‘Welnee,’ zei Tas. ‘We zijn op weg naar Sancrist. Of je moet het over een herberg hebben. De Armen van Reorx. Hmm…’
‘Reorx, de god van de dwergen, onbenul!’ brulde Flint.
‘O,’ zei Tas na een tijdje. ‘Dié Reorx.’
‘Luister, knul,’ zei Flint iets rustiger, vastbesloten om in zijn laatste uren niemand tegen zich in het harnas te jagen. ‘Ik wil jou mijn helm nalaten. De helm die je me in Xak Tsaroth hebt gegeven, met de griffioenmanen.’
‘Echt waar?’ vroeg Tas onder de indruk. ‘Dat is ontzettend aardig van je, Flint, maar wat zet jij dan op je hoofd?’
‘Ach, knul, waar ik naartoe ga, heb ik geen helm nodig.’
‘Nou, in Sancrist misschien wel,’ zei Tas bedenkelijk. ‘Derek denkt dat de Drakenheren op het punt staan met alles wat ze hebben in de aanval te gaan, en ik denk dat een helm dan wel handig zal zijn...’
‘Ik heb het helemaal niet over Sancrist!’ grauwde Flint. Moeizaam ging hij rechtop zitten. ‘Ik heb geen helm meer nodig omdat ik doodga!’
‘Ik ben een keer bijna doodgegaan,’ zei Tas ernstig. Hij zette een dampende kom op het tafeltje en maakte het zich gemakkelijk op een stoel om zijn verhaal te vertellen. ‘Dat was die keer in Tarsis, toen de draak een gebouw boven op me liet instorten. Elistan zei dat ik er bijna geweest was. Nou ja, niet precies in die bewoordingen. Hij zei dat het aan de inter... interven... nou ja, de inter-wat-dan-ook van de goden te danken is dat ik er nog ben.’
Flint kreunde luid en liet zich weer op zijn bed vallen. ‘Het enige wat ik wil,’ zei hij tegen de lamp die boven zijn hoofd heen en weer zwaaide, ‘is in vrede sterven, zonder dat ik word omringd door kenders. Is dat soms te veel gevraagd?’ Dat laatste gilde hij bijna.
‘Ach, kom op. Je bent helemaal niet stervende, hoor,’ zei Tas. ‘Je bent alleen maar zeeziek.’
‘Ik ben stervende,’ zei de dwerg koppig. ‘Ik heb een ernstige, besmettelijke ziekte opgelopen en nu ben ik stervende. En dat is jullie schuld. Jullie hebben me deze vermaledijde boot opgesleurd...’
‘Het is een schip,’ verbeterde Tas hem.
‘Boot!’ herhaalde Flint woedend. ‘Jullie hebben me deze vermaledijde boot opgesleurd, en hebben me toen stervend aan een afschuwelijke ziekte weggestopt in een van ratten vergeven slaapkamer.
‘We hadden je ook in IJsmuur kunnen achterlaten, weet je, bij de walrusmannen en...’ Tasselhof zweeg.
Opnieuw deed Flint verwoede pogingen overeind te komen, maar deze keer had hij een wilde blik in zijn ogen. De kender stond snel op en schuifelde in de richting van de deur. ‘Eh... Ik ga maar weer eens. Ik kwam alleen even vragen om, eh... te vragen of je soms iets wilde eten. De scheepskok heeft iets gemaakt wat hij erwtensoep noemt.’
Laurana, die ineengedoken uit de wind op het voordek zat, schrok toen er benedendeks een angstaanjagend gebrul klonk, gevolgd door het geluid van brekend aardewerk. Ze wierp een blik op Sturm, die vlak bij haar stond. De ridder glimlachte.
‘Flint,’ zei hij.
‘Ja,’ zei Laurana bezorgd. ‘Misschien moet ik...’
Ze werd onderbroken door Tasselhof, die zich bij hen voegde. De erwtensoep droop van hem af.
‘Volgens mij voelt Flint zich al iets beter,’ zei hij plechtig, ‘maar hij heeft nog geen zin in eten.’
De reis vanuit IJsmuur was vlot verlopen. Hun scheepje vloog zowat over het zeeoppervlak in noordelijke richting, gedragen door de stroming en de krachtige, koude, heersende wind.
De reisgenoten waren naar IJsmuur gereisd, waar volgens Tasselhof een drakenbol werd bewaard in het IJsmuurkasteel. Ze hadden de bol gevonden en de kwade bewaker ervan — Fealthas, een machtige Drakenheer — gedood. Met de hulp van de IJsbarbaren waren ze ontsnapt uit het instortende kasteel, en nu waren ze met dit schip op weg naar Sancrist. Hoewel de kostbare drakenbol veilig benedendeks in een kist lag, werden ze in hun dromen nog altijd achtervolgd door de verschrikkingen van hun reis naar IJsmuur.
