De Spreker was vroeg opgestaan op de ochtend dat de reisgenoten arriveerden in wat inmiddels Qualin-Mori heette. Hij stond altijd vroeg op. Niet omdat hij zoveel te doen had, maar omdat hij toch al het grootste deel van de nacht naar het plafond had liggen staren. Hij zat aantekeningen te maken voor zijn afspraken met de hoofden van het huishouden die dag — een onbevredigende taak, aangezien de hoofden alleen maar konden klagen — toen hij buiten zijn huis een groot tumult hoorde.
De moed zakte de Spreker in de schoenen. Wat nu weer, dacht hij angstig. Het scheen hem toe dat er zekeréén a twee keer per dag zulke commotie ontstond. Waarschijnlijk had Porthios een paar heethoofdige jongeren van de Qualinesti en de Silvanesti betrapt die aan het vechten waren. Hij schreef verder in de verwachting dat het kabaal vanzelf over zou gaan. Het werd echter alleen maar erger en kwam steeds dichterbij. De Spreker kon geen andere verklaring bedenken dan dat er iets ernstigere was gebeurd. En niet voor het eerst vroeg hij zich af wat hij zou doen als er weer oorlog uitbrak tussen de elfen.
Hij liet zijn ganzenveer vallen, trok zijn staatsgewaad aan en wachtte vol spanning af. Buiten hoorde hij dat de wachters in de houding gingen staan. Hij hoorde Porthios de traditionele woorden spreken waarmee hij toestemming vroeg om binnen te treden, aangezien het nog vroeg op de dag was. De Spreker wierp een angstige blik op de deur naar zijn privévertrekken, bang dat zijn vrouw wakker zou worden. Ze verkeerde in slechte gezondheid sinds ze uit Qualinesti waren weggegaan. Bevend stond hij op en zette het strenge, kille gezicht op dat hij inmiddels gewend was zich aan te meten alsof het een extra kledingstuk was, en verzocht de bezoekers binnen te komen.
Een van de wachters opende de deur, duidelijk met de bedoeling iemand aan te kondigen. Hij kon echter niet uit zijn woorden komen, en voordat hij iets kon zeggen, drong een lange, slanke gestalte gekleed in een zware bontmantel met een kap zich langs de wachter heen en rende op de Spreker af. Geschrokken deinsde hij achteruit, want hij zag slechts dat de indringer gewapend was met een zwaard en een boog.
De indringer deed de kap van haar mantel af. De Spreker zag honingblond haar dat het gelaat van een vrouw omlijstte, een gelaat dat zelfs naar elfenmaatstaven opvallend mooi en delicaat was.
‘Vader!’ riep ze, en opeens lag Laurana in zijn armen.
De terugkeer van Gilthanas, al lang doodgewaand door zijn volk, was aanleiding voor het uitbundigste feest dat de Qualinesti hadden gehouden sinds het banket ter ere van de reisgenoten op de avond voordat ze op weg gingen naar de Sla-Mori.
Gilthanas was voldoende hersteld om de festiviteiten te kunnen bijwonen. Het enige wat nog van zijn verwonding te zien was, was een klein litteken op zijn jukbeen. Dat verwonderde Laurana en haar vrienden, want ze hadden gezien wat een verschrikkelijke klap de Silvanesti-elf had uitgedeeld. Toen Laurana er echter iets over zei tegen haar vader, haalde die zijn schouders op en zei dat de Kaganesti vriendschap hadden gesloten met de druïden die in het bos woonden, en dat ze kennelijk veel van hen hadden geleerd over de geneeskunst.
Dat frustreerde Laurana, die wist hoe zeldzaam echte geneeskracht op Krynn was. Ze verlangde er hevig naar om het met Elistan te bespreken. De priester bracht echter vele uren achter gesloten deuren door met haar vader, die al snel zeer onder de indruk was door zijn onvervalste krachten als priester.
Het deed Laurana deugd te zien dat haar vader Elistan accepteerde. Ze was niet vergeten hoe hij Goudmaan had behandeld toen die met het medaillon van Mishakal, de godin van de genezing, om haar hals naar Qualinesti was gekomen. Maar ze miste haar wijze mentor. Hoewel ze dolblij was weer thuis te zijn, begon ze nu te beseffen dat ‘thuis’ voor haar niet meer hetzelfde was en dat ook nooit meer zou zijn.
Iedereen leek heel blij om haar te zien, maar ze behandelden haar met dezelfde hoffelijkheid als Derek, Sturm, Flint en Tas. Ze was een buitenstaander. Zelfs haar ouders deden koeltjes en afstandelijk na het emotionele welkom. Daar zou ze niet eens over hebben nagedacht, ware het niet dat ze Gilthanas overlaadden met aandacht. Vanwaar dat verschil? Het was haar oudste broer Porthios die haar de ogen opende.
