‘Spreek daar nooit meer over!’ zei ze met opeengeklemde kaken en witte lippen. ‘Spreek nooit meer over hem!’
‘Maar gisteravond...’ stamelde Tanis verbijsterd, met zijn hand tegen zijn vuurrode wang.
‘Gisteravond is nooit gebeurd,’ zei Alhana. ‘Ik was zwak, moe en bang. Net als toen... toen ik Sturm, de ridder, ontmoette. Ik betreur het dat ik je over hem heb verteld. Ik betreur het dat ik je over het sterrenjuweel heb verteld.’
‘Betreur je het dat je hem het sterrenjuweel hebt gegeven?’ vroeg Tanis.
‘Ik betreur de dag dat ik voet zette in Tarsis,’ zei Alhana zachtjes, maar hartstochtelijk. ‘Ik wou dat ik er nooit naartoe was gegaan, nooit!’ Abrupt wendde ze zich af en liet Tanis alleen met zijn duistere gedachten.
De reisgenoten hadden net de rivier bereikt, in het zicht van de hoge Sterrentoren, glanzend als een parelketting die naar de zon reikte, toen de griffioenen opeens hun vlucht afbraken. Tanis keek in de verte, maar kon geen gevaar ontdekken. Toch daalden de griffioenen snel.
Het was moeilijk te geloven dat Silvanesti ooit was belegerd. Er waren geen dunne rookkolommen van kampvuren, zoals elders waar de draconen het land bezet hielden. Het land was niet zwartgeblakerd en vernietigd. Onder zich zag hij het blad van de espen glanzen in het zonlicht. Hier en daar stak een marmeren gebouw in al zijn witte glorie tussen de bomen uit.
‘Nee!’ sprak Alhana in het elfs tegen de grifEoenen. ‘Ik beveel jullie door te vliegen! Ik moet naar de Toren!’
Maar de griffioenen deden alsof ze haar niet hadden gehoord en daalden spiraalsgewijs af.
‘Wat is er?’ vroeg Tanis. ‘Waarom stoppen we? We kunnen de Toren zien. Wat is er aan de hand?’ Hij keek om zich heen. ‘Ik zie niets zorgwekkends.’
‘Ze weigeren verder te gaan,’ zei Alhana met een zorgelijk gezicht. ‘Ze willen me niet vertellen waarom, alleen dat we van hieraf zelf verder moeten reizen. Ik begrijp er niets van.’
Dat stond Tanis niet aan. Griffioenen stonden bekend als felle, onafhankelijke wezens, maar als je je eenmaal van hun loyaliteit had verzekerd, zouden ze je met eindeloze toewijding blijven dienen. De koninklijke elfen van Silvanesti hadden altijd al griffioenen getemd voor eigen gebruik. Hoewel ze kleiner waren dan draken, waren de griffioenen door hun snelheid, scherpe klauwen, dodelijke snavel en de achterpoten van een leeuw vijanden om rekening mee te houden. Er was maar weinig op Krynn waar ze bang voor waren, zo had Tanis vernomen. Hij herinnerde zichzelf eraan dat deze griffioenen zonder zichtbare angst door zwermen draken heen Tarsis binnen waren gevlogen.
Nu waren de griffioenen echter duidelijk bang. Ze landden op de oever van de rivier en weigerden verder te vliegen, ondanks Alhana’s boze, dwingende bevelen. In plaats daarvan streken ze humeurig hun veren glad en weigerden koppig te gehoorzamen.
Uiteindelijk zat er voor de reisgenoten niets anders op dan van de rug van de griffioenen te klauteren en hun voorraden af te laden. Toen spreidden de wezens, half vogel, half leeuw, met een fel, verontschuldigend soort waardigheid hun vleugels en scheerden weg.
‘Nou, dat was het dan,’ zei Alhana scherp zonder acht te slaan op de boze blikken die haar werden toegeworpen. ‘We zullen gewoon moeten lopen. Het is niet ver.’
Daar stonden de reisgenoten, achtergelaten op de oever van de rivier, over het sprankelende water te staren naar het bos dat aan de overkant lag. Niemand zei iets. Iedereen was gespannen, alert op problemen. Maar het enige wat ze zagen, waren de espenbomen die glansden in de laatste stralen van de ondergaande zon. De rivier kabbelde ruisend tegen de oever. Hoewel de espen nog blad hadden, lag de stilte van de winter over het land.
‘Ik dacht dat je zei dat jullie op de vlucht waren geslagen omdat jullie werden belegerd,’ zei Tanis uiteindelijk tegen Alhana.
‘Als dit land wordt overheerst door de draken, ben ik een greppeldwerg!’ zei Caramon snuivend.
‘Dat was ook zo,’ zei Alhana terwijl ze de zonverlichte bosrand afspeurde. ‘De hemel was vol draken, net als in Tarsis. De drakenmannen drongen ons geliefde woud binnen en zaaiden dood en verderf...’ Haar stem stierf weg.
