Выбрать главу

‘Jij!’ fluisterde Raistlin.

‘Wie is het?’ vroeg Caramon zwakjes toen hij het braampje van angst en afschuw in Raistlins stem hoorde. De grote man tuurde naar het groene licht, maar zag niets. ‘Tegen wie heb je het?’

Maar Raistlin was met zijn gedachten bij een ander gesprek en gaf geen antwoord.

‘Ik heb je hulp nodig,’ zei de magiër streng. ‘Net als voorheen.’

Caramon zag dat zijn broer zijn hand uitstak, alsof hij een gapend gat trachtte te overbruggen, en om onverklaarbare redenen werd hij opeens verteerd door angst.

‘Nee, Raist!’ riep hij. Paniekerig greep hij zijn broer vast. Raistlin liet zijn hand zakken.

‘Onze afspraak staat nog. Wat? Verlang je meer?’ Even zweeg Raistlin. Toen slaakte hij een diepe zucht. ‘Zeg het maar.’

Een hele tijd luisterde de magiër aandachtig. Caramon, die hem met een bezorgdheid geboren uit liefde in het oog hield, zag het magere, metaalkleurige gezicht van zijn broer lijkbleek worden. Raistlin sloot zijn ogen en slikte moeizaam, alsof hij zijn bittere kruidenaftreksel dronk. Uiteindelijk boog hij het hoofd. ‘Dat aanvaard ik.’

Caramon slaakte een kreet van afschuw toen hij zag hoe Raistlins gewaad, het rode gewaad dat zijn neutrale status aangaf, bloedrood, donkerrood en uiteindelijk helemaal zwart werd.

‘Ik aanvaard dit,’ zei Raistlin een stuk rustiger, ‘in de wetenschap dat de toekomst kan worden veranderd. Wat moeten we doen?’

Hij luisterde. Kreunend van angst klampte Caramon zich aan zijn arm vast.

‘Hoe komen we levend bij de Toren?’ vroeg Raistlin aan zijn onzichtbare gesprekspartner. Opnieuw luisterde hij aandachtig. Hij knikte. ‘En dan zal ik krijgen wat ik nodig heb? Goed. Vaarwel dan, als dat tenminste mogelijk is voor je op je duistere reis.’

Raistlins zwarte gewaad ruiste toen hij opstond. Zonder acht te slaan op Caramons gesnik en Goudmaans angstige kreet toen ze hem zag, ging de magiër op zoek naar Tanis. Hij trof de halfelf met zijn rug tegen een boom aan, waar hij een horde elfenkrijgers op afstand hield.

Kalm stak Raistlin zijn hand in zijn buidel en haalde er een stukje konijnenbont en een staafje van amber tevoorschijn. Die wreef hij in zijn linkerhand samen, terwijl hij zijn rechterhand uitstak en zei: ‘Ast kiran-nan kair Gadurm Sotharn/Suh kalijalaran.’

Er schoten bliksemflitsen uit zijn vingertoppen. Ze zigzagden door de groengetinte lucht en boorden zich in de elfenkrijgers, die als sneeuw voor de zon verdwenen. Uitgeput liet Tanis zich achteroverzakken.

Raistlin stond midden op een open plek tussen de mismaakte, gekwelde bomen.

‘Kom om me heen staan!’ beval hij zijn metgezellen.

Tanis aarzelde. Er hielden zich nog steeds elfenkrijgers op aan de randen van de open plek. Ze deden een uitval, maar Raistlin hief zijn hoofd, waarop ze stopten alsof ze tegen een onzichtbare muur opliepen.

‘Kom bij me staan.’ Tot hun verbijstering hoorden de reisgenoten Raistlin voor het eerst sinds hij de Proeven had afgelegd met zijn gewone stem spreken. ‘Schiet op,’ voegde hij eraan toe. ‘Ze zullen nu niet aanvallen. Ze zijn bang voor me. Maar ik kan hen niet lang tegenhouden.’

Tanis liep op hem af, met een gezicht dat bleek was onder zijn rode baard. Bloed drupte uit een wond op zijn hoofd. Goudmaan ondersteunde Caramon, die met een van pijn vertrokken gezicht zijn bloedende arm omklemde. Langzaam, een voor een, volgden de overige reisgenoten. Uiteindelijk was Sturm de enige die nog buiten de kring stond.

‘Ik heb altijd geweten dat het een keer zo ver zou komen,’ zei de ridder langzaam. ‘Ik sterf nog liever dan dat ik me door jou laat beschermen, Raistlin.’

Met die woorden draaide de ridder zich om en liep dieper het bos in. Tanis zag dat de leider van de ondode elfen een gebaar maakte om te beduiden dat een aantal soldaten hem moest volgen. De halfelf wilde erachteraan gaan, maar bleef staan toen hij een verrassend sterke hand op zijn arm voelde.