De nachtmerries over IJsmuur waren echter niets vergeleken met de merkwaardige, levendige droom die ze ruim een maand geleden hadden gedeeld. Niemand had het er nog over, maar zo nu en dan zag Laurana op Sturms gezicht een ongebruikelijke uitdrukking van angst en eenzaamheid, waaruit ze afleidde dat ook hij nog wel eens aan de droom dacht.
Verder was de stemming binnen de groep goed. Flint was de enige uitzondering. De dwerg was zonder pardon het schip op gedragen en prompt zeeziek geworden. De reis naar IJsmuur had een onmiskenbare overwinning opgeleverd. Niet alleen hadden ze de drakenbol gevonden, ze hadden ook de kapotte schacht bij zich van een oeroud wapen, naar verluidt een drakenlans. En ze hadden nóg iets belangrijkers bij zich, al beseften ze dat nog niet toen ze het vonden...
Vergezeld door Derek Kroonwacht en de andere twee ridders die ze in Tarsis hadden ontmoet, waren de reisgenoten in het IJsmuurkasteel op zoek geweest naar de drakenbol. De zoektocht was niet bepaald soepel verlopen. Keer op keer hadden ze het moeten opnemen tegen de kwade walrusmannen, winterwolven en beren. De reisgenoten begonnen te denken dat ze voor niets waren gekomen, maar Tas bezwoer dat hij in het boek in Tarsis had gelezen dat hier een bol werd bewaard. Dus bleven ze zoeken.
Tijdens hun zoektocht waren ze op een verrassend tafereel gestuit: een reusachtige draak, meer dan veertig voet lang met een glanzend zilveren huid, die volledig in een muur van ijs was gevat. De vleugels van de draak waren gespreid, alsof hij elk moment kon gaan vliegen. Er lag een felle blik in zijn ogen, maar hij had een edele kop, en hij boezemde hun geen angst en afkeer in zoals de rode draken die ze waren tegengekomen. In plaats daarvan welde er een diep, overweldigend verdriet in hen op bij de aanblik van het schitterende dier.
Wat ze echter het vreemdst vonden, was dat deze draak een berijder had. Ze hadden de Drakenheren natuurlijk op hun draken zien rijden, maar aan het antieke harnas te zien was dit een ridder van Solamnië. In zijn met een handschoen bedekte hand hield hij de afgebroken schacht van wat ooit een grote lans moest zijn geweest.
‘Waarom zou een ridder van Solamnië een draak berijden?’ vroeg Laurana, denkend aan de Drakenheren.
‘Er zijn ridders geweest die naar de vijand zijn overgelopen,’ zei heer Derek bars. ‘Al vind ik het vreselijk om dat toe te geven.’
‘Hier gaat niets kwaadaardigs van uit,’ zei Elistan. ‘Alleen maar groot verdriet. Ik vraag me af hoe ze gestorven zijn. Ik zie geen wonden…’
‘Dit komt me bekend voor,’ viel Tas hem fronsend in de rede. ‘Dit plaatje. Een ridder op een zilveren draak. Dat heb ik eerder gezien…’
‘Ha!’ snoof Flint. ‘Je beweert ook dat je wollige olifanten hebt gezien.’
‘Ik meen het!’ zei Tas verontwaardigd.
‘Waar dan, Tas?’ vroeg Laurana, die de gekwetste uitdrukking op het gezicht van de kender zag, vriendelijk. ‘Weetje dat nog?’
‘Ik denk...’ Tasselhof kreeg een afwezige blik in zijn ogen. ‘Het doet me denken aan Pax Tharkas en Fizban…’
‘Fizban!’ barstte Flint uit. ‘Die ouwe magiër was zo mogelijk nog gekker dan Raistlin.’
‘Ik weet niet waar Tas het over heeft,’ zei Sturm terwijl hij bedachtzaam naar de draak en zijn berijder keek. ‘Maar ik weet wel dat mijn moeder me heeft verteld dat Huma tijdens zijn laatste slag op een zilveren draak reed, met de Drakenlans in zijn hand.’
‘En ik weet nog dat mijn moeder me vertelde dat ik op Midwinteravond zoetigheid voor de Oude Man met het witte gewaad moest achterlaten die naar ons kasteel zou komen,’ zei Derek spottend. ‘Nee, dit is ongetwijfeld een afvallige ridder, geknecht door het kwaad.’
Derek en de twee jonge ridders wilden al weggaan, maar de rest bleef staan kijken naar de man op de draak.
‘Je hebt gelijk, Sturm, dat is een drakenlans,’ zei Tas weemoedig. ‘Ik weet niet hoe, maar ik ben er zeker van.’
‘Heb je hem in Tarsis soms in dat boek zien staan?’ vroeg Sturm terwijl hij een blik wisselde met Laurana. Allebei vonden ze dat de kender ongewoon, zo niet angstaanjagend, ernstig was.