Выбрать главу

Ik moet opschieten, dacht Tas paniekerig. Waarom gaat dat ding niet open? Het is hartstikke simpel! Woedend rukte hij aan het slot.

Hij voelde een klein prikje in zijn vinger, op het moment dat het slot klikte. De deur van de Toren zwaaide open. Maar Tasselhof kon slechts staren naar zijn vinger, waar een piepklein druppeltje bloed glinsterde. Hij keek naar het slot en het glanzende gouden naaldje dat er uitstak. Een eenvoudig slot met een simpele valstrik. Hij had ze allebei in werking gezet. Toen de eerste werking van het gif, een afschuwelijke warmte, zich door zijn lichaam begon te verspreiden, keek hij omlaag en zag dat het al te laat was. Tika was dood.

Raistlin en zijn broer liepen tamelijk ongehinderd door het bos. Caramon keek met groeiende verbazing toe hoe Raistlin de boosaardige wezens terugdreef die hen belaagden, soms met ongelooflijke staaltjes toverkunst, soms uitsluitend met zijn wilskracht.

Raistlin was vriendelijk, voorzichtig en zorgzaam. Caramon moest gedurende de dag regelmatig stoppen. Tegen de schemering kon hij slechts met moeite de ene voet voor de andere krijgen, zelfs als hij op zijn broer kon leunen. En hoe meer Caramon verzwakte, des te sterker werd Raistlin.

Eindelijk, toen de nacht viel en een welkom einde maakte aan de afschuwelijke groene dag, bereikte de tweeling de Toren. Daar bleven ze staan. Caramon had koorts en veel pijn.

‘Ik moet rusten, Raist,’ hijgde hij. ‘Laat me even zitten.’

‘Natuurlijk, broer,’ zei Raistlin vriendelijk. Hij hielp Caramon tegen de paarlemoeren muur van de Toren aan te gaan zitten en nam hem vervolgens met een kille glinstering in zijn ogen op.

‘Vaarwel, Caramon,’ zei hij.

Caramon keek zijn tweelingbroer ongelovig aan. In de schaduw van de bomen zag de krijger de ondode elfen, die hen op respectabele afstand hadden gevolgd, maar nu steels dichterbij kwamen omdat ze beseften dat de magiër die hen had afgeweerd op het punt stond weg te gaan.

‘Raist,’ zei Caramon langzaam, ‘je kunt me hier niet achterlaten. Ik kan niet tegen hen vechten. Daar heb ik de kracht niet voor. Ik heb je nodig!’

‘Misschien, maar zie je, broertje, ik heb jou niet meer nodig. Ik heb jouw kracht overgenomen. Nu ben ik eindelijk wat ik van het begin af aan had moeten zijn, ware het niet dat de natuur een wreed grapje met me uithaalde:één complete persoon.’

Terwijl Caramon hem niet-begrijpend aanstaarde, wendde Raistlin zich af.

‘Raist!’

Caramons gekwelde kreet hield Raistlin tegen. Hij bleef staan en keek om naar zijn tweelingbroer. Het enige wat in de diepte van zijn zwarte kap zichtbaar was, waren zijn gouden ogen.

‘Hoe voelt het om zwak en bang te zijn, broer?’ vroeg hij zachtjes. Toen draaide hij zich om en liep naar de deur van de Toren, waar Tas en Tika dood op de grond lagen. Hij stapte over het lichaam van de kender heen en verdween in de duisternis.

Toen ze de Toren bereikten, zagen Sturm, Tanis en Kitiara aan de voet ervan iemand liggen. De spookverschijningen van ondode elfen stonden schreeuwend en krijsend om hem heen en hakten met hun zwaarden op hem in.

‘Caramon!’ riep Tanis terneergeslagen uit.

‘En waar is zijn broer?’ vroeg Sturm met een zijdelingse blik op Kitiara. ‘Die heeft hem ongetwijfeld achtergelaten om te sterven.’

Hoofdschuddend rende Tanis met de anderen op de krijger af om hem te helpen. Met hun zwaarden hielden Sturm en Kitiara de elfen tegen terwijl Tanis naast de dodelijk gewonde krijger neerknielde.

Caramon sloeg zijn glazige ogen op. Hij herkende Tanis nauwelijks door het bloederige waas dat zijn zicht vertroebelde. Hij deed wanhopige pogingen om iets te zeggen.

‘Bescherm Raistlin, Tanis...’— Caramon verslikte zich in zijn eigen bloed — ‘... nu ik er niet meer zal zijn. Houd een oogje op hem.’

‘Een oogje houden op Raistlin!’ antwoordde Tanis woedend. ‘Hij heeft je hier achtergelaten om te sterven!’ Hij nam Caramon in zijn armen.

De krijger sloot vermoeid zijn ogen. ‘Nee, je hebt het mis, Tanis. Ik heb hem weggestuurd...’ Zijn hoofd zakte voorover.

