Выбрать главу

‘Ik heb hem gedood!’ riep Tika zodra ze Tanis zag. Haar ogen waren groot van verdriet en doodsangst. ‘Nee! Raak me niet aan, Tanis. Je weet niet wat ik heb gedaan. Ik heb Flint gedood! Maar het was niet mijn bedoeling, Tanis, dat zweer ik.’

Toen Caramon weer binnenkwam, wendde Tika zich snikkend tot hem. ‘Ik heb Flint vermoord, Caramon. Blijf bij me uit de buurt!’

‘Sst,’ zei Caramon. Teder nam hij haar in zijn armen. ‘Het was een droom, Tika. Dat zegt Raist. De dwerg was hier niet eens. Sst.’ Hij streelde Tika’s rode krullen en kuste haar. Troost zoekend bij elkaar klemden ze zich aan elkaar vast. Langzaam maar zeker werd Tika’s gesnik minder.

‘Mijn vriend,’ zei Goudmaan. Ze strekte haar armen naar Tanis uit en omhelsde hem.

De halfelf hield haar stevig vast, geschrokken van haar ernstige, sombere gezicht, en keek Waterwind vragend aan. Wat hadden zij gedroomd? Maar de Vlakteman schudde slechts zijn hoofd. Ook zijn gezicht was bleek en droevig.

Tanis besefte dat ze allemaal hun eigen nachtmerrie hadden beleefd, en opeens moest hij aan Kitiara denken. Wat had ze echt geleken! En Laurana, die stierf. Hij sloot zijn ogen en legde zijn wang tegen Goudmaans hoofd. Hij voelde dat Waterwind zijn armen om hen beiden heen sloeg. Hun liefde was als een zegening. De verschrikkingen van de droom begonnen te vervagen.

Toen kwam er een angstaanjagende gedachte hij hem op. Loracs droom dreigde werkelijkheid te worden. Zou hetzelfde gebeuren met hun nachtmerries?

Achter zich hoorde Tanis Raistlin hoesten. Met zijn hand op zijn borst gedrukt liet de magiër zich op het trapje naar Loracs troon zakken. Caramon, die nog steeds Tika in zijn armen hield, wierp zijn broer een bezorgde blik toe, maar Raistlin negeerde hem. Hij sloeg zijn gewaad om zich heen, ging op de koude vloer liggen en sloot uitgeput zijn ogen.

Zuchtend drukte Caramon Tika nog steviger tegen zich aan. Tanis zag haar kleine schaduw versmelten met die van Caramon. Ze vormden slechts een vage contour in de vervormde zilveren en rode manenstralen.

We moeten allemaal slapen, dacht Tanis, wrijvend in zijn brandende ogen. Maar hoe? Hoe kunnen we ooit nog slapen?

12

Gedeelde visioenen. De dood van Lorac.

Uiteindelijk vielen ze toch allemaal in slaap. Ze waren zo dicht mogelijk bij elkaar gaan liggen op de stenen vloer van de Sterrentoren. En terwijl zij sliepen, ontwaakten anderen, in een koud en vijandig land ver van Silvanesti.

Laurana werd als eerste wakker. Met een kreet kwam ze uit een diepe slaap, en aanvankelijk had ze geen idee waar ze was. Ze riepéén woord: ‘Silvanesti!’

Toen Flint bevend wakker werd, ontdekte hij dat hij zijn vingers gewoon kon bewegen en dat de pijn in zijn benen niet erger was dan anders.

Sturm schrok in paniek wakker. Bevend van angst kon hij eerst alleen maar ineen gedoken onder zijn deken blijven zitten. Toen hoorde hij iets buiten zijn tent. Hij schoot overeind, sloop met zijn zwaard in de hand naar de ingang van de tent en gooide de flap open.

‘O!’ zei Laurana geschrokken toen ze zijn afgetobde gezicht zag.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Sturm. ‘Het was niet mijn bedoeling om...’ Toen zag hij dat ze zo vreselijk beefde dat ze haar kaars nauwelijks kon vasthouden. ‘Wat is er?’ vroeg hij bezorgd terwijl hij haar zijn warme tent introk.

‘Ik... ik weet hoe dwaas het klinkt,’ zei Laurana blozend, ‘maar ik had een vreselijk enge droom en toen kon ik niet meer slapen.’

Huiverend liet ze zich door Sturm de tent inleiden. Het vlammetje van haar kaars wierp bewegende schaduwen op het doek. Bang dat ze hem zou laten vallen nam Sturm de kaars van haar over.

‘Ik wilde je niet wakker maken, maar ik hoorde je schreeuwen. En mijn droom was ontzettend realistisch! Jij kwam er ook in voor... Ik zag hoe je...’

‘Hoe ziet Silvanesti eruit?’ viel Sturm haar abrupt in de rede.

Laurana staarde hem aan. ‘Daar waren we in mijn droom! Waarom vraag je dat? Tenzij... jij ook over Silvanesti hebt gedroomd.’

