‘Rustig maar, meisje,’ zei Flint. Hij legde zijn hand op de hare. ‘De dwergen hebben het ook meegemaakt. Je hebt gezien hoe ik werd behandeld in Thorbardin, als heuveldwerg te midden van de bergdwergen. Geen haat is zo wreed als die tussen families.’
‘Er zijn nog geen doden gevallen, maar de oudsten waren zo geschrokken van de gedachte aan wat er zou kunnen gebeuren — elfen die hun eigen verwanten zouden doden — dat ze hebben besloten dat niemand de zee-engte mag oversteken, op straffe van gevangenneming,’ ging Laurana verder. ‘En zo staat het er nu voor. De twee kampen vertrouwen elkaar niet. Men beschuldigt elkaar zelfs van spionage voor de Drakenheren! Aan beide zijden zijn spionnen opgepakt.’
‘Dat verklaart waarom ze ons aanvielen,’ prevelde Elistan.
‘En de Kag... Kag...’ hakkelde Sturm, worstelend met het onbekende elfse woord.
‘Kaganesti.’ Laurana zuchtte vermoeid. ‘Zij die ons hebben toegestaan hun land met hen te delen zijn nog het slechtst behandeld van allemaal. De Kaganesti zijn in materieel opzicht altijd arm geweest. Arm naar onze maatstaven, niet naar die van hen. Ze wonen in het bos en de bergen, en leven van het land. Het zijn jager-verzamelaars. Ze kweken geen gewassen, smeden geen ijzer. Toen ons volk aankwam, was het in hun ogen rijk met hun gouden sieraden en stalen wapens. Veel van hun jonge mensen kwamen naar de Qualinesti en de Silvanesti toe om het geheim van het bewerken van goud en zilver te leren. En het bewerken van staal.’
Laurana beet op haar lip en haar gezicht verstrakte. ‘Ik zeg tot mijn grote schande dat mijn volk misbruik heeft gemaakt van de armoede van de wilde elfen. De Kaganesti werken als slaven voor ons. Daardoor worden de oudsten van de Kaganesti steeds woester en oorlogszuchtiger, want ze zien hun jonge mensen verdwijnen, en hun traditionele manier van leven wordt bedreigd.’
‘Laurana!’ riep Tasselhof.
Ze draaide zich om. ‘Kijk,’ zei ze zachtjes tegen Elistan. ‘Daar heb je er een.’
De priester volgde haar blik en zag een sierlijke jonge vrouw — omdat ze lang haar had ging hij er tenminste vanuit dat het een jonge vrouw was, al droeg ze mannenkleding — die naast Gilthanas neerknielde en over zijn voorhoofd streek. De elfenheer bewoog zich onder haar aanraking en kreunde van pijn. De Kaganesti stak haar hand in een buidel die om haar middel hing en begon ijverig een mengsel te bereiden in een klein schaaltje van klei.
‘Wat doet ze?’ vroeg Elistan.
‘Kennelijk is zij de genezer die ze hebben laten komen,’ zei Laurana terwijl ze het meisje nauwlettend in de gaten hield. ‘De Kaganesti staan bekend om hun druïdische vaardigheden.’
Wilde elf was een passende naam, besloot Elistan nadat hij het meisje aandachtig had bestudeerd. In elk geval had hij op heel Krynn nog nooit een intelligent wezen gezien dat er zo verwilderd uitzag. Ze droeg een leren broek waarvan de pijpen in leren laarzen waren gestopt. Een hemd, duidelijk een afdankertje van een elfenheer, hing om haar schouders. Ze was bleek en te mager, ondervoed. Haar samengeklitte haar was zo smerig dat de kleur ervan niet vast te stellen was. Maar de hand waarmee ze Gilthanas aanraakte, was slank en welgevormd. Haar vriendelijke gezicht straalde bezorgdheid en medeleven uit.
‘Nou,’ zei Sturm, ‘wat gaan we doen nu we dit allemaal weten?’
‘De Silvanesti hebben ermee ingestemd om ons naar mijn eigen volk te brengen,’ zei Laurana met een rood gezicht. Kennelijk was dat een zwaarbevochten beslissing geweest. ‘Aanvankelijk stonden ze erop dat we eerst naar hun oudsten zouden gaan, maar ik heb gezegd dat ik nergens naartoe ging zonder eerst mijn vader te begroeten en de kwestie met hem te bespreken. Daar konden ze niet veel tegen inbrengen.’ Laurana glimlachte vaag, al had haar stem een zweem van bitterheid. ‘Bij alle elfenvolken is een dochter onlosmakelijk verbonden met het huis van haar vader tot ze meerderjarig is. Als ze me hier tegen mijn wil vasthielden, zou dat worden uitgelegd als ontvoering en tot openlijke vijandelijkheden leiden. Geen van beide volken zit daarop te wachten.’
