Выбрать главу

De Witte Tovenaar deed de sierlijke gouden poort van de Toren op slot met een zilveren sleutel. De regent strekte gretig zijn hand naar de sleutel uit, maar op dat moment verscheen een drager van de Zwarte Mantel op een van de bovenste verdiepingen voor het raam.

“De poort blijft gesloten en de zalen blijven leeg tot de dag dat de meester van het verleden en het heden met zijn macht terugkeert!” riep hij uit. Toen sprong de kwade magiër door het raam naar buiten en stortte zich op de poort. Zodra de punten door zijn zwarte gewaad heen drongen, sprak hij een vloek uit over de Toren. Zijn bloed stroomde op de grond, de goud met zilveren poort werd zwart en verwrongen. De glanzende roodwitte toren veranderde in ijzig grijze steen en de zwarte minaretten vergingen tot stof.

De regent en het volk sloegen doodsbang op de vlucht. Tot op de dag van vandaag heeft niemand het gewaagd de Toren van Palanthas te betreden of zelfs maar naar de poort toe te lopen. Na de vervloeking van de Toren heeft mijn vader de drakenbol naar Silvanesti gebracht.’

‘Maar je vader moet toch iets over de bol hebben geweten voordat hij hem meenam,’ hield Tanis vol. ‘Hoe hij hem moest gebruiken...’

‘Zo ja, dan heeft hij er niets over gezegd,’ zei Alhana vermoeid, ‘want dat is alles wat ik weet. Nu moet ik rusten. Welterusten,’ voegde ze eraan toe zonder Tanis aan te kijken.

‘Welterusten, vrouwe Alhana,’ zei Tanis vriendelijk. ‘Ik wens je een goede nachtrust. En maak je geen zorgen. Je vader is wijs en heeft al veel meegemaakt. Ik ben ervan overtuigd dat alles in orde is.’

Alhana wilde zonder nog een woord te zeggen langs hem heen lopen, maar ze aarzelde toen ze het medeleven in zijn stem hoorde.

‘Hoewel hij de Proeve heeft doorstaan,’ zei ze zo zachtjes dat Tanis een stap dichterbij moest komen om haar te kunnen verstaan, ‘was zijn magie niet zo krachtig als die van jouw jonge vriend. En als hij dacht dat de drakenbol onze enige hoop was, vrees ik dat...’ Haar stem sloeg over.

‘De dwergen hebben een gezegde.’ Omdat hij kon merken dat de barrières tussen hen even waren weggevallen, sloeg Tanis zijn arm om Alhana’s schouders en trok haar tegen zich aan. ‘“Geleende problemen moet je altijd terugbetalen in verdriet, met rente.” Maak je geen zorgen. Wij zijn bij je.’

Alhana gaf geen antwoord. Ze liet zich heel even troosten, maar maakte zich toen los uit zijn greep en liep naar de ingang van de grot. Daar bleef ze staan en keek om.

‘Je maakt je zorgen om je vrienden,’ zei ze. ‘Dat hoeft niet. Ze zijn uit de stad ontsnapt en zijn veilig. De kender heeft even op het randje van de dood gezweefd, maar hij heeft het overleefd, en nu zijn ze op weg naar IJsmuur op zoek naar een drakenbol.’

‘Hoe weet je dat?’ vroeg Tanis geschrokken.

‘Ik heb je zoveel verteld als ik kan.’ Alhana schudde haar hoofd.

‘Alhana! Hoe weet je dat?’ vroeg Tanis streng.

Met een roze blos op haar bleke wangen prevelde Alhana: ‘Ik... ik heb de ridder een sterrenjuweel gegeven. Hij weet natuurlijk niet wat voor macht erin besloten ligt of hoe hij het kan gebruiken. Ik weet eigenlijk niet eens waarom ik het hem heb gegeven, alleen...’

‘Nou?’ vroeg Tanis. Hij geloofde zijn oren niet.

‘Hij was zo galant, zo dapper... Hij heeft zijn leven op het spel gezet om mij te helpen, en dat terwijl hij niet eens wist wie ik was. Hij hielp me omdat ik hulp nodig had. En...’ Haar ogen glansden. ‘En hij weende toen de draken de mensen doodden. Ik heb nog nooit een volwassene zien wenen. Zelfs toen de draken kwamen en ons van huis en haard verdreven, hebben we geen traan vergoten. Ik denk dat we misschien wel zijn vergeten hoe dat moet.’

Toen leek ze te beseffen dat ze te veel had gezegd, want ze trok haastig de deken opzij en ging de grot binnen.

