Выбрать главу

‘Ik weet het,’ zei Alhana als antwoord op zijn onuitgesproken gedachte. ‘Dit zal onze boetedoening zijn.’

Sceptisch trok Tanis zijn wenkbrauwen op, wetend wat een strijd ze zou moeten leveren om haar onderdanen zo ver te krijgen dat ze zouden terugkeren. Toen zag hij echter de overtuiging in haar blik. Misschien had ze toch kans van slagen.

Glimlachend veranderde hij van onderwerp. ‘En kun je nog tijd vrijmaken om naar Sancrist te komen?’ vroeg hij. ‘De ridders zouden het een eer vinden om je erbij te hebben. Eén met name.’

Alhana kreeg een felle blos op haar bleke gezicht. ‘Wie weet,’ zei ze nauwelijks hoorbaar. ‘Dat kan ik nog niet zeggen. Ik ben veel over mezelf te weten gekomen, maar het zal lang duren voordat ik me alle veranderingen eigen heb gemaakt.’ Met een zucht schudde ze haar hoofd. ‘Mogelijk zal ik sommige dingen nooit helemaal kunnen aanvaarden.’

‘Zoals leren van een mens te houden?’

Alhana hief haar hoofd, zodat ze Tanis met haar heldere ogen recht kon aankijken. ‘Zou hij gelukkig zijn, Tanis? Ver weg van zijn vaderland, omdat ik nu eenmaal naar Silvanesti moet terugkeren? En zou ik gelukkig zijn, wetend dat ik zal moeten toezien hoe hij oud wordt en sterft terwijl ik nog jong ben?’

‘Ik heb me precies hetzelfde afgevraagd, Alhana,’ zei Tanis. Hij dacht aan de pijnlijke beslissing die hij met betrekking tot Kitiara had genomen. ‘Als we de liefde weigeren die ons wordt aangeboden, als we weigeren liefde te geven omdat we bang zijn voor het verlies, dan zal ons leven leeg zijn en het verlies des te groter.’

‘Toen we elkaar ontmoetten, vroeg ik me af waarom deze lieden je volgden, Tanis Halfelf,’ zei Alhana zachtjes. ‘Nu begrijp ik het. Ik zal over je woorden nadenken. Vaarwel tot het eind van je levensreis.’

‘Vaarwel, Alhana,’ antwoordde Tanis terwijl hij de hand schudde die ze hem toestak. Verder wist hij niets meer te zeggen, dus draaide hij zich om en liep weg.

Toch vroeg hij zich onwillekeurig af: als ik zo verdomd wijs ben, waarom is mijn eigen leven dan zo’n bende?

Tanis voegde zich bij zijn metgezellen aan de rand van het woud. Even bleven ze staan, want ze hadden weinig zin om het woud van Silvanesti weer te betreden. Ze wisten dat het kwaad verdwenen was, maar de gedachte dat ze dagenlang tussen mismaakte bomen moesten rondlopen was niet aanlokkelijk. Ze hadden echter geen keus. Nu al voelden ze weer de haast die hen tot hier had gebracht. De tijd verstreek, en ze wisten dat ze moesten voorkomen dat al het zand door de loper liep, maar waarom, dat konden ze niet zeggen.

‘Kom, broer,’ zei Raistlin uiteindelijk. De magiër ging de anderen voor het woud in. De Staf van Magius verspreidde zijn bleke licht. Met een zucht ging Caramon achter hem aan. Een voor een volgden de anderen zijn voorbeeld. Alleen Tanis bleef staan om even achterom te kijken.

Die avond zouden ze de manen niet zien. Het land ging schuil onder een zwarte sluier, alsof het rouwde om de dood van Lorac. Alhana stond in de deuropening van de Sterrentoren, omringd door marmer dat glansde door het maanlicht dat eeuwen geleden al was opgevangen. Alleen Alhana’s gezicht was in de schaduw te zien, als een afspiegeling van de zilveren maan. Tanis zag een beweging. Ze hief haar hand, en even was er een zuiver witte lichtflits te zien. Het Sterrenjuweel. Toen was ze weg.

Boek Twee

Lied van de IJsplunderaar

Het verhaal van de reis van de reisgenoten naar het IJsmuurkasteel en de overwinning op de kwade Drakenheer Fealthas werd een legende onder de IJsbarbaren die dat desolate land bevolken. Het wordt nog steeds verteld door de dorpspriester op koude winteravonden, wanneer heldendaden worden herdacht en liederen worden gezongen.

