Goed, het is een droom, hield Tanis zichzelf voor. Ik word nu wakker.
Maar er veranderde niets. De elfen waren er nog steeds, vechtend en wel. Sturm zou wel gelijk hebben. Raistlin had gelogen. Net zoals hij had gelogen vlak voordat ze het woud betraden. Maar waarom? Met welk doel?
Toen wist Tanis het opeens. De bol!
‘We moeten vóór Raistlin de Toren zien te bereiken!’ riep Tanis Sturm toe. ‘Ik weet wat de magiër van plan is!’
De ridder kon niet meer doen dan knikken. Het scheen Tanis toe dat ze vanaf dat moment niets anders deden behalve vechten om elke duimbreedte die ze vooruitkwamen. Keer op keer dwongen de twee krijgers de ondode elfen achteruit, en keer op keer kwamen ze in groteren getale terug. De tijd verstreek, dat wisten ze, maar hoeveel, dat konden ze niet zeggen. Het ene moment scheen de zon door het verstikkende groene waas heen. Het volgende moment lag het nachtelijke duister over het land, als de schaduw van drakenvleugels.
Toen, op het moment dat de duisternis weer dieper werd, zagen Sturm en Tanis de Toren. Het hoge gebouw, opgetrokken uit marmer, had een witte glans. Eenzaam en alleen stond hij midden op een open plek, waar hij als een skeletachtige vinger vanuit het graf naar de hemel wees.
Bij het zien van de Toren zetten de beide mannen het op een rennen. Hoewel ze verzwakt en uitgeput waren, wilden ze geen van beiden na het vallen van de duisternis nog in dit woud rondlopen. De elfenkrijgers zagen dat hun prooi dreigde te ontsnappen en stormden achter hen aan.
Tanis rende tot hij dacht dat zijn pijnlijke longen zouden knappen. Sturm rende voor hem uit, uithalend naar de ondoden die vóór hen opdoken om hun de weg te versperren. Tanis was al bijna bij de Toren toen hij voelde hoe een boomwortel zich om zijn voet wikkelde. Hij viel languit op de grond.
Wanhopig probeerde Tanis zich te bevrijden, maar de wortel hield hem stevig vast. Hulpeloos worstelde hij door terwijl een ondode elf met een afschuwelijk mismaakt gezicht zijn speer hief om hem te doorboren. Opeens sperde de elf zijn ogen open, liet zijn speer uit zijn krachteloze vingers vallen en verdween met een schelle kreet toen een zwaard zijn transparante lichaam doorboorde.
Tanis keek op naar degene die hem het leven had gered. Het was een vreemde krijger, vreemd, maar toch bekend. Hij deed zijn helm af. Tanis staarde recht in twee bruine ogen.
‘Kitiara!’ zei hij verbijsterd. ‘Jij hier? Hoe? Waarom?’
‘Ik hoorde dat je wel wat hulp kon gebruiken,’ zei Kit met die bekende scheve, charmante glimlach van haar. ‘Zo te zien klopte dat.’ Ze stak haar hand uit. Hij pakte hem weifelend vast en ze trok hem overeind. Ze was van vlees en bloed. ‘Wie is dat daar? Sturm? Mooi! Net als vroeger. Zullen we naar de Toren gaan?’ vroeg ze, lachend om de verbazing op Tanis’ gezicht.
Waterwind vocht alleen tegen hele legioenen ondode elfenkrijgers. Hij wist dat hij niet veel meer aankon. Toen hoorde hij een heldere roep die hem deed opkijken. Que-shukrijgers! Hij slaakte een vreugdekreet, maar tot zijn afschuw zag hij dat ze hun pijlen op hem richtten.
De Que-shukrijgers antwoordden slechts met hun boogpezen. Waterwind voelde de ene na de andere gevederde schacht in zijn lichaam dringen.
‘Jij hebt de blauwkristallen staf naar ons toe gebracht,’ riepen ze. ‘Het is jouw schuld! De verwoesting van ons dorp was jouw schuld!’
‘Het was niet mijn bedoeling,’ fluisterde hij terwijl hij op de grond zeeg. ‘Ik wist het niet. Vergeef me.’
Tika baande zich hakkend en stekend een weg door de elfenkrijgers, maar zag ze opeens veranderen in draconen. Hun reptielenogen hadden een rode gloed en ze likten aan hun zwaard. De angst verkilde het barmeisje tot op het bot. Ze struikelde en botste tegen Sturm op. Die draaide zich boos om en beval haar uit de weg te gaan. Toen ze achteruit wankelde, raakte ze Flint. De dwerg duwde haar ongeduldig uit de weg.
Verblind door tranen en overmand door paniek bij de aanblik van de draconen die gewoon herrezen uit hun dode lichaam en zich weer in de strijd stortten, knapte er iets bij Tika. Wild stak ze naar alles wat bewoog.