De nacht daalde als een deken op hen neer. De elfen waren verdwenen. Sturm en Kit kwamen naast de dode krijger staan.

‘Wat heb ik je gezegd?’ vroeg Sturm bars.

‘Arme Caramon,’ fluisterde Kitiara terwijl ze zich over hem heen boog. ‘Op de een of andere manier heb ik altijd gedacht dat het zo zou eindigen.’ Ze zweeg even, maar mijmerde toen zachtjes, bijna tegen zichzelf: ‘Dus mijn kleine Raistlin is nu echt machtig geworden.’

‘Ten koste van je broer!’

Kitiara keek Tanis aan alsof ze niet begreep waar hij het over had. Schouderophalend keek ze neer op Caramon, die in een plas van zijn eigen bloed lag. ‘Arme knul,’ zei ze zachtjes.

Sturm bedekte Caramons lichaam met zijn mantel, waarna ze op zoek gingen naar de ingang van de Toren.

‘Tanis...’ zei Sturm wijzend.

‘O nee, niet Tas,’ prevelde Tanis. ‘En Tika.’

Het lichaam van de kender lag vlak achter de deuropening. Zijn kleine ledematen waren verkrampt door de toevallen die het gif had veroorzaakt. Vlak bij hem lag de barmeid. Haar rode krullen waren kleverig van het bloed. Tanis knielde naast hen neer. Een van de tassen van de kender was in zijn doodsstrijd opengegaan, en de inhoud lag over de vloer verspreid. Tanis ving een gouden glinstering op. Hij raapte de door elfen vervaardigde ring in de vorm van een klimopkrans op. Zijn blik vertroebelde toen zijn ogen zich vulden met tranen. Hij sloeg zijn handen voor zijn gezicht.

‘We kunnen niets voor hen doen, Tanis.’ Sturm legde zijn hand op de schouder van zijn vriend. ‘We moeten verder, we moeten hier een eind aan zien te maken. Al bereik ik verder niets, ik zal in elk geval lang genoeg in leven blijven om Raistlin te doden.’

Dood zit tussen de oren. Dit is een droom, herhaalde Tanis bij zichzelf. Maar het was slechts een herinnering aan wat Raistlin had gezegd, en hij had zelf gezien hoe de magiër geworden was.

Ik word wakker, dacht hij terwijl hij al zijn wilskracht aanwendde om te geloven dat het een droom was. Maar toen hij zijn ogen opende, lag het lichaam van de kender nog steeds op de grond.

Met de ring stevig in zijn hand liep Tanis achter Kit en Sturm aan een bedompte, met slijm bedekte marmeren gang in. Aan de muren hingen schilderijen in gouden lijsten. De hoge glas-in-loodramen lieten een luguber, spookachtig licht door. Ooit moest het een prachtige gang zijn geweest, maar nu leken zelfs de schilderijen aan de muur vervormd en verbeeldden ze afgrijselijke doodsvisioenen. Langzaam maar zeker werden de drie metgezellen zich ervan bewust dat er uit een kamer aan het eind van de gang een felgroen licht kwam. Ze konden voelen dat er iets kwaadaardigs besloten lag in die gloed, die met de warmte van een verdorven zon op hun gezicht scheen.

‘Het hart van het kwaad,’ zei Tanis. Zijn hart was vervuld van boosheid — boosheid, verdriet en een brandend verlangen naar wraak. Hij wilde rennen, maar de groengetinte lucht leek hem tegen te houden, zodat elke stap een geweldige krachtsinspanning vergde.

Naast hem wankelde Kitiara. Tanis sloeg zijn arm om haar heen, al had hij nauwelijks genoeg energie om zelf in beweging te blijven. Kits gezicht was nat van het zweet en haar donkere haar krulde op rond haar klamme voorhoofd. Haar ogen waren groot van angst— dit was de eerste keer dat Tanis haar bang zag. Sturms ademhaling kwam met horten en stoten terwijl hij, gehinderd door het gewicht van zijn harnas, voort strompelde.

Eerst leken ze helemaal niet vooruit te komen. Toen drong langzaam tot hen door dat ze wel degelijk stukje bij beetje steeds dichter bij de groenverlichte kamer kwamen. Het felle licht deed nu pijn aan hun ogen, en elke beweging eiste een verschrikkelijke tol. De uitputting kreeg hen in hun greep, hun spieren deden pijn en hun longen brandden.

Juist op het moment dat Tanis dacht dat hij geen stap meer kon verzetten, hoorde hij iemand zijn naam roepen. Hij hief zijn pijnlijke hoofd en zag Laurana voor zich staan met haar elfenzwaard in haar hand. De zwaarte leek op haar helemaal geen effect te hebben, want ze rende met een verheugde kreet op hem af.