Выбрать главу

Silvart staarde naar de grond. ‘Ik zal bij hem blijven, vrouwe, als dat uw bevel is.’

‘Dat is geen bevel, Silvart,’ zei Laurana. ‘Dat is mijn vraag aan jou. En mijn naam is Laurana.’

Silvart sloeg haar ogen op. ‘Dan zal ik met plezier bij hem blijven, vr... Laurana, als je het me vraagt.’ Opnieuw liet ze haar hoofd zakken, en ze konden haar nauwelijks verstaan toen ze fluisterde: ‘Mijn echte naam, Silvara, betekent “zij met het zilveren haar”. Silvart is de naam die zij voor me gebruiken.’ Ze wierp een blik op de Silvanestikrijgers, maar keek toen weer naar Laurana. ‘Zou je me alsjeblieft Silvara willen noemen?’

De Silvanesti-elfen kwamen een geïmproviseerde draagbaar brengen die ze hadden gemaakt van boomtakken en een deken. Daar legden ze — tamelijk voorzichtig — de elfenheer op. Silvara liep ernaast mee. Tasselhof hield haar gezelschap, nog altijd babbelend, blij iemand gevonden te hebben die zijn verhalen nog niet had gehoord. Laurana en Elistan liepen aan de andere kant van de draagbaar. Laurana hield Gilthanas’ hand vast en waakte teder over hem. Achter hen aan kwam Derek, zijn gezicht duister en betrokken, met op zijn schouder de kist met de drakenbol. Daar weer achteraan liep een groep wachters van de Silvanesti.

Toen ze de rand van het bos, parallel aan het strand, hadden bereikt, gloorde het eerste grauwe, ontmoedigende licht aan de horizon. Flint huiverde. Over zijn schouder staarde hij naar de zee. ‘Wat zei Derek nou over een... een schip naar Sancrist?’

‘Ik ben bang dat het niet anders kan,’ antwoordde Sturm. ‘Dat is ook een eiland.’

‘En moeten we er echt naartoe?’

‘Ja.’

‘Om de drakenbol te gebruiken? We weten er helemaal niets over!’

‘Daar komen de ridders wel uit,’ zei Sturm zachtjes. ‘De toekomst van de wereld is hiervan afhankelijk.’

‘Hm!’ De dwerg nieste nog maar eens en wierp een doodsbange blik op het zwarte water. Somber schudde hij zijn hoofd. ‘Het enige wat ik weet is dat ik twee keer bijna ben verdronken, een dodelijke ziekte heb opgelopen...’

‘Je was gewoon zeeziek.’

‘Een dodelijke ziekte heb opgelopen,’ herhaalde Flint luid, ‘en naar de kelder ben gegaan. Let op mijn woorden, Sturm Zwaardglans, boten brengen ons ongeluk. We hebben niets dan pech gehad sinds we op het Kristalmirmeer in die vermaledijde boot zijn gestapt. Daar zag de magier voor het eerst dat de sterrenbeelden verdwenen waren, en vanaf dat moment is het alleen maar bergafwaarts gegaan met ons fortuin. Zolang we op boten blijven vertrouwen, zal het van kwaad tot erger gaan.’

Sturm glimlachte terwijl hij naar de dwerg keek, die soppend in zijn laarzen over het zand ploeterde. Die glimlach veranderde echter al snel in een zucht. Was het allemaal maar zo simpel, dacht de ridder.

3

De Zonnespreker. Laurana’s beslissing.

De Zonnenspreker, leider van de Qualinesti-elfen, zat in het primitieve hutje van hout en leem dat de Kaganesti-elfen voor hem hadden gebouwd. Zelf beschouwde hij het als primitief, maar in de ogen van de Kaganesti was het een geweldig groot en degelijk huis, geschikt voor wel vijf of zes gezinnen. Sterker nog, het was als zodanig bedoeld geweest, en ze waren dan ook diep geschokt toen de Spreker verklaarde dat het wat hem betrof ternauwernood toereikend was voor zijn behoeften, toen hij er samen met zijn vrouw zijn intrek nam — als enigen.

Wat de Kaganesti natuurlijk niet konden weten, was dat het huis van de Spreker in ballingschap het centrale hoofdkwartier zou worden voor alles wat de Qualinesti aanging. De ceremoniële schildwachten namen exact dezelfde positie in als in de rijk bewerkte zalen van het paleis in Qualinost. De Spreker hield audiëntie op hetzelfde tijdstip en op dezelfde hoofse manier, alleen was zijn plafond nu een met leem afgewerkte koepel van gevlochten gras in plaats van een glinsterend mozaïek en waren de muren van hout in plaats van kristalhelder kwarts.