Lied van de IJsplunderaar

ik ben degene die ben terug beeft gebracht. ik ben Raggart en dit is mijn verbaal. Sneeuw op sneeuw verbergt de tekenen van bet ijs Op de meeuw schijnt de zon als wit bloed In een kil licht, immer ondraaglijk. En als ik je dit niet vertel Daalt de sneeuw neer op de daden van helden En vlijt hun kracht in mijn gezang Zich neer in een ijzige kern om nooit meer op te staan Nooit meer als de laatste adem verdwijnt.
Zeven waren er uit de warme landen (ik ben degene die hen terug heeft gebracht) Vier zwaardvechters beëdigd in het noorden De elfenvrouw Laurana De dwerg van tuiden de schotsen van steen De kender, tenger en fel als een havik Rijdend op drie zwaarden kwamen ze bij de tunnel Naar de keel van het enige kasteel.
Zij stortten zich op de Thanoi, de oude wachters Waar hun zwaardvechters hete lucht doorkliefden Sneden door pezen, sneden door botten Terwijl de tunnels versmolten tot rood. Zij stortten zich op de minotaur, op de ijsbeer En opnieuw floten de zwaarden Glanzend in de hoek van de waanzin De tunnel kniehoog met wapens Met klauwen, met onuitspreekbare dingen Toen de zwaardvechters neerdaalden bevroren stoom in hun kielzog:
Toen naar de kamen in het hart van het kasteel Waar Fealthas wachtte, heer van draken en wolven Gewapend in wit dat niets is Dat het ijs bedekt met zonneschijn als wit bloed. En hij riep tot de wolven, de kinderdieven, Gezoogd met moord in bet voorvaderlijk leger. Rondom de helden een kring van messen, van hunkering In bet oog van de sluipende wolven.
Aran, de eerste die de kring verliet Geveld en ontrafeld in de volmaaktheid Van de wervelende strijd door de hete adem uit de keel van Fealthas. Brian volgde hem toen het zwaard van de wolvenheer Hem deed terugkeren naar het warme land. Allen stonden verstijfd in het ra d van messen. Allen stonden verstijfd, behalve Laurana. Verblind door het hete licht dat de dood doet smelten De vlam die tooit de kroon van de geert, Nam zij de IJsplunderaar ter hand Een zwaard van ijs, en met duister venijn Boven ’t wolvengewoel, de bloe dige strijd Opende zij de keel van de wolvenheer En de wolven zwegen toen het hoofd viel.
De rest van ’t verhaal is snel verteld. De eieren vernield, het nageslacht van de draken, Een tunnel van schubben en vuil, Leidt naar een vreselijke voorraad, en naar Een schat waar de drakenbol danste,, blauw en wit Gezwollen als een eindeloos kloppend hart (ik mocht het vasthouden, ik bracht hen terug). De tunnel uit, bloe d op bloed, onder het ijs Zuchten d onder hun vreselijke last De jonge ridders, be drukt en zwijgend. Vijf slechts keerden er terug De kender als laatste met zijn zakken gevuld. ik ben Raggart en dit is mijn verhaal. ik ben degene die hen terug heeft gebracht.

1

De vlucht uit IJsmuur.

De oude dwerg lag op sterven.

Zijn benen wilden hem niet langer dragen. Zijn maag en darmen kronkelden als slangen. Golven van misselijkheid overspoelden hem. Hij kon niet eens zijn hoofd van zijn bed optillen. Hij staarde naar de olielamp die boven zijn hoofd langzaam heen en weer zwaaide. Het licht leek steeds zwakker te worden. Dat was het dan, dacht de dwerg. Dit is het einde. De duisternis vertroebelt mijn blik...

Vlak bij zich hoorde hij een geluid, het gekraak van vloerplanken, alsof iemand hem heel voorzichtig besloop. Zwakjes draaide Flint zijn hoofd.

‘Wie is daar?’ kraste hij.

‘Tasselhof,’ fluisterde een bezorgde stem. Met een zucht stak Flint zijn knoestige hand uit. Tas pakte hem vast.

‘Ach, knul. Ik ben blij dat je op tijd bent langsgekomen om afscheid van me te nemen,’ zei de dwerg zwakjes. ‘Ik ben stervende, knul. Ik ga naar Reorx...’

‘Hè?’ vroeg Tas. Hij boog dichter naar de dwerg toe.

‘Reorx,’ herhaalde Flint geërgerd. ‘Ik keer terug in de armen van Reorx.’