‘Hoe ben je hier terechtgekomen? Wat is er gebeurd?’
‘Ik hoorde de magiër zeggen dat het een droom was,’ antwoordde Alhana, huiverend bij de herinnering, ‘en ik... ik weigerde in die droom te geloven. Toen werd ik wakker, maar de nachtmerrie bleek werkelijkheid te zijn. Mijn prachtige land, vol met verschrikkingen!’ Ze verborg haar gezicht in haar handen. Tanis knielde naast haar neer en hield haar dicht tegen zich aan.
‘Ik ben hiernaartoe getrokken. Ik heb er... dagen over gedaan. Dwars door de nachtmerrie heen.’ Ze omklemde Tanis. ‘Toen ik de Toren binnenkwam, betrapte de draak me. Hij heeft me hiernaartoe gebracht, naar mijn vader, met het idee om hem zover te krijgen dat hij mij zou vermoorden. Maar zelfs in zijn nachtmerrie kon hij zijn eigen kind niets aandoen. Daarom martelde Cyaan hem met visioenen over wat hij met mij zou doen.’
‘En jij? Heb jij ze ook gezien?’ fluisterde Tanis. Hij streek troostend over Alhana’s lange, donkere haar.
Na een tijdje zei Alhana: ‘Het viel wel mee. Ik wist dat het maar een droom was. Maar voor mijn arme vader was het werkelijk...’ Ze begon te snikken.
De halfelf gebaarde naar Caramon. ‘Breng Alhana naar een kamer waar ze even kan gaan liggen. We zullen doen wat we kunnen voor haar vader.’
‘Ik red het wel, broer,’ zei Raistlin als antwoord op Caramons bezorgde blik. ‘Doe wat Tanis zegt.’
‘Kom, Alhana,’ spoorde Tanis haar aan terwijl hij haar overeind hielp. Ze wankelde van vermoeidheid. ‘Is er een plek waar je kunt rusten? Je zult al je energie nodig hebben.’
In eerste instantie wilde ze protesteren, maar toen besefte ze hoe verzwakt ze was. ‘Breng me naar de kamer van mijn vader,’ zei ze. ‘Ik wijs de weg wel.’ Caramon sloeg zijn arm om haar heen, en langzaam liepen ze de zaal uit.
Tanis draaide zich weer om naar Lorac. Raistlin stond voor de elfenkoning. Tanis hoorde de magiër zachtjes in zichzelf praten.
‘Wat is er?’ vroeg de halfelf zachtjes. ‘Is hij dood?’
‘Wie?’ Raistlin schrok op, knipperend met zijn ogen. ‘O, Lorac? Nee, volgens mij niet. Nog niet.’
Tanis besefte dat de magiër naar de drakenbol had staan staren.
‘Heeft de bol nog steeds de controle?’ vroeg Tanis nerveus, zijn blik gericht op het voorwerp waarvoor ze zoveel hadden moeten doorstaan.
De drakenbol was een enorm kristal van zeker vierentwintig duim in doorsnee. Hij stond op een gouden standaard die bedekt was met afschuwelijke versieringen waarin het mismaakte, gekwelde leven van Silvanesti werd weerspiegeld. Die bol moest de bron zijn geweest van het felgroene licht, maar nu was er nog slechts een vage, kloppende gloed te zien in het hart ervan.
Raistlins handen zweefden boven de bol, maar Tanis zag dat hij goed oppaste hem niet aan te raken terwijl hij de ijle woorden van de magie sprak. Een vage, rode aura lichtte op rond de bol. Tanis deinsde terug.
‘Vrees niet,’ fluisterde Raistlin, die toekeek terwijl de aura wegstierf. ‘Dat was mijn spreuk. De bol is nog steeds betoverd. De magie is niet gedoofd toen de draak vertrok, zoals ik had gehoopt. Maar hij heeft nog steeds de controle.’
‘Over Lorac?’
‘Over zichzelf. Hij heeft Lorac laten gaan.’
‘Heb jij dat gedaan?’ mompelde Tanis. ‘Heb jij hem verslagen?’
‘De bol is niet verslagen!’ antwoordde Raistlin scherp. ‘Met wat hulp ben ik erin geslaagd de draak te verslaan. Toen hij besefte dat Cyaan Bloednagel aan de verliezende hand was, heeft de bol hem weggestuurd. Hij heeft Lorac laten gaan omdat die voor hem geen nut meer had. Maar de bol is nog altijd zeer machtig.’
‘Raistlin, vertel eens—’
‘Meer heb ik niet te zeggen, Tanis.’ De jonge magiër hoestte. ‘Ik moet mijn energie sparen.’
Van wie had Raistlin hulp gekregen? Wat wist hij nog meer over die bol? Tanis opende zijn mond om door te vragen, maar toen zag hij de schittering in Raistlins ogen en deed er het zwijgen toe.
We kunnen Lorac nu bevrijden,’ voegde Raistlin eraan toe. Hij liep op de elfenkoning af, haalde voorzichtig diens hand van de drakenbol en drukte toen zijn vingers tegen Loracs hals. ‘Hij leeft nog. Voorlopig, althans. Zijn hartslag is zwak. Je kunt wel dichterbij komen.’