Elke dag zat de Spreker in vol ornaat op zijn troon, met naast zich de dochter van de zuster van zijn vrouw, die als klerk dienst deed. Hij droeg dezelfde gewaden en handelde zaken af met hetzelfde kille aplomb. Toch waren er verschillen. De Spreker had de afgelopen maanden een drastische verandering ondergaan, maar onder de Qualinesti was er niemand die zich daarover verwonderde. De Spreker had zijn zoon weggestuurd op wat velen als een zelfmoordmissie beschouwden. Erger nog, zijn dochter was weggelopen om zich bij haar half menselijke geliefde te voegen. De Spreker verwachtte niet zijn beide kinderen ooit nog terug te zien.

Het verlies van zijn zoon Gilthanas had hij nog kunnen accepteren. Die had immers een nobele heldendaad verricht. De jongeman had een groep avonturiers naar de mijnen van Pax Tharkas geleid om de mensen die daar gevangen zaten te bevrijden en het drakenleger af te leiden dat Qualinesti bedreigde. Het plan was een succes gebleken, een onverwacht succes. Het drakenleger was teruggeroepen naar Pax Tharkas, waardoor de elfen genoeg tijd hadden om te ontsnappen naar de westkust van hun land en van daaruit de zee over te steken naar Zuid-Ergoth.

Wat de Spreker echter niet kon verdragen, was het verlies van zijn dochter, en de bezoedeling van haar naam.

Het was Porthios, de oudste zoon van de Spreker, geweest die emotieloos aan hem had uitgelegd wat er was gebeurd, nadat duidelijk was geworden dat Laurana was verdwenen. Ze was achter haar jeugdvriend Tanis Halfelf aangegaan. De Spreker was verpletterd, werd verteerd door verdriet. Hoe had ze dat kunnen doen? Hoe kon ze haar familie zo te schande maken? Een prinses van haar volk die achter een halfbloed-bastaard aan liep!

Met de vlucht van Laurana was de zon verdwenen uit het leven van haar vader. Gelukkig schonk de noodzaak om zijn volk te leiden hem de kracht om door te gaan, maar er waren momenten waarop de Spreker zich afvroeg wat het nog voor zin had. Hij kon afstand doen van de troon ten gunste van zijn oudste zoon. Porthios regelde toch al bijna alles. Wanneer hij het gepast achtte, boog hij voor de wil van zijn vader, maar de meeste beslissingen nam hij zelf. De jonge elfenheer was zeer serieus voor zijn leeftijd en bewees een uitstekende leider te zijn, al vonden sommigen hem te onbuigzaam ten opzichte van de Silvanesti en de Kaganesti.

De Spreker was een van hen, en dat was de belangrijkste reden dat hij de leiding nog niet aan Porthios overliet. Af en toe wees hij zijn oudste zoon erop dat je met gematigdheid en geduld meer kon winnen dan met dreigementen en gerammel met zwaarden, maar Porthios vond zijn vader teerhartig en sentimenteel. De Silvanesti met hun strikte kastenstelsel beschouwden de Qualinesti eigenlijk niet eens als volbloed elfen, maar eerder als een ondersoort, zoals de greppeldwergen door de dwergen als een minderwaardige soort werden gezien. Porthios zei het niet tegen zijn vader, maar hij geloofde stellig dat het onherroepelijk tot bloedvergieten zou komen.

Aan de andere kant van de Thon-Tsalarian was er een stijfkoppige, koelbloedige elfenheer, Quinath genaamd, die er net zo over dacht. Het gerucht ging dat hij de verloofde was van prinses Alhana Sterrenbries, en tijdens haar onverklaarde afwezigheid trad heer Quinath op als leider van de Silvanesti. Samen hadden hij en Porthios het eiland verdeeld tussen de twee strijdende elfennaties, zonder ook maar enige aandacht te schenken aan het derde ras.

Op bevoogdende wijze werden de Kaganesti op de hoogte gesteld van de nieuwe grenzen, zoals je aan een hond duidelijk zou maken dat hij niet in de keuken mag komen. De Kaganesti, die bekend stonden om hun licht ontvlambare temperament, waren diep verontwaardigd toen ze beseften dat hun land door anderen werd verdeeld. Nu al werd het jagen moeilijker. De dieren die de wilde elfen nodig hadden om te overleven, werden in groten getale gedood om de vluchtelingen te voeden. Zoals Laurana al had gezegd: elk moment kon de Dodenrivier rood kleuren van het bloed en een nieuwe, tragische naam krijgen.

Zo kwam het dat de Spreker in een gewapend kamp leefde. Maar als hij daar al om rouwde, ging dat verdriet op in al het andere leed dat hem kwelde, en uiteindelijk raakte hij verdoofd. Niets kon hem nog raken. Meer en meer trok hij zich terug in zijn lemen huis en liet hij de zaken over aan Porthios.