Het incident begon tijdens het banket.
‘Je zult merken dat het leven hier heel anders is dan in Qualinesti,’ zei haar vader die avond tegen haar broer terwijl ze aan het banket zaten dat plaatsvond in een grote zaal die de Kaganesti van boomstammen hadden gebouwd. ‘Maar je zult er snel aan gewend zijn.’ Toen wendde hij zich tot Laurana en zei op formele toon: ‘Ik zou het een genoegen vinden als je je oude positie als klerk weer zou willen innemen, maar ik weet dat je het druk zult hebben met andere dingen in ons huishouden.’
Laurana wist niet wat ze moest zeggen. Ze was natuurlijk helemaal niet van plan geweest om te blijven, maar het stond haar niet aan dat ze werd verdrongen uit de traditionele rol van een koningsdochter in het huishouden. Ook beviel het haar niet dat ze met haar vader de mogelijkheid had besproken dat ze de bol naar Sancrist zou brengen, maar hij haar klaarblijkelijk niet serieus had genomen.
‘Spreker,’ zei ze langzaam, trachtend haar ergernis niet in haar stem te laten doorklinken, ‘ik heb het al eerder tegen u gezegd. We kunnen niet blijven. Hebt u dan niet geluisterd naar wat Elistan én ik hebben gezegd? We hebben de drakenbol gevonden! Nu hebben we de middelen om de draken te beheersen en een eind te maken aan deze oorlog! We moeten de bol naar Sancrist brengen...’
‘Stop, Laurana!’ zei haar vader scherp, terwijl hij een blik wisselde met Porthios. Haar broer wierp haar een strenge blik toe. ‘Je weet niet waar je het over hebt. De drakenbol is van onschatbare waarde en dient als zodanig niet hier te worden besproken. En het is uitgesloten dat iemand hem meeneemt naar Sancrist.’
‘Neemt u me niet kwalijk, mijn heer,’ zei Derek terwijl hij opstond en een buiging maakte, ‘maar daar hebt u niets over te zeggen. De drakenbol is niet van u. Ik ben er door de Ridderraad op uitgestuurd indien mogelijk een drakenbol te bemachtigen. Daarin ben ik geslaagd, en ik ben dan ook van plan hem mee te nemen, zoals me is opgedragen. U hebt het recht niet me tegen te houden.’
‘O nee?’ Er lag een boze glinstering in de ogen van de Spreker. ‘Mijn zoon Gilthanas heeft het naar het land gebracht dat wij, de Qualinesti, hebben uitgeroepen tot ons vaderland in ballingschap. Op grond daarvan behoort hij ons rechtens toe.’
‘Dat heb ik nooit beweerd, vader,’ zei Gilthanas, die begon te blozen toen hij de blikken van de reisgenoten op zich gericht voelde. ‘Hij is niet van mij. Hij behoort ons allemaal toe...’
Porthios wierp zijn jongere broer een woedende blik toe. Gilthanas begon te stamelen en verviel toen in stilzwijgen.
‘Als iemand er aanspraak op kan maken, is het Laurana,’ zei Flint Smidsvuur, die niet in het minst onder de indruk was van de boze blikken van de elfen. ‘Want zij was het die Fealthas doodde, de kwade magiegebruiker.’
‘Als hij aan haar toebehoort,’ zei de Spreker met een stem die te oud klonk, zelfs voor zijn honderden jaren, ‘dan behoort hij aan mij toe. Ze is namelijk niet meerderjarig, dus wat van haar is, is van mij, aangezien ik haar vader ben. Dat is de wet bij de elfen, en bij de dwergen ook, als ik me niet vergis.’
Flint liep rood aan. Hij wilde iets zeggen, maar Tasselhof was hem voor.
‘Is dat niet opmerkelijk?’ merkte de kender vrolijk op, omdat de ernst van het gesprek hem was ontgaan. ‘Volgens de wetten van de kenders, als die er al zijn, is alles zo’n beetje van iedereen.’ (Dat klopte inderdaad. De nonchalante houding van de kenders jegens andermans bezittingen strekte zich uit tot die van henzelf. Niets wat in een kenderhuis stond, bleef daar lang staan, tenzij het aan de grond was vastgespijkerd. Het was onvermijdelijk dat er een keer een buurman binnenkwam die zijn oog ergens op liet vallen en er vervolgens afwezig mee naar buiten liep. Voor een kender was iets al een erfstuk als het langer dan drie weken in hetzelfde huis was blijven staan.)