Выбрать главу

‘Wees dan voorbereid,’ fluisterde Raistlin zachtjes, en met die woorden draaide hij zich om en liep langzaam over het zanderige deel van de oever achter zijn broer aan.

De reisgenoten staken de rivier over op het moment dat de laatste zonnestralen tussen de bladeren van de espen aan de overkant schenen. Toen werd het legendarische woud van Silvanesti langzaam maar zeker opgeslokt door de duisternis. De nachtschaduwen kabbelden om de voet van de stammen als het donkere water dat onder de kiel van de veerboot door stroomde.

De overtocht over de oeroude rivier verliep langzaam. De veerboot— een rijk bewerkte platbodem die aan beide oevers met een ingewikkeldsysteem van touwen en katrollen was bevestigd— leek op het eerste gezicht in goede staat te verkeren, maar zodra ze aan boord waren en zich van de kant hadden afgestoten, ontdekten ze dat de touwen aan het rotten waren. De boot verweerde voor hun ogen. De rivier zelf leek te veranderen. Roodbruin water dat vagelijk naar bloed rook, sijpelde door de romp naar binnen.

Ze waren net op de andere oever uitgestapt en druk bezig hun voorraden uit te laden, toen de gerafelde touwen het begaven.

Binnen een mum van tijd werd de veerboot door de stroming meegevoerd. Op hetzelfde moment kwam de schemering ten einde en werden ze door de nacht overvallen. Hoewel de hemel helder was, zonder ook maaréén ontsierend wolkje, waren er geen sterren te zien. De zilveren noch de rode maan kwam op. Het enige licht was afkomstig van de rivier, die een ongezonde, lijkbleke gloed leek uit te stralen.

‘Raistlin, je staf,’ zei Tanis. Zijn stem galmde te luid door het doodstille woud. Zelfs Caramon kromp ineen.

‘Shirak.’Raistlin sprak het bevelende woord, en de kristallen bol in de drakenklauw boven op de staf lichtte op. Maar het was een kil, bleek licht. Het enige wat het leek te verlichten, waren de vreemde, zandlopervormige ogen van de magiër.

‘We moeten het woud betreden,’ zei Raistlin met onvaste stem. Hij draaide zich om en strompelde de donkere wildernis in.

Niemand anders sprak of bewoog. Ze bleven op de oever staan, in de greep van angst. Er was geen reden voor, en het feit dat het een irrationele angst was maakte het des te angstaanjagender. Angst bekroop hen vanuit de grond. Angst stroomde door hun ledematen, vormde een steen op hun maag, zoog de moed uit hun lijf en vrat hun verstand aan.

Angst waarvoor? Er was niets, helemaal niets! Niets om bang voor te zijn, en toch waren ze allemaal banger voor dat niets dan ze ooit in hun leven waren geweest.

‘Raistlin heeft gelijk. We moeten... het bos in... en een... schuilplaats zoeken.’ Tanis sprak moeizaam, klappertandend. ‘A-achter Raistlin aan.’

Bevend kwam hij in beweging, niet wetend of iemand hem volgde. Het kon hem op dat moment ook niet schelen. Achter zich hoorde hij Tika zachtjes jammeren. Goudmaan probeerde te bidden met lippen die geen woorden konden vormen. Hij hoorde Caramon zijn broer toeroepen dat hij moest wachten en Waterwind een angstkreet slaken, maar dat deed er niet toe. Hij moest rennen, weg van hier! Zijn enige richtpunt was het licht van Raistlins staf.

Wanhopig strompelde hij achter de magiër aan het bos in. Maar toen Tanis de bomen bereikte, had hij opeens geen kracht meer. Hij was te bang om verder te lopen. Bevend liet hij zich op zijn knieën zakken en vervolgens voorovervallen, klauwend naar de grond.

Hij perste een rauwe kreet uit zijn keeclass="underline" ‘Raistlin!’

Maar de magiër kon hem niet helpen. Het laatste wat Tanis zag, was dat het licht van Raistlins staf langzaam naar de grond zakte, en vervolgens nog langzamer werd losgelaten door de slappe, ogenschijnlijk levenloze hand van de jonge magiër.

De bomen. De prachtige bomen van Silvanesti. Bomen die eeuwenlang geduldig waren verzorgd en gevormd tot ze wonderlijke, betoverende tuinen vormden. Overal om Tanis heen stonden bomen, maar ze hadden zich tegen hun meesters gekeerd, waren levende gruweltuinen geworden. Een misselijkmakend groen schijnsel sijpelde tussen de trillende blaadjes door.