‘Dus ze laten ons gaan, ook al weten ze dat we de drakenbol hebben?’ vroeg Derek verbijsterd.
‘Ze laten ons helemaal niet gaan,’ antwoordde Laurana scherp. ‘Ik zei dat ze ons naar mijn eigen volk zullen brengen.’
‘Maar in het noorden is er een Solamnische buitenpost,’ zei Derek. ‘Daar kunnen we vast wel een schip vinden dat ons naar Sancrist kan brengen...’
‘Als je probeerde te ontsnappen, zou je niet verder komen dan die bomen daar,’ zei Flint. Hij nieste hevig.
‘Hij heeft gelijk,’ zei Laurana. ‘We moeten naar de Qualinesti gaan en mijn vader ervan proberen te overtuigen dat hij ons moet helpen de bol naar Sancrist te brengen.’ Er verscheen een duister fronsje tussen haar wenkbrauwen waaruit Sturm opmaakte dat ze niet geloofde dat dat zo eenvoudig zou zijn als het klonk. ‘En nu hebben we lang genoeg gepraat. Ze hebben me toestemming gegeven om jullie uitleg te geven, maar ze worden rusteloos en willen graag vertrekken. Ik moet gaan kijken hoe het met Gilthanas gaat. Zijn we het eens?’
Laurana keek de beide ridders aan met een blik die aangaf dat ze niet zozeer hun toestemming vroeg, maar wachtte op een teken dat ze haar leiderschap erkenden. Even leek ze zo op Tanis met die ferm geheven kin en die kalme, onwrikbare vastberadenheid in haar ogen dat Sturm ervan moest glimlachen. Derek kon er echter niet om lachen. Hij was woedend en gefrustreerd, en de wetenschap dat hij niets in te brengen had maakte dat alleen maar erger.
Uiteindelijk grauwde hij echter binnensmonds een antwoord dat ze kennelijk maar als een bevestiging moesten opvatten, waarna hij boos de kist ging ophalen. Flint en Sturm gingen achter hem aan. De dwerg moest zo hevig niezen dat hij bijna niet op zijn benen kon blijven staan.
Laurana liep, op haar zachte, leren laarzen die op het zand geen enkel geluid maakten, terug naar haar broer. De wilde elf hoorde haar echter aankomen. Ze hief haar hoofd, schonk Laurana een angstige blik en deinsde terug als een diertje dat ineen krimpt voor een naderend mens. Maar Tas, die met haar had zitten babbelen in een merkwaardige mengeling van Gemeenschaps en elfs, pakte haar zachtjes bij haar arm.
‘Niet weggaan,’ zei de kender opgewekt. ‘Dit is de zus van de elfenheer. Kijk, Laurana. Gilthanas komt weer een beetje bij. Dat komt vast door dat modderige spul dat ze op zijn voorhoofd heeft gesmeerd. Ik had durven zweren dat hij nog dagenlang buiten kennis zou blijven.’ Tas stond op. ‘Laurana, dit is mijn vriendin... Hoe zei je ook alweer dat je heette?’
Het hevig bevende meisje hield haar blik strak op de grond gericht. Ze schepte telkens wat zand op en liet het weer tussen haar vingers wegglijden terwijl ze iets mompelde wat ze niet konden verstaan.
‘Wat zei je, mijn kind?’ vroeg Laurana op zo’n lieve en zorgzame toon dat het meisje verlegen haar ogen opsloeg.
‘Silvart,’ zei ze zachtjes.
‘Dat betekent “zij met het zilveren haar” in het Kaganesti, nietwaar?’ vroeg Laurana. Ze knielde naast Gilthanas neer en hielp hem te gaan zitten. Duizelig raakte hij de laag dikke brij aan die het meisje op zijn bloedende wang had gesmeerd.
‘Niet aankomen,’ waarschuwde Silvart, terwijl ze snel haar hand op die van Gilthanas legde. ‘Het maakt je beter.’ Ze sprak Gemeenschaps, niet slecht, maar duidelijk en bondig.
Kreunend van de pijn sloot Gilthanas zijn ogen en liet zijn hand zakken. Silvart keek hem diep bezorgd aan. Ze wilde zijn gezicht strelen, maar trok toen met een snelle blik op Laurana haastig haar hand weer terug. Ze wilde opstaan.
‘Wacht,’ zei Laurana. ‘Wacht, Silvart.’
Het meisje verstijfde als een bang konijntje en staarde Laurana met zulke grote, angstige ogen aan dat ze werd overspoeld door schaamte.
‘Niet bang zijn. Ik wilde je bedanken omdat je voor mijn broer hebt gezorgd. Tasselhof heeft gelijk. Ik was bang dat hij zeer ernstig gewond was, maar jij hebt hem geholpen. Blijf alsjeblieft bij hem, als je wilt.’