‘Laat hem gaan,’ zei de magiër streng, ‘anders zijn we allemaal verloren. Ik heb jullie iets te vertellen en mijn tijd raakt op. We moeten door dit bos heen naar de Sterrentoren. We moeten de paden van de doden bewandelen, want elk afschuwelijk wezen dat ooit in de vreselijkste nachtmerries van een sterfelijk wezen vorm heeft gekregen, zal proberen ons tegen te houden. Maar weet dit: we bevinden ons in een droom, in Loracs nachtmerrie. En in onze eigen nachtmerries. Vergeet niet dat ons lichaam weliswaar wakker is, maar dat onze geest slaapt. De dood bestaat alleen in onze fantasie, tenzij we erin geloven.’

Waarom kunnen we dan niet wakker worden?’ vroeg Tanis boos.

‘Omdat Loracs geloof in zijn droom te sterk is en jullie geloof te zwak. Als je er rotsvast van overtuigd bent dat dit een droom is, als je geen spoortje twijfel meer kent, zul je terugkeren naar de werkelijkheid.’

‘Als dat waar is,’ zei Tanis, ‘en jij ervan overtuigd bent dat dit een droom is, waarom word jij dan niet wakker?’

‘Misschien,’ antwoordde Raistlin glimlachend, ‘verkies ik in slaap te blijven.’

‘Ik begrijp er niets van!’ riep Tanis gefrustreerd uit.

‘Dat komt nog wel,’ voorspelde Raistlin grimmig, ‘anders zul je sterven. En in dat geval doet het er niet meer toe.’

10

Een waakdroom. Visioenen van de toekomst.

Zonder acht te slaan op de ontzette blikken van zijn metgezellen, liep Raistlin naar zijn broer toe, die nog steeds zijn gewonde arm omklemde.

‘Ik zorg wel voor hem,’ zei Raistlin tegen Goudmaan terwijl hij zijn in het zwart gehulde arm om zijn broer heen sloeg.

‘Nee,’ hijgde Caramon, ‘je bent niet sterk ge...’ Zijn stem stokte toen hij de kracht voelde in de arm die hem ondersteunde.

‘Nu ben ik sterk genoeg, Caramon,’ zei Raistlin vriendelijk. Het was juist die vriendelijkheid die de krijger de rillingen bezorgde. ‘Leun op mij, broer.’

Verzwakt door pijn en angst leunde Caramon voor het eerst van zijn leven op Raistlin. De magiër ondersteunde hem, en samen gingen ze op weg door het afgrijselijke woud.

‘Wat gebeurt er, Raist?’ vroeg Caramon verstikt. ‘Waarom draag je de Zwarte Mantel? En je stem...’

‘Spaar je adem, broer,’ adviseerde Raistlin hem zachtjes.

De twee trokken dieper het bos in, gevolgd door de dreigende blikken van de ondode elfenkrijgers. De haat die de doden koesteren jegens de levenden, was duidelijk zichtbaar in hun holle oogkassen. Maar niemand waagde het de in het zwart gehulde magiër aan te vallen. Caramon voelde zijn warme levensbloed opwellen uit de wond en tussen zijn vingers door sijpelen. Hij zag het op de dode, met slijm bedekte bladeren onder zijn voeten druppen terwijl hij steeds zwakker werd. In zijn koortsachtige fantasie won zijn zwarte schaduw intussen aan kracht.

Tanis rende door het bos, op zoek naar Sturm. Toen hij hem vond, stond de ridder een groep flakkerende elfenkrijgers op afstand te houden.

‘Het is een droom,’ riep Tanis tegen Sturm, die keer op keer op de ondode wezens instak. Telkens als hij er een raakte, verdween die, om vervolgens weer op te duiken. De halfelf trok zijn zwaard en schoot Sturm te hulp.

‘Bah!’ gromde de ridder. Hij slaakte een kreet van pijn toen een pijl zich in zijn arm boorde. De wond was niet diep, omdat zijn maliënkolder hem beschermde, maar hij bloedde behoorlijk. ‘Noem je dit een droom?’ vroeg Sturm terwijl hij de met bloed besmeurde pijl uit zijn lijf rukte.

Tanis sprong voor de ridder en hield de vijand op afstand, zodat Sturm tijd had om het bloeden te stelpen.

‘Raistlin vertelde ons...’ begon Tanis.

‘Raistlin! Ha! Heb je zijn gewaad gezien, Tanis?’

‘Maar jij bent hier! In Silvanesti!’ wierp Tanis in opperste verwarring tegen. Hij had het merkwaardige gevoel dat hij met zichzelf stond te redetwisten. ‘Volgens Alhana was je in IJsmuur!’

De ridder haalde zijn schouders op. ‘Misschien ben ik gestuurd om je te helpen.’