Pas toen ze opkeek en Raistlin voor zich zag staan in zijn zwarte gewaad, kwam ze tot bezinning. De magiër zei niets, maar wees naar beneden. Aan haar voeten lag Flint, dood, doorboord door haar eigen zwaard.
Ik heb hen hiernaartoe geleid, dacht Flint. Dit is mijn verantwoordelijkheid. Ik ben de oudste. Ik moet ze hier weer uit krijgen.
De dwerg hief zijn strijdbijl en schreeuwde een strijdkreet naar de elfenkrijgers tegenover hem. Maar die lachten hem uit.
Boos stampte Flint op hen af, maar zijn hele lichaam was stijf. Zijn knieën waren gezwollen en deden vreselijk pijn. Zijn knoestige vingers beefden zo hevig dat hij zijn grip op de strijdbijl kwijtraakte. Hij was kortademig. En toen begreep Flint waarom de elfen hem niet aanvielen: ze wachtten gewoon af tot de ouderdom het karwei voor hen had geklaard.
Op het moment dat dat tot hem doordrong, voelde Flint zijn gedachten afdwalen. Zijn zicht werd onscherp. Kloppend op de zak van zijn vest vroeg hij zich af waar hij die vermaledijde bril toch had gelaten. Voor hem doemde een gestalte op, een bekende gestalte. Was het Tika? Zonder zijn bril kon hij het niet zien...
Goudmaan rende tussen de mismaakte, gemartelde bomen door. Moederziel alleen en verdwaald zocht ze wanhopig naar haar vrienden. In de verte hoorde ze Waterwind boven het gerinkel van zwaarden uit haar naam roepen, een roep die opeens overging in een pijnlijk gereutel dat abrupt ophield. In paniek stormde ze verder, zich een weg banend door de bramenstruiken tot haar handen en gezicht bloedden. Eindelijk vond ze Waterwind. De krijger lag op de grond, met vele pijlen in zijn lichaam, pijlen die ze herkende.
Ze knielde naast hem neer. ‘Genees hem, Mishakal,’ bad ze, zoals ze al zo vaak had gebeden.
Maar er gebeurde niets. De kleur keerde niet terug op Waterwinds asgrauwe gezicht. Zijn ogen staarden nog altijd niets ziend naar de groengetinte hemel.
‘Waarom reageert u niet? Genees hem!’ riep Goudmaan tegen de goden. En toen wist ze het. ‘Nee!’ gilde ze. ‘Straf mij! Ik ben degene die heeft getwijfeld! Ik heb Tarsis vernietigd zien worden, kinderen een pijnlijke dood zien sterven! Hoe konden jullie dat toelaten? Ik probeer te geloven, maar als ik dergelijke verschrikkingen zie, slaat de twijfel toe! Straf hem niet.’ Wenend boog ze zich over het levenloze lichaam van haar man. Ze zag de elfenkrijgers niet die haar omsingelden.
Gefascineerd door de wonderen die hem omringden dwaalde Tasselhof van het pad af. Pas na een tijdje ontdekte hij dat zijn vrienden er op de een of andere manier in waren geslaagd hem kwijt te raken. De ondoden vielen hem niet lastig. Zij die zich voedden met angst, vonden die niet in zijn kleine lichaam.
Eindelijk, nadat hij bijna een dag lang had rondgezworven, bereikte de kender de deur van de Sterrentoren. Daar kwam zijn zorgeloze reis abrupt ten einde, want hij had zijn vrienden gevonden. Een van hen althans.
Met haar rug tegen de gesloten deur vocht Tika voor haar leven tegen een bende mismaakte vijanden die rechtstreeks uit een nachtmerrie afkomstig leken. Tas zag dat ze veilig zou zijn als ze de Toren kon binnengaan. Hij rende op haar af, glipte moeiteloos door het strijdgewoel heen en bestudeerde het slot op de deur terwijl Tika wild met haar zwaard om zich heen sloeg om de vijand op afstand te houden.
‘Schiet op, Tas!’ riep ze buiten adem.
Het slot was eenvoudig open te krijgen, en het werd beschermd met zo’n simpele valstrik dat Tas zich afvroeg waarom de elfen zelfs maar de moeite hadden genomen.
‘Als het goed is, heb ik dit slot in een paar tellen open,’ verkondigde hij. Maar net op het moment dat hij aan het werk ging, botste iemand tegen hem aan, waardoor zijn handen weggleden.
‘Hé!’ riep hij geërgerd tegen Tika terwijl hij zich omdraaide. ‘Doe eens een beetje voorzichtig...’ Ontzet hield hij zijn mond. Aan zijn voeten lag Tika, en er sijpelde bloed tussen haar rode krullen door.
‘Nee, niet Tika!’ fluisterde Tas. Misschien was ze alleen maar gewond! Misschien kon iemand haar helpen als hij haar de toren binnen kreeg. Tranen vertroebelden zijn zicht en zijn handen beefden.