‘Tanthalas! Je leeft nog! Ik heb gewacht...’
Ze brak haar zin halverwege af toen ze de vrouw zag om wie Tanis zijn arm heen had geslagen.
‘Wie...’ begon Laurana, maar opeens wist ze het. Dit was de mensenvrouw Kitiara. De vrouw van wie Tanis hield. Laurana’s gezicht werd eerst rood, toen wit.
‘Laurana...’ begon Tanis, overweldigd door verwarring en schuldgevoel, woedend op zichzelf omdat hij haar had gekwetst.
‘Tanis! Sturm!’ riep Kitiara wijzend.
Geschrokken door de angst in haar stem draaiden ze zich om en staarden naar de andere kant van de groenverlichte marmeren gang.
‘Drakus Tsaro, deghnyah!’zei Sturm gedragen in het Solamnisch.
Aan het eind van de gang wachtte een reusachtige groene draak. Zijn naam was Cyaan Bloednagel, en hij was een van de grootste draken op Krynn. Alleen de Grote Rode Draak zelf deed niet voor hem onder. Hij had zijn kop door de deuropening gestoken, en zijn reusachtige lijf hield het verblindende groene licht tegen. Cyaan rook staal, mensenvlees en elfenbloed. Met zijn vurige ogen tuurde hij naar het groepje.
Ze konden zich niet verroeren. In de greep van de drakenvrees konden ze alleen maar werkeloos toezien hoe de draak dwars door de marmeren muur heen liep, alsof het slechts gebakken leem was. Met gapende muil sloop Cyaan door de gang op hen af.
Ze konden niets doen. Hun wapens hingen slapjes in hun krachteloze handen. Ze dachten slechts aan de dood. Maar terwijl de draak naderde, kwam er een donkere gestalte uit de diepe schaduw van een andere, niet zichtbare deuropening. Met zijn gezicht naar hen toe gekeerd kwam hij voor hen staan.
‘Raistlin!’ zei Sturm zachtjes. ‘Bij alle goden, je zult boeten voor de dood van je broer!’
De draak was vergeten. Sturm zag alleen nog het levenloze lichaam van Caramon voor zich toen hij met zijn zwaard geheven op de magiër afsprong. Raistlin keek hem slechts met kille ogen aan.
‘Als je mij doodt, ridder, zijn jij en de anderen tot sterven gedoemd, want met mijn magie, en met mijn magie alleen, kan Cyaan Bloednagel worden verslagen.’
‘Sturm, stop!’ Hoewel zijn ziel vervuld was van walging wist Tanis dat de magiër gelijk had. Hij kon Raistlins macht voelen, want die hing als een aura om hem heen. ‘We hebben zijn hulp nodig.’
‘Nee,’ zei Sturm hoofdschuddend. Hij deinsde terug toen Raistlin de groep naderde. ‘Ik heb het al eerder gezegd. Ik weiger op zijn bescherming te vertrouwen. Nu niet meer. Vaarwel, Tanis.’
Voordat iemand hem kon tegenhouden, liep Sturm langs Raistlin heen op Cyaan Bloednagel af. De grote draak wiegde gretig zijn kop heen en weer in afwachting van de eerste die het waagde hem uit te dagen sinds hij Silvanesti had veroverd.
Tanis greep Raistlin vast. ‘Doe iets!’
‘De ridder loopt in de weg. Als ik nu een betovering uitspreek, wordt hij ook vernietigd,’ antwoordde de magiër.
‘Sturm!’ schreeuwde Tanis. Zijn kreet galmde mistroostig na.
De ridder aarzelde. Hij luisterde, maar niet naar Tanis. Wat hij hoorde was het heldere geschal van een trompet, een klank zo kil als de lucht in de met sneeuw bedekte bergen van zijn vaderland. De zuivere, heldere roep van de trompet steeg moedig boven dood, duisternis en wanhoop uit en raakte zijn hart.
Sturm beantwoordde de trompet met een opgetogen strijdkreet. Hij hief zijn zwaard, het zwaard van zijn vader met de ijsvogel en de roos erin gegraveerd. Het zilveren maanlicht dat door een kapot raam naar binnen kwam, schonk het zwaard een zuiver witte glans die de verderfelijke groene gloed verdreef.
Opnieuw klonk de trompet, en opnieuw antwoordde Sturm, maar deze keer haperde zijn stem, want het geschal dat hij hoorde, was opeens anders. Het was niet langer zuiver en mooi, het was een schel, krassend geschetter.
Nee, dacht Sturm vol afschuw toen hij de draak naderde. Dat waren de trompetten van de vijand! Hij was in de val gelokt! Overal om zich heen zag hij nu draconensoldaten die achter de draak vandaan kropen en hem wreed uitlachten om zijn goedgelovigheid.