Knikkend sloeg Sturm zijn mantel om zich heen. ‘Ik...’ begon hij, maar toen hoorde hij opnieuw geluid buiten de tent. Deze keer deed hij gewoon de flap open. ‘Kom binnen, Flint,’ zei hij vermoeid.

De dwerg kwam stampend met zijn voeten en met een rood gezicht binnen. Hij leek zich echter te generen toen hij zag dat Laurana er ook was, en hij bleef stamelen en met zijn voeten stampen tot ze naar hem glimlachte.

‘We weten het al,’ zei ze. ‘Je hebt eng gedroomd. Over Silvanesti.’

Flint kuchte, schraapte zijn keel en veegde zijn gezicht af. ‘Kennelijk ben ik niet de enige,’ zei hij terwijl hij de andere twee van onder zijn borstelige wenkbrauwen opnam. ‘Dan willen jullie zeker weten... wat ik heb gedroomd?’

‘Nee!’ zei Sturm gehaast en met een bleek gezicht. ‘Nee, ik wil er niet over praten. Nooit!’

‘Ik ook niet,’ zei Laurana zachtjes.

Aarzelend gaf Flint haar een klopje op haar schouder. ‘Daar ben ik blij om,’ zei hij bars. ‘Ik kan er ook niet over praten. Ik wilde alleen even controleren of het echt een droom was. Het leek zo realistisch dat ik bijna verwachtte dat jullie allebei...’

De dwerg zweeg. Buiten klonk geritsel, en een tel later kwam een opgewonden Tasselhof door de flap naar binnen.

‘Hoorde ik jullie iets zeggen over een droom? Ik droom nooit, tenminste, niet dat ik me kan herinneren. Kenders dromen sowieso niet veel. Of misschien ook wel. Zelfs dieren dromen immers, maar...’ Hij zag Flint naar hem kijken en keerde haastig terug naar het oorspronkelijke onderwerp. ‘Nou, ik heb fantastisch gedroomd! Over bomen die bloed weenden. Over afschuwelijke, dode elfen die iedereen vermoordden die ze tegenkwamen. Over Raistlin die een zwart gewaad droeg. Het was ongelooflijk! En jullie waren er ook, Sturm, Laurana en Flint. En iedereen ging dood! Nou ja, bijna iedereen. Raistlin niet. En er was een groene draak...’

Tasselhof zweeg. Wat was er toch met zijn vrienden? Hun gezichten waren lijkbleek en hun ogen zo groot als schoteltjes. ‘G-groene draak,’ stamelde hij. ‘Raistlin in het zwart. Had ik dat al gezegd? Het stond hem eigenlijk best goed. Door dat rood lijkt het net of hij geelzucht heeft, als je begrijpt wat ik bedoel. Niet dus. Nou, dan g-ga ik maar weer naar bed. Tenzij jullie nog meer willen horen?’ Hij keek hoopvol om zich heen. Niemand gaf antwoord.

‘Nou, welterusten dan maar,’ mompelde hij. Haastig liep hij achteruit de tent weer uit en ging hoofdschuddend terug naar zijn bed, in opperste staat van verwarring. Wat had iedereen toch? Het was immers maar een droom...

Een hele tijd zei niemand iets. Toen slaakte Flint een diepe zucht.

‘Ik vind het niet erg om een nachtmerrie te hebben,’ zei hij stug. ‘Maar ik wil hem liever niet met een kender hoeven delen. Hoe denk je dat het komt dat we allemaal hetzelfde hebben gedroomd? En wat zou het betekenen?’

‘Een vreemd land, Silvanesti,’ zei Laurana. Ze pakte haar kaars en wilde weggaan, maar ze keek nog even achterom. ‘Denk je... denk je dat het echt was? Zijn ze gestorven, zoals we zagen?’ Was Tanis bij die mensenvrouw, dacht ze, maar dat vroeg ze niet hardop.

‘Wij zijn er nog,’ zei Sturm. ‘En we zijn niet dood. We kunnen alleen maar hopen dat de anderen ook nog leven. En’ — hij zweeg even — ‘dit klinkt misschien raar, maar op de een of andere manier wéét ik gewoon dat ze niets mankeren.’

Laurana keek de ridder strak aan en zag de kalmte op zijn ernstige gezicht nu de eerste schrik en afschuw waren weggetrokken. Onwillekeurig ontspande ze zich. Ze pakte Sturms sterke, slanke hand vast en gaf er een kneepje in. Toen draaide ze zich om en verruilde de tent voor de door sterren verlichte nacht.

Ook de dwerg stond op. ‘Nou, een goede nachtrust kan ik wel vergeten. Ik ga wel de wacht houden.’

‘Ik hou je gezelschap,’ zei Sturm. Hij stond op en gespte zijn zwaard om.

‘We zullen het wel nooit weten,’ zei Flint, ‘hoe het komt dat we dezelfde droom hebben gehad, en waarom.’

‘Dat zal wel niet,’ zei Sturm instemmend.