Maar Tanis bleef op afstand en hield de drakenbol behoedzaam in de gaten. Raistlin wierp de halfelf een geamuseerde blik toe en wenkte hem toen.
Met tegenzin kwam Tanis dichterbij. ‘Vertel me nogéén ding. Hebben we nog iets aan de drakenbol?’
Een hele tijd bleef Raistlin stil. Toen zei hij heel zachtjes: ‘Ja, als we de moed hebben.’
Lorac haalde beverig adem en begon toen te gillen, een ijl, jammerend gekrijs dat afschuwelijk was om aan te horen. Zijn handen, niet meer dan levende, skeletachtige klauwen, bewogen krampachtig. Zijn ogen waren stijf dichtgeknepen. Tevergeefs probeerde Tanis hem tot bedaren te brengen. Lorac gilde tot hij geen adem meer had, en toen gilde hij geluidloos verder.
‘Vader!’ hoorde Tanis Alhana roepen. Ze verscheen weer in de deuropening van de audiëntiezaal en duwde Caramon van zich af, zodat ze naar haar vader toe kon rennen. Ze pakte zijn benige handen vast, kuste ze en smeekte hem huilend om stil te zijn.
‘Rust nu maar, vader,’ zei ze keer op keer. ‘De nachtmerrie is voorbij. De draak is weg. Je kunt slapen, vader.’
De man bleef echter krijsen.
‘In de naam van de goden!’ zei Caramon, die met een bleek gezicht op hen afkwam. ‘Dit kan ik niet lang verdragen.’
‘Vader!’ smeekte Alhana. Keer op keer riep ze hem, en langzaam maar zeker drong haar geliefde stem door tot de vreselijke dromen die in Loracs gekwelde geest waren blijven hangen. Langzaam ging het gegil over in ontzet gejammer. Toen, alsof hij bang was voor wat hij te zien zou krijgen, opende hij behoedzaam zijn ogen.
‘Alhana, mijn kind. Je leeft!’ Hij hief een bevende hand op om haar wang aan te raken. ‘Dat kan niet! Ik heb je zien sterven, Alhana. Ik heb je honderd keer zien sterven, op de meest afschuwelijke manieren. Hij heeft je vermoord, Alhana. Hij wilde dat ik je zou doden, maar dat kon ik niet. Al weet ik niet waarom, want ik heb velen gedood.’ Zijn blik viel op Tanis, en hij sperde zijn ogen open. De haat spatte er af.
‘Jij!’ grauwde Lorac terwijl hij met zijn knoestige handen de armleuningen van zijn troon omklemde zodat hij overeind kon komen. ‘De halfelf! Ik heb je vermoord, of dat in elk geval geprobeerd. Ik moet Silvanesti beschermen! Ik heb je gedood! En iedereen die bij je was!’ Zodra hij Raistlin zag, maakte de hatelijke blik plaats voor angst. Bevend deinsde hij terug voor de magiër. ‘Maar jou, jou kon ik niet doden.’
Loracs van angst vertrokken gezicht straalde nu verwarring uit. ‘Nee,’ zei hij. ‘Jij bent niet dezelfde. Jouw gewaad is niet zwart! Wie ben jij?’ Hij richtte zich weer tot Tanis. ‘En jij? Ben jij dan geen bedreiging? Wat heb ik gedaan?’ kreunde hij.
‘Niet doen, vader,’ smeekte Alhana. Ze streek sussend over zijn koortsige gezicht. ‘Je moet nu rusten. De nachtmerrie is voorbij. Silvanesti is veilig.’
Caramon tilde Lorac in zijn sterke armen op en droeg hem naar zijn vertrekken. Alhana liep met hen mee, met de hand van haar vader stevig in de hare.
Veilig, dacht Tanis met een blik door de ramen op de mismaakte bomen. Hoewel de ondode elfenkrijgers niet langer het woud onveilig maakten, leefden de verwrongen beelden die Lorac in zijn nachtmerrie had gecreëerd gewoon door. De bomen kronkelden nog altijd gekweld en weenden nog steeds bloed. Wie zal hier nu nog willen wonen, vroeg Tanis zich bedroefd af. De elfen zullen niet terugkeren. Kwade wezens zullen naar dit duistere woud trekken, en zo zal Loracs nachtmerrie alsnog werkelijkheid worden.
Denkend aan het afgrijselijke bos vroeg Tanis zich opeens af waar zijn andere vrienden waren. Ging het wel goed met hen? Stel dat ze de nachtmerrie hadden geloofd, zoals Raistlin zei? Zouden ze dan echt gestorven zijn? De moed zonk hem in de schoenen toen hij besefte dat hij terug zou moeten naar het krankzinnige woud om hen te zoeken.
Juist op het moment dat Tanis zijn vermoeide lijf wilde dwingen in beweging te komen, kwamen zijn vrienden het vertrek binnen.