‘In de naam van de goden!’ verzuchtte Tanis. Een sterrenjuweel! Wat een zeldzaam, onbetaalbaar geschenk! Het juweel was een traditioneel geschenk dat door elfengeliefden wordt uitgewisseld wanneer ze gedwongen zijn elkaar te verlaten, en dat een band tussen hun zielen creëerde. Via die verbintenis delen ze de diepste emoties van hun geliefde en kunnen ze elkaar indien nodig kracht schenken. Maar nog nooit in zijn lange leven had de halfelf meegemaakt dat een sterrenjuweel aan een mens was geschonken. Wat zou het doen met een mens? Wat voor effect zou het hebben? En Alhana... Zij zou nooit van een mens kunnen houden, nooit zijn liefde kunnen beantwoorden. Het was vast een soort blinde kalverliefde. Ze was bang en alleen geweest. Nee, dit kon alleen maar tot verdriet leiden, tenzij er iets ingrijpend veranderde bij de elfen of in Alhana’s binnenste.

De opluchting te weten dat Laurana en de anderen veilig waren verwarmde Tanis’ hart, maar tegelijkertijd werd het verkild door angst en verdriet om Sturm.

9

Silvanesti. De droom in.

De derde dag zetten ze hun reis voort, richting de opkomende zon. Kennelijk hadden ze de draken afgeschud, al meende Tika, die achteraan de hemel afspeurde, dat ze zwarte stipjes aan de horizon kon zien. Die middag, toen de zon achter hen onderging, naderden ze de rivier die bekendstond als de Ton-Thalas — de Rivier van de Heer — en die Silvanesti van de buitenwereld scheidde.

Zijn hele leven had Tanis al verhalen gehoord over de wonderen en de schoonheid van het oude elfenland, al spraken de elfen van Qualinesti er zonder spijt over. Ze misten de verloren wonderen van Silvanesti niet, want die wonderen werden een symbool voor de verschillen die tussen de twee elfenvolkeren waren ontstaan.

De elfen in Qualinesti leefden in harmonie met de natuur en probeerden de schoonheid ervan te ontwikkelen en versterken. Ze bouwden hun huizen tussen de espen en gebruikten magie om een zilveren of gouden laagje op de bast aan te brengen. Ze bouwden hun huizen van glanzende roze kwarts en nodigden de natuur uit om bij hen te komen wonen.

De Silvanesti hielden echter van zo veel mogelijk verschillende, unieke voorwerpen. Omdat ze dat unieke in de natuur niet zagen, vormden ze de natuur naar hun eigen ideaal. Ze hadden tijd en geduld, want wat waren eeuwen voor elfen die honderden jaren leefden? Dus gaven ze hele bossen opnieuw vorm, snoeiend en gravend, en maakten ze met de bloemen en bomen fantastische, ongelooflijk mooie tuinen.

Ze ‘bouwden’ geen huizen, maar beeldhouwden uit de marmeren rotsen die van nature in hun land voorkwamen zulke vreemde, wonderlijke vormen dat dwergenvaklui in de jaren voordat de rassen van elkaar vervreemd waren geraakt duizenden mijlen reisden om ze te bekijken. Vervolgens konden ze slechts tranen vergieten om hun zeldzame schoonheid. Er werd beweerd dat mensen die per ongeluk in de tuinen van Silvanesti verzeild raakten niet meer weg konden, maar voor altijd bleven, betoverd, gevangen in een schitterende droom.

Dat alles wist Tanis uiteraard alleen uit de legenden, want al sinds de Bloedmoordoorlog had geen Qualinesti-elf nog voet in het oude land gezet. En daarvoor waren mensen al zeker honderd jaar niet meer welkom geweest, zo geloofde men.

‘Hoe zit het met de verhalen,’ vroeg Tanis aan Alhana toen ze op de rug van de griffioenen boven de espen vlogen, ‘de verhalen over mensen die, gevangen door de schoonheid van Silvanesti, nooit meer het land konden verlaten? Zijn mijn vrienden er wel veilig?’

Alhana keek hem over haar schouders aan. ‘Ik wist dat mensen zwak waren,’ zei ze kil, ‘maar zó zwak, dat had ik niet verwacht. Het is waar dat er geen mensen in Silvanesti komen, maar dat komt doordat we ze niet toelaten. We staan al helemaal niet toe dat ze blijven. Als ik dacht dat dat gevaar bestond, zou ik jullie niet eens hebben meegenomen.’

Als door een wesp gestoken reageerde hij op haar bijtende sarcasme door te vragen: ‘Zelfs Sturm niet?’

Hij was echter niet voorbereid op haar antwoord. Alhana draaide zich zo bruusk naar hem om dat haar lange, zwarte haar over zijn huid striemde. Haar gelaat was zo bleek van woede dat het bijna doorschijnend leek. Hij zag de adertjes kloppen onder haar huid. Haar donkere ogen leken hem onder te dompelen in een diepe, gitzwarte poel.