Gerustgesteld fladderde de draak langzaam naar het zuiden. Tegen de ochtend wist ze haar uitgestrekte gletsjerland te bereiken. Nadat ze haar verslag had uitgebracht, dat redelijk goed werd ontvangen, kon IJzel zich terugtrekken in haar ijsgrot om haar gewonde vleugel te verzorgen.
‘Ze is weg!’ zei Gilthanas verbijsterd.
‘Natuurlijk,’ antwoordde Derek, die hielp zo veel mogelijk voorraden uit het vastgelopen schip te redden, vermoeid. ‘Haar zicht is een stuk slechter dan het jouwe. En trouwens, je hebt haar een keer geraakt.’
‘Dat was Laurana, niet ik,’ zei Gilthanas met een glimlach naar zijn zus, die met haar boog in de hand op het strand stond.
Derek snoof sceptisch. Voorzichtig zette hij de kist neer die hij droeg, waarna hij weer het water in wilde waden. Een gestalte doemde op uit de duisternis en hield hem tegen.
‘Laat maar, Derek,’ zei Sturm. ‘Het schip is gezonken.’
Sturm droeg Flint op zijn rug. Toen ze de ridder zag wankelen van vermoeidheid, rende Laurana op hem af om hem te helpen. Samen brachten ze de dwerg aan land en legden hem languit op het zand neer. Op zee was het gekraak van hout niet meer te horen. Er was alleen nog het eindeloze breken van de golven.
Toen klonk er gespetter. Tas waadde achter hen aan het water uit, klappertandend, maar met een grijns van oor tot oor. Hij werd gevolgd door de kapitein, die door Elistan werd ondersteund.
‘En de lichamen van mijn mannen?’ vroeg Derek op hoge toon zodra hij de kapitein in het oog kreeg. ‘Waar zijn zij?’
‘We hadden belangrijker dingen te dragen,’ zei Elistan streng. ‘Dingen die de levenden nodig hebben, zoals voedsel en wapens.’
‘Menig gerespecteerd man heeft onder de golven zijn laatste rustplaats gevonden. Die van u zullen niet de eersten zijn, en ook niet de laatsten, helaas,’ voegde de kapitein eraan toe.
Derek leek iets te willen zeggen, maar de kapitein zei met ogen vol verdriet en uitputting: ‘Ik heb daar vannacht drie van mijn eigen mannen achter moeten laten, mijn heer. En in tegenstelling tot die van u waren de mijne nog springlevend toen we aan deze reis begonnen. Om nog maar te zwijgen over het feit dat mijn schip, mijn broodwinning, nu ook op de zeebodem ligt. Ik zou dan ook verder niets meer zeggen, als u begrijpt wat ik bedoel. Mijn heer.’
‘Mijn deelneming met je verlies, kapitein,’ antwoordde Derek stijfjes. ‘En ik waardeer jou en je bemanning om alles wat jullie hebben geprobeerd te doen.’
De kapitein mompelde iets onverstaanbaars en keek toen doelloos om zich heen, alsof hij verdwaald was.
‘We hebben uw mannen langs de kust naar het noorden gestuurd, kapitein,’ zei Laurana wijzend. ‘Daar is beschutting, tussen die bomen.’
Als om haar woorden te onderstrepen ontstond er opeens een fel schijnsel, het licht van een groot vuur.
‘Dwazen!’ Derek vloekte hartgrondig. ‘Straks komt die draak nog terug.’
‘Het alternatief is doodziek worden van de kou en natheid,’ zei de kapitein verbitterd over zijn schouder. ‘Kies zelf maar, heer ridder. Mij kan het weinig schelen.’ Hij verdween in de duisternis.
Sturm rekte zich kreunend uit in een poging zijn koude, verkrampte spieren los te maken. Flint lag als een hoopje ellende op de grond, zo hevig rillend dat de gespen van zijn wapenrusting ervan rammelden. Laurana boog zich over hem heen om hem goed in zijn mantel te wikkelen, en besefte toen pas hoe koud ze het zelf had.
In de opwinding die gepaard ging met het verlaten van het schip en het bestrijden van de draak was ze de kou vergeten. Ze kon zich de details van haar ontsnapping hoegenaamd niet meer herinneren. Ze wist nog dat ze het strand bereikte en dat de draak op hen afdook. Ze wist nog dat ze met verdoofde, bevende vingers onhandig haar boog had gepakt. Ze vroeg zich af hoe iemand de tegenwoordigheid van geest had kunnen hebben om nog iets te redden...
‘De drakenbol!’ zei ze verschrikt.
