Выбрать главу

‘Dit zal ik nooit begrijpen!’ antwoordde Laurana met een door tranen verstikte stem.

Er kwam een elf uit de duisternis. ‘Mensen, mijn heer,’ hoorde Laurana hem in het elfs zeggen. ‘Zeelui, zo te zien. Ze zeggen dat hun schip is aangevallen door een draak en op de klippen is gelopen.’

‘Klopt dat?’

‘We hebben aangespoelde wrakstukken gevonden. Morgenochtend kunnen we verder zoeken. De mensen zijn nat, koud en half verdronken. Ze hebben zich niet verzet. Ik geloof niet dat ze logen.’

De elfenleider draaide zich om naar Laurana. ‘Het lijkt erop dat jullie verhaal waar is,’ zei hij, opnieuw in het Gemeenschaps. ‘Mijn mannen vertellen me dat de mensen die ze gevangen hebben genomen zeelui zijn. Maak je over hen geen zorgen. We zullen ze natuurlijk wel gevangen moeten houden. We kunnen geen mensen los op dit eiland laten rondlopen, want we hebben al problemen genoeg. Maar we zullen goed voor hen zorgen. We zijn geen kobolden,’ voegde hij er bitter aan toe. ‘Het spijt me dat ik je vriend heb geslagen...’

‘Mijn broer,’ antwoordde Laurana. ‘De jongste zoon van de Zonnenspreker. Ik ben Lauralanthalasa, en dit is Gilthanas. Wij zijn van het koninklijk huis in Qualinesti.’

Ze had de indruk dat de elf verbleekte bij het horen van dat nieuws, maar hij herstelde zich onmiddellijk. ‘Je broer zal goed verzorgd worden. Ik zal een genezer laten halen...’

We hebben jullie genezer niet nodig,’ zei Laurana. ‘Deze man’ — ze gebaarde naar Elistan — ‘is een priester van Paladijn. Hij zal mijn broer helpen...’

‘Een mens?’ vroeg de elf streng.

‘Een mens, ja!’ riep Laurana ongeduldig uit. ‘Een elf heeft mijn broer neergeslagen, en nu wend ik me tot een mens om hem te genezen. Elistan...’

De priester wilde in beweging komen, maar op een teken van hun leider grepen enkele elfen hem snel vast en draaiden zijn armen op zijn rug. Sturm wilde hem te hulp schieten, maar Elistan hield hem met een waarschuwende blik op Laurana tegen. Sturm trok zich terug, want hij had Elistans stilzwijgende waarschuwing begrepen. Hun leven hing van haar af.

‘Laat hem los,’ eiste Laurana. ‘Laat hem mijn broer behandelen.’

‘Ik vind dit nieuws over een priester van Paladijn moeilijk te geloven, vrouwe Laurana,’ zei de elfenleider. ‘Iedereen weet dat alle priesters op Krynn zijn verdwenen toen de goden hun gelaat van ons afwendden. Ik weet niet wie deze charlatan is, of hoe hij u zover heeft gekregen dat u hem gelooft, maar we zullen hem niet toestaan dat hij met zijn mensenhanden een elf aanraakt.’

‘Zelfs niet als die elf je vijand is?’ riep Laurana woedend.

‘Al had die elf mijn bloedeigen vader vermoord,’ antwoordde de elf grimmig. ‘En nu, vrouwe Laurana, moet ik u onder vier ogen spreken. Ik moet u uitleggen wat er op Zuid-Ergoth gaande is.’

Toen hij Laurana zag aarzelen, sprak Elistan: ‘Ga maar, mijn kind. Jij bent nu de enige die ons nog kan redden. Ik blijf bij Gilthanas in de buurt.’

‘Goed dan,’ zei Laurana. Ze stond op. Met een bleek gezicht liep ze met de elfenleider mee.

‘Dit staat me niet aan,’ zei Derek met een boos gezicht. ‘Ze heeft hun verteld over de drakenbol en dat had ze niet moeten doen.’

‘Ze hoorden ons erover praten,’ zei Sturm vermoeid.

‘Ja, maar ze heeft hun verteld waar hij was. Ik vertrouw haar niet, en de rest van haar volk ook niet. Wie weet wat ze nu allemaal aan het bekokstoven zijn.’

‘Dat is de druppel!’ bromde iemand.

Verbijsterd draaiden de beide mannen zich om naar Flint, die wankel overeind kwam. Zijn tanden klapperden nog steeds, maar in zijn ogen glansde een koud licht toen hij Derek aankeek. ‘N-nu heb ik er g-genoeg v-van, arrogant stuk ridder.’ De dwerg klemde zijn kiezen op elkaar in een poging het klappertanden lang genoeg te laten ophouden om iets te kunnen zeggen.