Sturm bleef staan en omklemde zijn zwaard met een hand die zweette in zijn handschoen. De draak torende dreigend boven hem uit, een onverslaanbaar wezen, omringd door een leger volgelingen. Hij kwijlde en likte zijn lippen met zijn gekrulde tong.
De angst sloeg Sturm om het hart. Zijn huid werd koud en klam. Het trompetgeschal klonk voor de derde keer, lelijk en kwaadaardig. Het was allemaal voorbij. Het was allemaal voor niets geweest. Hem wachtte slechts de dood, een roemloze nederlaag. In de greep van wanhoop keek hij om zich heen. Waar was Tanis? Hij had Tanis nodig, maar hij kon hem niet vinden. Verwoed herhaalde hij de erecode van de ridders: ‘Mijn eer is mijn leven.’ Maar de woorden klonken hem hol en betekenisloos in de oren. Hij was geen ridder. Wat kon hem de erecode schelen? Zijn leven was een leugen! Sturms zwaardarm beefde en viel toen krachteloos langs zijn zij; zijn zwaard viel uit zijn hand en hij liet zich bevend en huilend als een kind op zijn knieën zakken met zijn hoofd omlaag, zodat hij de verschrikking niet hoefde te zien die op hem wachtte.
Metéén haal van zijn poot maakte Cyaan Bloednagel een eind aan Sturms leven door hem aan een bebloede klauw te rijgen. Minachtend schudde Cyaan het armzalige mensje van zich af terwijl de draconen krijsend op het nog warme lichaam van de ridder afstormden, vastbesloten om het aan stukken te hakken.
Ze stuitten echter op een obstakel. Een gestalte, gehuld in de zilveren gloed van het maanlicht, rende op de ridder af. Snel bukte Laurana om Sturms zwaard te pakken. Toen rechtte ze haar rug en draaide zich om naar de draconen.
‘Als je hem aanraakt, ben je dood,’ zei ze door haar tranen heen.
‘Laurana!’ gilde Tanis, en hij wilde haar te hulp schieten, maar de draconen stortten zich op hem. Wanhopig haalde hij naar hen uit terwijl hij probeerde de elfenmaagd te bereiken. Juist toen hij zijn doel had bereikt, hoorde hij Kitiara zijn naam roepen. Hij draaide zich met een ruk om en zag dat ze door vier draconen achteruit werd gedreven. De halfelf bleef staan, gekweld door besluiteloosheid, en op dat moment viel Laurana dwars over Sturms lichaam heen, geveld door draconenzwaarden.
‘Nee! Laurana!’ schreeuwde Tanis. Hij wilde naar haar toe gaan, maar hoorde toen Kitiara weer roepen. Opnieuw draaide hij zich om. Met zijn handen op zijn hoofd bleef hij weifelend en hulpeloos staan, gedwongen toe te kijken hoe Kitiara het onderspit moest delven.
De halfelf snikte het uit. Hij voelde dat de krankzinnigheid op de loer lag en verlangde ernaar dat de dood een eind zou maken aan deze pijn. Met het magische zwaard van Kith-Kanan in zijn handen rende hij op de draak af, met in zijn hoofd slechtséén gedachte: dat hij wilde doden en sterven.
Raistlin versperde hem echter de weg. Als een zwarte obelisk stond de magiër voor de draak.
Tanis liet zich vallen, wetend dat hij onherroepelijk zou sterven. Met de gouden ring stevig in zijn hand wachtte hij op de dood.
Toen hoorde hij de magiër vreemde, machtige woorden uitspreken. Hij hoorde de draak brullen van woede. De twee vochten, maar het kon Tanis niets schelen. Met zijn ogen stevig dicht sloot hij zich af voor de geluiden om zich heen, sloot hij zich af voor het leven. Slechts één ding was nog echt: de gouden ring die hij omklemde.
Opeens werd Tanis zich intens bewust van de ring die in zijn handpalm drukte. Het metaal was koel, de randen waren ruw. Hij voelde de klimopblaadjes in zijn huid drukken.
Tanis kneep zijn hand dicht. De ring drukte hard en pijnlijk in zijn huid. Pijn... echte pijn...
Ik droom!
Tanis opende zijn ogen. Het zilveren licht van Solinari vulde de Toren en vermengde zich met de rode maanstralen van Lunitari. Hij lag op een koude, marmeren vloer. Zijn hand was tot een vuist gebald, zo stevig dat de pijn hem had doen ontwaken. Pijn. De ring. De droom. Zodra hij zich de droom herinnerde, kwam Tanis doodsbang overeind en keek om zich heen. Maar de gang was leeg, afgezien vanéén iemand. Raistlin hing zwakjes tegen de muur te hoesten.