proeven moesten afleggen. Het was niet meer dan natuurlijk dat de Torens het mikpunt werden van de woede. Ze werden door de meute belegerd, en het was precies zoals je jonge vriend vertelde: voor nog maar de tweede keer in de geschiedenis sloegen de Manteldragers de handen ineen, om hun laatste machtsbastions te verdedigen.’

‘Maar hoe kan het dat ze verslagen werden?’ vroeg Tanis ongelovig.

‘Hoe kun je dat vragen, terwijl je weet hoe het je vriend de magiër altijd vergaat? Hij is machtig, maar hij heeft rust nodig. Zelfs de sterksten hebben tijd nodig om hun spreuken aan te vullen, ze opnieuw uit het hoofd te leren. Zelfs de oudsten van de ouden, tovenaars met een macht die sindsdien nooit meer op Krynn is aanschouwd, moesten slapen en urenlang hun magieboeken bestuderen. En net als nu was het aantal magiegebruikers beperkt. Er zijn er maar weinig die de proeven in de Torens van de Hoge Magie durven af te leggen, want ze weten dat ze zullen sterven als ze falen.’

‘Falen betekent de dood?’ vroeg Tanis zachtjes.

‘Ja,’ antwoordde Alhana. ‘Die vriend van je is erg dapper, dat hij op zo’n jonge leeftijd de Proeve heeft afgelegd. Heel dapper, of heel ambitieus. Heeft hij je er nooit iets over verteld?’

‘Nee,’ prevelde Tanis. ‘Hij heeft het er nooit over. Maar ga verder.’

Alhana haalde haar schouders op. ‘Toen duidelijk werd dat het een hopeloze strijd was, hebben de tovenaars zelf twee van de torens vernietigd. De ontploffingen sloegen het omringende platteland binnen een straal van vele mijlen volkomen kaal. Slechts drie bleven er staan: de Toren van Istar, de Toren van Palanthas en de Toren van Wayreth. Maar de vreselijke vernietiging van de andere twee torens joeg de Priesterkoning angst aan. Hij bood de tovenaars in de torens van Istar en Palanthas een veilige doortocht als ze de Torens onbeschadigd lieten staan, want de Priesterkoning wist heel goed dat de tovenaars beide steden konden vernietigen als ze wilden.

Daarom trokken de magiërs naar de enige Toren die al die tijd onbedreigd was gebleven: de Toren van Wayreth in het Kharolisgebergte. Ze trokken naar Wayreth om hun wonden te verzorgen en het kleine vonkje magie te koesteren dat er nog was op de wereld. De spreukenboeken die ze niet konden meenemen — want het waren er ongelooflijk veel en vele waren omgeven met beschermende spreuken — werden geschonken aan de grote bibliotheek van Palanthas, en daar staan ze nog steeds, volgens de overlevering van mijn volk.’

De zilveren maan was opgekomen, en zijn stralen schonken zijn dochter een schoonheid die Tanis de adem benam, terwijl de kilheid ervan als een doorn in zijn hart stak.

‘Wat weet je over een derde maan?’ vroeg hij. Huiverend keek hij op naar de nachtelijke hemel. ‘Een zwarte maan...’

‘Weinig,’ antwoordde Alhana. ‘De magiegebruiker put zijn kracht uit de manen: de dragers van de Witte Mantel uit Solinari, die van de Rode Mantel uit Lunitari. Volgens de overlevering is er een maan waaraan de dragers van de Zwarte Mantel hun kracht ontlenen, maar alleen zij kennen zijn naam en weten hoe ze hem aan de hemel kunnen vinden.’

Raistlin kende de naam wel, of tenminste, die andere stem, dacht Tanis. Maar die gedachte sprak hij niet hardop uit.

‘Hoe is je vader aan de drakenbol gekomen?’

‘Mijn vader Lorac was een leerling,’ antwoordde Alhana zachtjes met haar gelaat naar de zilveren maan gericht. ‘Hij is naar de Toren van de Hoge Magie in Istar gereisd om de Proeven af te leggen, die hij heeft voltooid en overleefd. Daar heeft hij voor het eerst de drakenbol gezien.’ Ze zweeg even. ‘Ik ga je iets vertellen wat ik nog nooit aan iemand heb verteld, en wat mijn vader alleen aan mij heeft verteld. En de enige reden dat ik dat doe, is dat je het recht hebt te weten wat... wat je kunt verwachten. Tijdens de Proeven...’ — Alhana aarzelde even, schijnbaar zoekend naar de juiste woorden — ‘sprak de drakenbol tot hem, in zijn hoofd. Hij vreesde dat er een afschuwelijke ramp naderde. “Je mag me niet hier in Istar achterlaten,” zei hij tegen mijn vader. “Als je dat toch doet, zal ik vernietigd worden en zal de wereld ten onder gaan.” Mijn vader... Je zou kunnen zeggen dat hij de drakenbol heeft gestolen, al vond hij zelf dat hij hem redde.

Iedereen verliet de Toren van Istar. De Priesterkoning nam zijn intrek en gebruikte hem voor zijn eigen doeleinden. Uiteindelijk verlieten de magiërs ook de toren van Palanthas.’ Alhana rilde. ‘Dat is een afgrijselijk verhaal. De regent van Palanthas, een discipel van de Priesterkoning, ging naar de Toren om de poort te verzegelen. Dat beweerde hij althans. Maar iedereen kon zien hoe zijn ogen hebzuchtig op de prachtige Toren bleven rusten, want verhalen over de wonderen die binnen te vinden waren — zowel goede als kwade — hadden zich door het land verspreid.