‘Ik heb meer vertrouwen in mijn zwaard dan in die oude man en zijn god,’ zei Derek tegen Sturm.
‘De ridders hebben Paladijn anders altijd geëerd,’ antwoordde Sturm bestraffend.
‘Ik eer hem ook wel. Zijn herinnering, althans,’ zei Derek. ‘Ik stoor me aan dat gepraat over de “terugkeer” van Paladijn, Sturm Zwaardglans. Net als de Raad, zodra die het hoort. Daar moet je maar eens goed over nadenken wanneer je ridderschap in overweging wordt genomen.’
Sturm beet op zijn lip en slikte het boze antwoord dat bij hem opkwam in als een bitter medicijn.
De tijd verstreek. Ieders oog was gericht op het wit gevleugelde wezen dat boven hen vloog, maar aangezien ze niets konden doen, wachtten ze af.
En aan het wachten kwam geen eind. De draak viel niet aan.
Onophoudelijk cirkelde ze boven hen, en met monotone, ijzingwekkende regelmaat gleed haar schaduw over het dek. De matrozen, die zich eerder zonder aarzeling op het gevecht hadden voorbereid, begonnen bij zichzelf te mopperen nu het wachten ondraaglijk werd. Het ergste was nog dat de draak alle wind leek weg te nemen, want de zeilen hingen slap en flapperden maar zachtjes. Het schip verloor zijn gracieuze snelheid en dobberde log in het water. Aan de noordelijke horizon pakten zich onweerswolken samen, die langzaam over het water in hun richting dreven en een donkere sluier op het flonkerende water wierpen.
Na een hele tijd liet Laurana haar boog zakken en wreef over de schrijnende spieren in haar nek en schouders. Haar ogen traanden omdat ze tegen de zon in had staan kijken.
‘Zet ze in een sloep en duw ze af,’ hoorde ze een oude, grijzende matroos luidkeels tegen een kameraad verkondigen. ‘Misschien laat dat beest ons dan wel gaan. Ze moet hén immers hebben, niet ons.’
Ze moet ons niet eens hebben, dacht Laurana nerveus. Waarschijnlijk is ze op de drakenbol uit. Daarom valt ze nog niet aan. Maar dat kon ze niet zeggen, zelfs niet tegen de kapitein. De bol moest geheim blijven.
De middag verstreek tergend langzaam, en nog steeds cirkelde de draak als een angstaanjagende zeevogel boven het schip. De kapitein werd steeds lichtgeraakter. Nu hadden ze niet alleen met een draak te maken, maar ook met de mogelijkheid van muiterij. Tegen het avondeten beval hij de reisgenoten benedendeks te gaan.
Derek en Sturm weigerden allebei, en even leek het erop dat het uit de hand zou lopen, toen er werd geroepen: ‘Land in zicht! Voor de boeg aan stuurboord!’
‘Zuid-Ergoth,’ zei de kapitein grimmig. ‘De stroming voert ons mee richting de rotsen.’ Hij wierp een vluchtige blik op de draak. ‘Als er niet snel wind opsteekt, lopen we op de klippen.’
Op dat moment hield de draak op met cirkelen. Ze bleef even zweven en steeg toen snel. De matrozen juichten, denkend dat ze wegging. Maar Laurana dacht aan Tarsis en wist wel beter.
‘Ze gaat duiken!’ riep ze. ‘Ze valt aan!’
‘Allemaal benedendeks!’ riep Sturm, en naéén aarzelende blik hemelwaarts renden de matrozen naar de luiken. De kapitein haastte zich naar het roer.
‘Ga benedendeks,’ beval hij de stuurman terwijl hij het overnam.
‘U kunt hier niet blijven!’ schreeuwde Sturm, die bij een luik was gaan staan. Nu rende hij naar de kapitein toe. ‘Ze zal je doden!’
‘Als ik wegga, lopen we aan de grond!’ zei de kapitein boos.
‘Als je doodgaat ook,’ antwoordde Sturm. Hij balde zijn vuist, gaf de kapitein een slag op zijn kaak en sleurde hem mee.
Struikelend rende Laurana de trap af, met Gilthanas op haar hielen. De elfenheer wachtte tot Sturm de gevelde kapitein naar binnen had gedragen voordat hij het luik sloot.
Op dat moment bestookte de draak het schip met een ademstoot die het bijna tot zinken bracht. Het helde vervaarlijk over. Iedereen, zelfs de meest doorgewinterde matrozen, buitelde over elkaar heen in de overvolle ruimte onder het dek. Flint viel vloekend op de vloer.
