Tas haalde zijn schouders op. ‘Dat weet ik niet meer,’ zei hij met zijn kleine stemmetje. ‘Het spijt me.’
‘Misschien moeten we hem meenemen,’ opperde Laurana onzeker. ‘Het kan nooit kwaad.’
Dereks stem echode door de gang. ‘Kom mee, Zwaardglans!’ riep hij streng. ‘De Thanoi zijn ons even kwijt, maar het zal niet lang duren voor ze ons weer op het spoor komen.’
‘Hoe krijgen we hem te pakken?’ vroeg Sturm zonder acht te slaan op Dereks bevel. ‘Er zit zeker drie voet ijs omheen.’
‘Mij lukt het wel,’ zei Gilthanas.
De elf sprong op de dikke ijsverhoging die zich om de draak en zijn berijder had gevormd, zocht houvast met zijn hand en klom voorzichtig langs het monument omhoog. Via de bevroren vleugel van de draak kon hij op handen en voeten verder kruipen. Zodra hij de lans had bereikt, drukte Gilthanas zijn hand tegen de ijslaag die eromheen zat en sprak enkele woorden in de vreemde, ijle taal van de magie.
Vanuit de hand van de elf verspreidde zich een rode gloed, die het ijs snel deed smelten. Al na een paar tellen kon hij zijn hand in het gat steken en de lans vastpakken. Maar die zat stevig vast in de hand van de dode ridder.
Gilthanas trok er uit alle macht aan, en probeerde zelfs de bevroren vingers van de ridder los te wrikken. Uiteindelijk kon hij de kou van het ijs niet meer verdragen en liet hij zich rillend weer op de grond vallen. ‘Dat lukt nooit,’ zei hij. ‘Hij heeft hem te stevig vast.’
‘Breek zijn vingers dan,’ opperde Tas behulpzaam.
Sturm wierp de kender een woedende blik toe. ‘Ik wil niet dat dit lichaam ontheiligd wordt,’ snauwde hij. ‘Misschien kunnen we de lans uit zijn hand laten glijden. Ik zal het proberen.’
‘Dit heeft geen zin,’ zei Gilthanas tegen zijn zus terwijl ze toekeken hoe Sturm langs het ijs omhoogklom. ‘Het is alsof de lans met de hand is versmolten. Ik...’ De elf zweeg abrupt.
Zodra Sturm zijn hand door het gat in het ijs stak en de lans vastpakte, leek de in ijs gevatte ridder opeens een heel klein beetje te bewegen. De greep van zijn stijf bevroren hand op de afgebroken schacht werd losser. Van schrik viel Sturm bijna naar beneden. Als door een wesp gestoken liet hij de lans los en kroop achteruit over de met ijs bedekte vleugel van de draak.
‘Hij wil hem aan je geven!’ riep Laurana. ‘Toe maar, Sturm! Pak hem maar. Zie je dan niet dat hij hem aan een andere ridder wil geven?’
‘En dat ben ik niet,’ zei Sturm verbitterd. ‘Maar misschien is dat juist een teken, misschien is hier inderdaad kwaad in het spel...’ Aarzelend kroop hij terug naar het gat en greep de lans weer vast. De verstijfde hand van de dode ridder ontspande zich volledig. Voorzichtig trok Sturm het kapotte wapen uit het ijs. Toen sprong hij weer op de grond, starend naar de antieke schacht.
‘Dat was geweldig!’ zei Tas vol ontzag. ‘Flint, zag je dat? Dat lijk kwam tot leven.’
‘Welnee,’ snauwde de dwerg. ‘En jij hebt ook niets van dien aard gezien. Laten we maken dat we hier wegkomen,’ voegde hij er rillend aan toe.
Opeens dook Derek weer op. ‘Ik heb je een bevel gegeven, Sturm Zwaardglans! Waar blijf je?’ Dereks gezicht betrok van woede toen hij de lans zag.
‘Ik heb Sturm gevraagd hem voor me te pakken,’ zei Laurana met een stem zo kil als de ijsmuur achter haar. Ze pakte de lans aan en wikkelde hem snel in een bontmantel die ze uit haar reistas haalde.
Derek keek haar even boos aan, maar maakte toen een stijve buiging en draaide zich op zijn hakken om.
‘Dode ridders of levende ridders, ik weet niet wat erger is,’ mopperde Flint. Hij greep Tas vast en sleurde hem met zich mee, achter Derek aan.
‘En als het nu inderdaad een wapen van het kwaad is?’ vroeg Sturm zachtjes aan Laurana terwijl ze verder liepen door de bevroren gangen van het kasteel.
Laurana keek nogéén keer achterom naar de dode ridder op zijn draak. De koude, bleke zon van het diepe zuiden ging onder, en het licht ervan wierp waterige schaduwen op de beide lichamen, waardoor ze een sinister aanzien kregen. Ze had de indruk dat de ridder voor haar ogen levenloos onderuitzakte.
