Выбрать главу

De halfelf kwam wankel overeind en strompelde op Raistlin af. Toen hij vlakbij was, zag hij het bloed op de lippen van de magiër. Het glansde in het licht van Lunitari, en was net zo rood als het gewaad dat Raistlins frêle, rillende lichaam bedekte.

De droom.

Tanis opende zijn hand. Die was leeg.

11

Het einde van de droom. Het begin van de nachtmerrie.

Tanis keek om zich heen in de gang. Die was al net zo leeg als zijn hand. De lichamen van zijn vrienden waren weg. De draak was verdwenen. De wind waaide door een kapotte muur naar binnen, deed Raistlins rode gewaad om hem heen klapperen en verspreidde dode espenblaadjes over de vloer. De halfelf liep naar Raistlin toe, net op tijd om hem op te vangen toen hij in elkaar zakte.

‘Waar zijn ze?’ vroeg Tanis terwijl hij de magiër heen en weer schudde. ‘Laurana? Sturm? En de anderen? Je broer? Zijn ze dood?’ Hij keek vluchtig om. ‘En de draak...’

‘De draak is weg. De bol heeft hem weggestuurd toen hij besefte dat hij mij niet kon verslaan.’ Hij duwde Tanis van zich af en bleef ineengedoken tegen de marmeren muur staan. ‘Hij kon me niet verslaan zoals ik was. Nu zou een kind het nog van me winnen,’ zei hij verbitterd. ‘En wat de anderen betreft...’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik weet het niet.’ Hij richtte zijn vreemde ogen op Tanis. ‘Jij hebt het overleefd, halfelf, omdat je liefde je kracht gaf. Ik ben in leven gebleven dankzij mijn ambitie. Te midden van de nachtmerrie hebben we ons vastgeklampt aan de werkelijkheid. Wie zal zeggen hoe het de anderen is vergaan?’

‘Dan moet Caramon nog leven,’ zei Tanis. ‘Dankzij zijn liefde. Met zijn laatste adem smeekte hij me jou te sparen. Vertel eens, magiër, is de toekomst die we volgens jou hebben gezien onomkeerbaar?’

‘Waarom vraag je dat?’ vroeg Raistlin. ‘Zou je me doden, Tanis? Nu meteen?’

‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Tanis zachtjes, denkend aan Caramons laatste woorden. ‘Misschien.’

Raistlin glimlachte bitter. ‘Spaar je energie,’ zei hij. ‘De toekomst verandert waar we bij staan, anders zijn we slechts schaakstukken op het bord van de goden in plaats van hun erfgenamen, zoals ons is beloofd. Maar’ — de magiër duwde zich af van de muur — ‘dit is nog lang niet voorbij. We moeten Lorac vinden, en de drakenbol.’

Zwaar leunend op de Staf van Magius, waarvan het kristal eindelijk de duisternis verdreef nu het groene licht was gedoofd, schuifelde Raistlin de gang door.

Groen licht. Tanis bleef, overmand door verwarring, staan waar hij stond. Hij probeerde wakker te worden, de droom te scheiden van de realiteit, want de droom had veel echter geleken dan dit alles. Hij staarde naar de verwoeste muur. Er was toch een draak geweest? En een verblindend groen licht aan het eind van de gang? Maar het was nu donker in de gang. De nacht was gevallen. Het was avond geweest toen ze op weg waren gegaan. De manen stonden toen niet eens aan de hemel, maar nu waren ze vol. Hoeveel nachten waren er verstreken? Hoeveel dagen?

Toen hoorde Tanis achter zich, vlak bij de buitendeur, een diepe stem.

‘Raist!’

De magiër bleef met hangende schouders staan. Toen draaide hij zich langzaam om. ‘Mijn broer,’ fluisterde hij.

Springlevend en op het oog ongedeerd stond Caramon in de deuropening, een silhouet tegen de met sterren bezaaide hemel. Hij staarde zijn tweelingbroer aan.

Tanis hoorde Raistlin zachtjes zuchten.

‘Ik ben moe, Caramon.’ De magiër hoestte en ademde piepend in. ‘En er is nog veel te doen voordat deze nachtmerrie voorbij is, voordat de drie manen ondergaan.’ Raistlin stak zijn magere arm uit. ‘Ik heb je hulp nodig, broer.’

Tanis hoorde Caramon snikken en beverig uitademen. De grote man rende de gang in. Zijn zwaard rammelde tegen zijn bovenbeen. Zodra hij zijn broer had bereikt, sloeg hij een arm om hem heen.

Raistlin leunde op Caramons sterke arm. Samen liep de tweeling door de koude gang en de verwoeste muur naar het vertrek waar Tanis het groene licht en de draak had gezien. Een onheilspellend gevoel bekroop hem toen hij achter hen aan liep.