Met grote ogen van afschuw keek Tanis om zich heen. Hij had in zijn leven veel vreemde, vreselijke dingen gezien, maar vergeleken hierbij viel het allemaal in het niet. Dit, dacht hij, kon hem wel eens krankzinnig maken. In paniek keerde hij zich van de ene kant naar de andere, maar er was geen ontsnapping mogelijk. Overal om hem heen waren de bomen, de bomen van Silvanesti. Afgrijselijk anders.

De ziel van elke boom die hij zag leek gevangen in de stam, onderworpen aan een marteling. De verwrongen takken waren de ledematen van die ziel, verkrampt van helse pijn. De wortels klauwden in de grond, in een hopeloze poging te ontsnappen. Het sap van de levende bomen stroomde uit diepe wonden in de bast. De ritselende bladeren waren zijn kreten van pijn en angst. De bomen van Silvanesti weenden bloed.

Tanis had geen besef van zijn omgeving of hoe lang hij daar al was. Hij wist nog dat hij in de richting van de Sterrentoren was gelopen die hij hoog boven de takken van de espen uit had zien steken. Hij was blijven lopen, en niets had hem tegengehouden. Toen had hij de kender horen gillen van angst, en het klonk als de kreet van een klein dier dat wordt gemarteld. Toen hij zich omdraaide, zag hij Tasselhof wijzen. Vol afschuw keek Tanis naar de bomen die hij aanwees, om pas na een hele tijd te beseffen dat de kender hier helemaal niet hoorde te zijn. En daar was Sturm, met een asgrauw gezicht van angst, en Laurana, die wanhopig huilde, en Flint, die met grote, starende ogen om zich heen keek.

Tanis omhelsde Laurana, voelde een mens van vlees en bloed in zijn armen, maar toch wist hij dat ze er helemaal niet was, ook al had hij haar vast, en die wetenschap verkilde hem tot op het bot.

Toen werd de verschrikking nog groter in die tuin, die als een gevangenis vol verdoemden was. Dieren sprongen tussen de gemartelde bomen vandaan en stortten zich op de reisgenoten.

Tanis trok zijn zwaard om zich te verdedigen, maar het wapen trilde in zijn onvaste hand, en hij moest zijn blik afwenden, want ook de dieren waren veranderd in afschuwelijk misvormde, ondode wezens.

Te midden van de mismaakte dieren reden hele legioenen elfenkrijgers met grijnzende doodshoofden. Er glinsterden geen ogen in de lege kassen van hun gezicht en de fijne botten van hun handen waren niet bedekt met vlees of huid. Ze stortten zich op de reisgenoten met fel stralende zwaarden, maar als ze door een wapen werden geraakt, verdwenen ze in het niets.

De wonden die ze veroorzaakten, waren echter levensecht, zoals Caramon al snel ontdekte toen die in een strijd was verwikkeld met een wolf, en met de slangen die uit het lijf van het dier groeiden. Toen hij opkeek, zag hij een van de elfenkrijgers op zich afkomen met een glanzende speer in zijn ontvleesde hand. Hij gilde tegen zijn broer dat die moest helpen, en Raistlin sprak: ‘Ast kiranann kair Soth-aran/Suh kalija-laran.’ Een vuurbal schoot uit de hand van de magiër en raakte de elf vol, maar zonder effect. Met ongelooflijke kracht boorde de speer zich dwars door Caramons wapenrusting heen in zijn lichaam en spijkerde hem vast aan de boom achter hem.

De elfenkrijger rukte zijn wapen los uit de schouder van de grote man. Caramon zeeg op de grond. Zijn levensbloed vermengde zich met dat van de boom. Met een woestheid die hem zelf verraste, trok Raistlin de zilveren dolk uit het leren koord dat hij verborgen onder zijn gewaad om zijn bovenarm droeg, en smeet hem naar de elf toe. Het lemmet boorde zich in de ondode ziel, waarop de elfenkrijger met paard en al in het niets oploste. Maar Caramon lag nog op de grond. Zijn arm zat nog maar aan een dun reepje vlees aan zijn lichaam vast.

Goudmaan knielde naast hem neer om hem te genezen, maar haar tong struikelde over de gebeden nu haar geloof haar te midden van de verschrikkingen in de steek liet.

‘Help me, Mishakal,’ bad Goudmaan. ‘Help me mijn vriend te helpen.’

De afschuwelijke wond sloot zich. Hoewel er nog steeds bloed uit sijpelde en over Caramons arm droop, verslapte de dood zijn greep op de krijger. Raistlin knielde naast zijn broer neer en wilde hem iets zeggen, maar opeens zweeg hij. Hij staarde langs Caramon heen naar de bomen, zijn vreemde ogen groot van ongeloof.