‘Geloof je het verhaal over Huma?’ vroeg Laurana zachtjes.
‘Ik weet niet meer wat ik moet geloven,’ zei Sturm bruusk. ‘Vroeger was alles zwart-wit voor me, heel helder en duidelijk. Ik geloofde in het verhaal van Huma. Mijn moeder heeft het me geleerd alsof het waar was. Maar toen ging ik terug naar Solamnië.’ Hij zweeg even, alsof hij eigenlijk liever niet wilde doorgaan. Toen hij echter het medeleven en de belangstelling op Laurana’s gezicht zag, slikte hij moeizaam en ging verder. ‘Dit heb ik nooit aan iemand verteld, zelfs niet aan Tanis. Toen ik terugkeerde naar mijn vaderland, ontdekte ik dat de ridders niet de eerzame, onbaatzuchtige mannen waren die mijn moeder had beschreven. De orde werd geregeerd door politieke intriges. De beste mannen waren zoals Derek, eerzaam, maar strikt en onbuigzaam, en hadden weinig op met mensen die ze beneden hun waardigheid achtten. En de ergste...’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Toen ik over Huma begon, lachte iedereen me uit. Een rondreizende ridder, noemden ze hem. In hun versie van het verhaal werd hij uit de orde gezet omdat hij zich niet aan de regels hield. Vanaf dat moment zwierf Huma over het platteland, zeiden ze, en maakte hij zich geliefd bij de boeren, die vervolgens allerlei legendes om hem heen creëerden.’
‘Maar heeft hij echt bestaan?’ drong Laurana aan toen ze het verdriet op Sturms gezicht zag.
‘Jazeker. Daarover kan geen twijfel bestaan. In de archieven die de Catastrofe hebben overleefd wordt zijn naam genoemd in de lijst van de lagere ridderordes. Maar het verhaal van de zilveren draak, de Laatste Slag, zelfs de drakenlans... Daar gelooft niemand meer in. Zoals Derek al zei: er is geen bewijs. Volgens de legendes was de graftombe van Huma een huizenhoog bouwsel, een van de wereldwonderen. Maar je zult niemand vinden die hem ooit heeft gezien. Het enige wat we hebben zijn verhaaltjes voor het slapengaan, zoals Raistlin zou zeggen.’ Sturm legde zijn hand over zijn ogen en slaakte een beverige zucht.
‘Weet je,’ zei hij zachtjes, ‘ik had niet verwacht dat ik dit ooit zou zeggen, maar ik mis Raistlin. Ik mis hen allemaal. Ik heb het gevoel dat een deel van me is geamputeerd, en zo voelde ik me ook toen ik in Solamnië was. Daarom ben ik teruggekomen in plaats van rustig af te wachten en de proeven voor het ridderschap af te leggen. Deze lieden, mijn vrienden, deden meer om het kwaad in de wereld te bestrijden dan alle ridders bij elkaar. Zelfs Raistlin, op een manier die ik niet kan begrijpen. Hij zou ons wel kunnen vertellen wat dit allemaal te betekenen heeft.’ Hij wees met zijn duim over zijn schouder naar de in ijs gevatte ridder. ‘In elk geval zou hij erin geloven. Als hij er was. Als Tanis er was...’ Sturm kon niet verdergaan.
‘Ja,’ zei Laurana zachtjes. ‘Als Tanis er was…’
Denkend aan haar verdriet, zoveel groter dan het zijne, sloeg Sturm zijn arm om Laurana heen en hield haar dicht tegen zich aan. Zo bleven ze even staan, troost puttend uit elkaars nabijheid. Toen klonk de scherpe stem van Derek, die hun een standje gaf omdat ze achterbleven.
Nu lag de kapotte lans, gewikkeld in Laurana’s bontmantel, in een kist met de drakenbol en Wyrmdoder, Tanis’ zwaard, dat Laurana en Sturm uit Tarsis hadden meegenomen. Naast de kist lagen de lichamen van de twee jonge ridders, die hun leven hadden gegeven om de groep te beschermen, en die in hun vaderland zouden worden begraven.
De krachtige zuidenwind, die de kou van de gletsjers met zich meevoerde, droeg het schip snel over de Sirrionzee. Volgens de kapitein zouden ze binnen twee dagen in Sancrist zijn als de wind bleef aanhouden.
‘Die kant op ligt Zuid-Ergoth,’ zei de kapitein tegen Elistan terwijl hij naar de stuurboordzijde wees. ‘We komen vlak langs het zuidelijkste puntje. Vanavond kun je het eiland Cristyne zien liggen. En als de wind zo gunstig blijft, zijn we dan al bijna in Sancrist. Ik heb trouwens iets vreemds gehoord over Sancrist,’ voegde de kapitein er met een blik op Laurana aan toe. ‘Het schijnt er te stikken van de elfen, maar ik ben er al een tijdje niet meer geweest, dus of het waar is weet ik niet.’