De drie mannen betraden de audiëntiezaal van de Sterrentoren. Tanis bekeek hem nieuwsgierig. Zijn hele leven lang had hij verhalen gehoord over de schoonheid ervan. De Zonnentoren in Qualinost was gebouwd als herinnering aan deze Sterrentoren. De twee leken op elkaar, maar ook weer niet. De ene was gevuld met licht, de andere met duisternis. Hij keek om zich heen. De Toren verrees boven hem in een spiraal van marmer dat een paarlemoeren gloed had. Hij was gebouwd om maanlicht te verzamelen, zoals de Zonnentoren zonlicht verzamelde. De ramen in de muren waren in facetten geslepen en ingelegd met edelstenen die het licht van de twee manen, Solinari en Lunitari, vingen en versterkten, zodat er rode en zilveren manenstralen door het vertrek dansten. Nu waren de edelstenen echter stuk. Het maanlicht dat naar binnen scheen was vervormd. Het zilver leek het bleke wit van een lijk en het rood leek wel bloed.

Huiverend keek Tanis naar de top. In Qualinost was het plafond beschilderd met afbeeldingen van de zon, de sterrenbeelden en de twee manen. Maar hier zat er alleen een gat in de top van de Toren. Door dat gat zag hij slechts een zwarte leegte. Er glinsterden geen sterren. Het was alsof er een volmaakt rond, zwart vlak in de met sterren bezaaide duisternis was ontstaan. Voordat hij kon nadenken over wat dat kon betekenen, hoorde hij Raistlin iets zeggen.

Daar, in de schaduw voor in de audiëntiezaal, zat Alhana’s vader Lorac, de elfenkoning. Zijn uitgeteerde, skeletachtige lichaam verdween bijna in de enorme stenen troon met fantasievol uitgesneden vogels en dieren. Ooit moest hij mooi zijn geweest, maar nu hadden de dieren schedels in plaats van koppen.

Lorac zat doodstil met zijn hoofd in zijn nek en zijn mond opengesperd in een geluidloze gil. Zijn hand rustte op een ronde kristallen bol.

‘Leeft hij nog?’ vroeg Tanis geschokt.

‘Ja,’ zei Raistlin, ‘ongetwijfeld tot zijn grote verdriet.’

‘Wat is er met hem aan de hand?’

‘Hij leeft in een nachtmerrie,’ antwoordde Raistlin. Hij wees naar Loracs hand. ‘Dat is de drakenbol. Kennelijk probeerde hij hem aan zich te onderwerpen, alleen was hij niet sterk genoeg, dus heeft de bol hem aan zich onderworpen. De bol heeft Cyaan Bloednagel opgeroepen om Silvanesti te bewaken, en de draak heeft besloten het land te vernietigen door nachtmerries in Loracs oor te fluisteren. Lorac geloofde zo sterk in de nachtmerrie en hij voelde zo sterk mee met zijn land, dat de nachtmerrie werkelijkheid werd. Het was dus zijn droom die we meemaakten toen we de grens overstaken. Zijn droom, en die van ons. Want ook wij raakten in de ban van de draak zodra we Silvanesti binnengingen.’

‘Je wist dat dit ons te wachten stond!’ zei Tanis beschuldigend. Hij greep Raistlin bij zijn schouder en draaide hem ruw naar zich toe. ‘Je wist waar we in verzeild zouden raken, daar aan de oever van de rivier...’

‘Tanis,’ zei Caramon waarschuwend terwijl hij de hand van de halfelf weghaalde, ‘laat hem met rust.’

‘Misschien,’ zei Raistlin. Met samengeknepen ogen wreef hij over zijn schouder. ‘En misschien ook niet. Ik hoef jou niet te vertellen wat ik weet en waar mijn kennis vandaan komt.’

Voordat Tanis antwoord kon geven, hoorde hij gekreun. Het klonk alsof het van de voet van de troon afkomstig was. Met een boze blik keerde hij Raistlin de rug toe en staarde naar de schaduw. Voorzichtig naderde hij, met getrokken zwaard.

‘Alhana!’

De elfenmaagd zat op haar hurken aan de voeten van haar vader, met haar hoofd op zijn schoot te huilen. Ze leek Tanis niet te horen. Hij liep op haar af. ‘Alhana,’ zei hij zachtjes.

Ze keek naar hem op, maar herkende hem niet.

‘Alhana,’ zei hij nogmaals.

Ze knipperde met haar ogen, rilde en greep toen zijn hand vast alsof ze zich wilde vastklampen aan de werkelijkheid.

‘Half... elf!’ fluisterde ze.