‘Dit is het juiste moment om tot je god te bidden,’ zei Derek tegen Elistan.
‘Daar ben ik ook mee bezig,’ antwoordde Elistan terwijl hij de dwerg overeind hielp.
Laurana had zich aan een balk vastgeklampt en wachtte angstig op het felle oranje licht, de hitte, de vlammen. In plaats daarvan kwam er een plotselinge, bijtende kou die haar de adem benam en haar tot op het bot verkilde. Boven zich hoorde ze het tuigage knappen. Het geklapper van de zeilen hield op. Toen ze omhoogkeek, zag ze witte rijp die zich door de spleten in het houten dek verspreidde.
‘De witte draken spuwen geen vuur!’ zei Laurana vol ontzag. ‘Ze spuwen ijs! Elistan, je gebeden zijn verhoord!’
‘Ha! Het had net zo goed vuur kunnen zijn,’ zei de kapitein, die hoofdschuddend over zijn kin wreef. ‘Met een bevroren schip kunnen we geen kant op.’
‘Een draak die ijs spuwt!’ zei Tas weemoedig. ‘Kon ik het maar zien!’
‘Wat gebeurt er dan?’ vroeg Laurana terwijl het schip zich langzaam, krakend en piepend, rechtte.
‘We zijn volkomen hulpeloos,’ grauwde de kapitein. ‘De lijnen knappen onder het gewicht van het ijs en nemen de zeilen mee. De mast breekt als een boom tijdens een ijsstorm. We kunnen niet sturen, dus we zullen op de klippen slaan en dan is het afgelopen. En we kunnen er niets tegen beginnen!’
We kunnen proberen op haar te schieten als ze overvliegt,’ zei Gilthanas. Maar Sturm schudde zijn hoofd en duwde tegen het luik.
‘Hier ligt zeker een voet ijs op,’ meldde de ridder. We zitten vast.’
Zo krijgt de draak de bol te pakken, dacht Laurana ongelukkig. Ze laat het schip op de klippen lopen, doodt ons en pakt de bol zodra er geen gevaar meer bestaat dat hij naar de zeebodem zal zinken.
‘Nog zo’n ademstoot en we zinken als een baksteen,’ voorspelde de kapitein, maar zo ver kwam het niet. De volgende ademstoot was veel zachter. Opeens besefte iedereen dat de draak hen naar de kust probeerde te blazen.
Het was een uitstekend plan, en IJzel was er behoorlijk trots op. Ze bleef achter het schip, dat ze door de stroming en het getij liet meevoeren, en blies er nu en dan een keer tegenaan. Pas toen ze de kartelige rotsen uit het water omhoog zag steken, besefte de draak dat er een hiaat in haar plannetje zat. Toen verdween het licht van de maan, die schuilging achter de onweerswolken, waardoor de draak niets meer zag. Het was nog donkerder dan de ziel van de Duistere Koningin.
De draak vervloekte de onweerswolken, die het doel van de Drakenheren in het noorden zo uitstekend dienden. Zij had er echter alleen maar last van, want allebei de manen werden erdoor opgeslokt. Ze hoorde het geluid van scheurend en brekend hout toen het schip op de klippen liep. Ze kon zelfs de kreten en het geschreeuw van de matrozen horen, maar ze zag geen steek. Ze scheerde laag over het water in de hoop dat ze die miezerige wezens in ijs kon vatten tot het weer dag werd. Toen hoorde ze echter een ander, angstaanjagender geluid: het zingen van boogpezen.
Er schoot een pijl langs haar kop. Een tweede ging dwars door het kwetsbare vlies van haar vleugel. Krijsend van pijn schoot IJzel snel weg. Kennelijk waren er elfen aan boord, besefte ze woedend. Er zoefden nog meer pijlen langs haar heen. Die vervloekte elfen met hun nachtogen! Zelfs in het donker konden ze zo goed zien dat ze een makkelijk doelwit voor hen zou zijn, zeker nu ze aanéén vleugel gewond was.
De draak voelde de kracht uit haar lijf wegvloeien, dus besloot ze terug te keren naar IJsmuur. Ze was moe na een hele dag vliegen, en de pijlwond deed verschrikkelijk pijn. Helaas zou ze weer een mislukking aan de Duistere Koningin moeten melden, maar nu ze er eens goed over nadacht, was het eigenlijk niet eens zo’n groot fiasco. Ze had voorkomen dat de drakenbol in Sancrist aankwam, en ze had het schip vernield. Ze wist waar de bol was. Met haar uitgebreide spionnennetwerk in Ergoth kon de Koningin hem gemakkelijk bemachtigen.