‘Hier, in deze kist,’ antwoordde Derek. ‘Net als de lans en dat elfenzwaard dat jullie Wyrmdoder noemen. En nu kunnen we denk ik maar beter ons voordeel doen met dat kampvuur…’
‘Dat denk ik niet.’ Vanuit de duisternis kwam een vreemde stem, en tegelijkertijd werden er overal om hen heen toortsen aangestoken, waarvan het licht hen verblindde.
Geschrokken trokken de reisgenoten hun wapens en vormden een kring rond de hulpeloze dwerg. Maar Laurana, die al snel over de eerste schrik heen was, tuurde naar de gezichten die door het schijnsel van de toortsen werden verlicht.
‘Wacht!’ riep ze. ‘Dit is ons volk. Dit zijn elfen!’
‘Silvanesti!’ zei Gilthanas opgelucht. Hij liet zijn boog op de grond vallen en liep met uitgestoken hand op de elf af die hen had aangesproken. ‘We hebben een lange, duistere reis achter de rug,’ zei hij in het elfs. ‘Gegroet, mijn broe—’
Hij kreeg niet de kans de oeroude begroeting af te maken. De leider van de elfen deed een stap naar voren en sloeg Gilthanas met het uiteinde van zijn staf in het gezicht. Bewusteloos viel hij in het zand.
Meteen hieven Sturm en Derek het zwaard en gingen met de ruggen tegen elkaar staan. Te midden van de elfen flitste staal.
‘Stop!’ riep Laurana in het elfs. Ze knielde naast haar broer neer en wierp de kap van haar mantel af, zodat het licht op haar gezicht scheen. ‘Wij zijn jullie verwanten. Qualinesti! Deze mensen zijn ridders van Solamnië!’
‘We weten heel goed wie jullie zijn.’ De elfenleider spuugde haar de woorden toe. ‘Spionnen uit Qualinesti! En we vinden het helemaal niet ongewoon dat jullie in het gezelschap van mensen reizen. Jullie bloed is al eeuwen vervuild. Neem hen mee,’ zei hij met een gebaar naar zijn mannen. ‘En als ze zich verzetten, doe je wat nodig is. En ik wil weten wat ze bedoelen met die drakenbol waar ze het over hadden.’
De elfen stapten naar voren.
‘Nee!’ riep Derek. Hij sprong voor de kist. ‘Sturm, ze mogen de bol niet in handen krijgen!’
Sturm had de vijand al de riddergroet gebracht en liep met getrokken zwaard op hen af.
‘Kennelijk willen ze vechten. Het zij zo,’ zei de leider van de elfen. Hij hief zijn zwaard.
‘Hou op, dit is krankzinnig!’ riep Laurana boos. Ze wierp zich tussen de glanzende zwaarden. Onzeker bleven de elfen staan. Sturm wilde haar vastpakken en uit de weg duwen, maar ze rukte zich los uit zijn greep.
‘Zelfs kobolden en draconen, hoe afschuwelijk boosaardig ze ook zijn, raken nooit onderling slaags,’ zei ze met een stem die beefde van woede, ‘maar wij elfen, die al eeuwenlang het goede belichamen, proberen elkaar telkens te doden. Kijk dan maar!’ Metéén hand tilde ze de deksel van de kist en gooide hem opzij. ‘Hierin bevindt zich de hoop van de wereld. Een drakenbol, die we met groot gevaar voor eigen leven in IJsmuur hebben bemachtigd. Ons schip is voor de kust gezonken. We hebben de draak verdreven die de bol terug kwam halen. En na al die ellende blijken we te midden van ons eigen volk nog het minst veilig te zijn! Als dat waar is, als we werkelijk zo diep zijn gezonken, dood ons nu dan maar, en ik zweer je dat niemand van ons zal proberen je tegen te houden.’
Sturm, die geen elfs verstond, keek even toe, maar zag toen dat de elfen hun wapens lieten zakken. ‘Nou, wat ze ook heeft gezegd, kennelijk heeft het geholpen.’ Met tegenzin stak hij zijn zwaard terug in de schede. Na een korte aarzeling liet ook Derek zijn zwaard zakken, maar hij stak het niet weg.
‘We zullen over je verhaal nadenken,’ begon de elfenleider in gebroken Gemeenschaps. Toen zweeg hij, want op het strand was geschreeuw en gegil te horen. De reisgenoten zagen donkere gestalten op het kampvuur afrennen. De elf wierp een vluchtige blik in die richting, wachtte even tot het kabaal was weggestorven en wendde zich toen weer tot de groep. In het bijzonder richtte hij zich tot Laurana, die nog steeds op haar knieën bij haar broer zat. ‘Wellicht hebben we overhaast gehandeld, maar als je hier een tijdje hebt gewoond, zul je het begrijpen.’