Sturm wilde ingrijpen, maar de dwerg duwde hem uit de weg en vatte post tegenover Derek. Het was een belachelijk tafereel, waaraan Sturm vaak met een glimlach moest terugdenken. Op een dag zou hij het aan Tanis vertellen. De lange, witte baard van de dwerg was nat en onverzorgd, het water dat van zijn kleren drupte vormde een plas rond zijn voeten en hij kwam niet hoger dan de gesp om Dereks middel, maar hij gaf de lange, trotse Solamnische ridder een veeg onder uit de pan alsof het Tasselhof was.

‘Jullie ridders hebben zo lang in een ijzeren ketel rondgelopen dat jullie hersenen tot moes zijn geschud,’ snoof de dwerg. ‘Als jullie om te beginnen al hersenen hadden, wat ik overigens betwijfel. Ik heb dat meisje zien uitgroeien van een klein ding tot de beeldschone vrouw die ze nu is. En ik kan je vertellen dat er op heel Krynn niemand is die dapperder en eerzamer is dan zij. Wat jou dwarszit, is dat ze zojuist je hachje heeft gered. En daar kun je niet mee omgaan.’

Dereks gezicht liep vuurrood aan in het toortslicht.

‘Ik heb geen dwergen of elfen nodig om me te verdedigen...’ begon Derek boos, maar op dat moment kwam Laurana op een holletje terug, met een glinstering in haar ogen.

‘Alsof er nog niet genoeg kwaad op de wereld is,’ prevelde ze met verstrakte lippen, ‘blijkt het nu te midden van mijn eigen volk te broeien!’

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Sturm..

‘Het staat er als volgt voor: er leven op het moment drie elfenrassen op Zuid-Ergoth...’

‘Drie elfenrassen?’ viel Tasselhof Laurana in de rede. Hij keek haar belangstellend aan. ‘Wat is dan dat derde ras? En waar komen ze vandaan? Mag ik ze zien? Ik heb nog nooit gehoord van—’

Laurana had er genoeg van. ‘Tas,’ zei ze gespannen. ‘Ga bij Gilthanas zitten. En vraag of Elistan hier wil komen.’

‘Maar...’

Sturm gaf de kender een zet. ‘Wegwezen!’

Gekwetst en ongelukkig sjokte Tasselhof naar de plek waar Gilthanas nog altijd lag. Daar ging hij op het zand zitten pruilen. Elistan gaf hem een vriendelijk klopje voordat hij zich bij de anderen voegde.

‘De Kaganesti, die in het Gemeenschaps bekendstaan als de wilde elfen, zijn het derde ras,’ ging Laurana verder. ‘Ze hebben zij aan zij met ons gevochten tijdens de Bloedmoordoorlog. In ruil voor hun loyaliteit schonk Kith-Kanan hun de bergen van Ergoth. Dat was nog voordat Qualinesti en Ergoth door de Catastrofe uiteen werden gedreven. Het verbaast me niet dat jullie nog nooit van de wilde elfen hebben gehoord. Het is een geheimzinnig volk dat zich niet met de buitenwereld bemoeit. Ooit werden ze Grenselfen genoemd. Het zijn woeste krijgers en ze hebben Kith-Kanan trouw gediend, maar ze houden niet van steden. Ze gingen om met de druïden en hebben van hen geleerd. Zij hebben de gewoonten van de oude elfen nieuw leven ingeblazen. Mijn volk beschouwt hen als barbaren, net zoals jullie de Vlaktelieden als barbaren beschouwen.

Toen de Silvanesti enkele maanden geleden uit hun oude vaderland werden verdreven, zijn ze hiernaartoe gevlucht en hebben de Kaganesti toestemming gevraagd om tijdelijk in Ergoth te verblijven. Toen kwam mijn volk, de Qualinesti, over de zee. Zo werden ze eindelijk herenigd, de verwanten die honderden jaren van elkaar gescheiden waren geweest.’

‘Ik zie niet in wat er relevant is aan...’ viel Derek haar in de rede.

‘Dat komt nog wel,’ zei Laurana. Ze haalde diep adem. ‘Want jullie leven hangt ervan af of jullie begrijpen wat er op dit trieste eiland gaande is.’ Haar stem brak. Elistan ging naast haar staan en sloeg troostend een arm om haar heen.

‘Het begon allemaal heel vredig. De gevluchte verwanten hadden immers veel gemeen: allemaal waren ze door het kwaad in de wereld verdreven uit hun geliefde vaderland. Ze hebben nederzettingen gebouwd op het eiland, de Silvanesti langs de westkust en de Qualinesti langs de oostkust, van elkaar gescheiden door een zee-engte die Thon-Tsalarian heet. Dat betekent “Dodenrivier” in het Kaganestisch. De Kaganesti zelf wonen in de heuvels ten noorden ervan.

Een tijd lang werden er zelfs pogingen ondernomen om vriendschap te sluiten tussen de Silvanesti en de Qualinesti. Toen begonnen de problemen. Want zelfs na honderden jaren konden deze elfen elkaar niet treffen zonder dat de oude haatgevoelens en misverstanden weer kwamen opborrelen.’ Even sloot Laurana haar ogen. ‘De Dodenrivier zou je net zo goed Thon-Tsalaroth kunnen noemen: de Rivier des Doods.’