Caramon leunde naar Waterwind toe en mompelde: ‘We zijn hier voor niks gekomen.’
De Vlakteman trok een boos gezicht. ‘Als dat alles is, mogen we van geluk spreken,’ zei hij met zijn blik op de elfenmaagd gericht. ‘Waarom heeft ze ons hiernaartoe gebracht? Misschien is het een valstrik.’
Daar dacht Caramon even over na. Toen wierp hij een ongemakkelijke blik op zijn broer, die sinds het vertrek van de griffioenen niets had gezegd en roerloos was blijven zitten, met zijn blik strak op het woud gericht. De grote krijger controleerde of zijn zwaard los in de schede zat en deed een stap in Tika’s richting. Bijna per ongeluk, zo leek het, pakten ze elkaars hand vast. Tika wierp een angstige blik op Raistlin, maar hield Caramon stevig vast.
De magiër bleef als gebiologeerd naar de wildernis staren.
‘Tanis!’ zei Alhana opeens. In haar vreugde vergat ze zichzelf en legde ze haar hand op zijn arm. ‘Misschien heeft het geholpen! Misschien heeft mijn vader hen verslagen en kunnen we naar huis! O, Tanis...’ Ze beefde van opwinding. ‘We moeten de rivier oversteken en gaan kijken. Kom! De veerbootsteiger is net voorbij die bocht…’
‘Alhana, wacht!’ riep Tanis, maar ze rende al over de vlakke, met gras begroeide oever weg. Haar lange rokken wapperden om haar enkels. ‘Alhana! Verdorie. Caramon en Waterwind, ga achter haar aan. Goudmaan, probeer haar tot bezinning te brengen.’
Waterwind en Caramon wisselden een ongemakkelijke blik, maar ze deden wat Tanis had gezegd en renden over de oever achter Alhana aan. Goudmaan en Tika volgden in een rustiger tempo.
‘Wie weet wat zich in dat bos schuilhoudt?’ prevelde Tanis. ‘Raistlin...’
De magiër leek hem niet te horen. Tanis liep op hem af. ‘Raistlin?’ vroeg hij nogmaals toen hij zag hoe afwezig de magiër uit zijn gouden ogen keek.
Raistlin staarde hem niet-begrijpend aan, alsof hij ontwaakte uit een droom. Toen was hij zich ervan bewust dat Tanis iets tegen hem had gezegd. Hij sloeg zijn ogen neer.
‘Wat is er, Raistlin?’ vroeg Tanis. ‘Wat voel je?’
‘Niets, Tanis,’ antwoordde de magiër.
Tanis knipperde met zijn ogen. ‘Niets?’ herhaalde hij.
‘Het is als een ondoordringbare mist, een kale muur,’ fluisterde Raistlin. ‘Ik zie niets, ik voel niets.’
Tanis keek hem indringend aan, en opeens wist hij dat Raistlin loog. Maar waarom? De magiër beantwoordde zijn blik gelijkmoedig, met een vaag, scheef glimlachje om zijn lippen, alsof hij best wist dat Tanis hem niet geloofde maar het hem niets kon schelen.
‘Raistlin,’ zei Tanis zachtjes. ‘Stel dat Lorac, de elfenkoning, de drakenbol probeerde te gebruiken. Wat zou er dan gebeuren?’
De magiër sloeg zijn blik weer op naar het bos. ‘Denk je dat dat mogelijk is?’ vroeg hij.
‘Ja,’ zei Tanis. ‘Alhana heeft me het een en ander verteld. Tijdens zijn Proeve in de Toren van de Hoge Magie in Istar, vroeg een drakenbol Lorac hem te redden van een dreigende ramp.’
‘En hij gehoorzaamde?’ vroeg Raistlin met een stem zo zacht als het kabbelende water van de oeroude rivier.
‘Ja. Hij heeft hem meegenomen naar Silvanesti.’
‘Dus dit is de drakenbol van Istar,’ fluisterde Raistlin. Hij kneep zijn ogen samen en slaakte een diepe, verlangende zucht. ‘Ik weet niets over de drakenbollen,’ zei hij koel, ‘behalve wat ik je heb verteld. Maaréén ding weet ik wel, halfelf: niemand van ons zal Silvanesti zonder kleerscheuren verlaten, als we er al uit komen.’
‘Hoe bedoel je? Wat voor gevaar wacht ons?’
‘Wat maakt het uit wat voor gevaren ik zie?’ vroeg Raistlin terwijl hij zijn handen in de mouwen van zijn rode gewaad stopte. ‘We moeten Silvanesti binnengaan. Dat weet jij net zo goed als ik. Of wil je de kans een drakenbol te bemachtigen aan je neus voorbij laten gaan?’
‘Maar als je gevaar ziet, zeg het dan! Dan zijn we in elk geval voorbereid. ..’ begon Tanis boos.