Выбрать главу

Daarna zei niemand nog iets. Flint gaf Tas onder de tafel een schop, en de kender verviel in een gekwetst stilzwijgen dat bleef voortduren tot hij ontdekte dat zijn buurman, een elfenheer, van tafel was geroepen en zijn buidel had laten liggen. De rest van de maaltijd amuseerde de kender zich met het bekijken van de bezittingen van de elfenheer.

Flint, die normaal gesproken een oogje op Tas zou hebben gehouden, werd zo door zijn eigen zorgen in beslag genomen dat hij het niet eens merkte. Het was wel duidelijk dat hier problemen van zouden komen. Derek was furieus. Alleen de strenge erecode van de ridders zorgde ervoor dat hij aan tafel bleef zitten. Laurana zat er stilletjes bij en at niets. Ondanks haar gebruinde huid zag ze bleek, en ze zat met haar vork gaatjes te prikken in het delicate, geweven tafelkleed. Flint gaf Sturm een por.

‘En wij maar denken dat het moeilijk zou zijn om IJsmuur uit te komen met de drakenbol,’ zei de dwerg zachtjes. ‘Daar hoefden we alleen maar te ontsnappen aan een krankzinnige tovenaar en een paar walrusmannen. Nu zijn we omsingeld door drie elfennaties.’

‘We zullen ze moeten overreden,’ zei Sturm zachtjes.

‘Overreden!’ De dwerg snoof. ‘Je hebt nog meer kans dat de ene steen de andere weet te overreden.’

Dat bleek inderdaad het geval. Op verzoek van de Spreker bleven de reisgenoten zitten toen de andere elfen na het eten van tafel gingen. Gilthanas en zijn zusje zaten met bleke, bezorgde gezichten naast elkaar terwijl Derek opstond om de Spreker te ‘overreden’.

‘De bol is van ons,’ verklaarde Derek kil. ‘U hebt er hoegenaamd geen recht op, en hij behoort zeker niet uw dochter of uw zoon toe. Zij zijn met me meegereisd omdat ik dat toestond, nadat ik hen had gered uit het vernietigde Tarsis. Ik ben blij dat ik hen heb kunnen terug brengen naar hun volk, en ik dank u voor uw gastvrijheid. Maar morgen reis ik af naar Sancrist, en ik neem de bol mee.’

Porthios stond op om Derek van repliek te dienen. ‘Al zegt de kender dat de drakenbol van hem is, het doet er niet toe.’ De elfenheer sprak met een zachte, beleefde stem, die desondanks doordrong tot in het verste hoekje van de kamer. ‘De bol is nu in handen van de elfen, en daar zal hij blijven. Denk je echt dat we zo dwaas zijn om dit kostbare voorwerp over te dragen aan mensen, zodat die er nog meer ellende mee kunnen veroorzaken?’

‘Nog meer ellende!’ Dereks gezicht liep rood aan. ‘Besef je wel hoeveel ellende er nu al op de wereld heerst? De draken hebben jullie uit je vaderland verdreven. Nu naderen ze ons land. In tegenstelling tot jullie zijn wij niet van zins te vluchten. We willen het uitvechten, en die bol is misschien wel onze enige hoop...’

‘Je hebt mijn toestemming om terug te keren naar je vaderland en je tot as te laten verbranden als je dat zo nodig wilt,’ antwoordde Porthios. ‘Het komt door mensen zoals jullie dat het oude kwaad is teruggekeerd, dus het is niet meer dan juist dat jullie het ook bestrijden. De Drakenheren hebben wat ze van ons wilden. Ongetwijfeld zullen ze ons nu met rust laten. Hier op Ergoth zullen we ervoor zorgen dat de bol veilig is.’

‘Dwaas!’ Derek sloeg met zijn vuist op tafel. ‘De Drakenheren hebben maaréén doel, en dat is heel Ansalon veroveren, inclusief dit miserabele eilandje. Voorlopig zijn jullie hier wellicht nog veilig, maar als wij vallen, zullen jullie volgen!’

‘Je weet dat het klopt wat hij zegt, vader,’ zei Laurana. Dat was zeer gewaagd, want normaal gesproken mochten elfenvrouwen niet eens bij oorlogsoverleg aanwezig zijn, laat staan dat ze iets mochten zeggen. Nu stond ze echter op en richtte zich tot haar broer, die haar misprijzend aankeek. ‘Porthios, onze vader heeft ons in Qualinesti al verteld dat de Drakenheer niet alleen op ons land uit was, maar ook op de vernietiging van ons ras. Ben je dat vergeten?’

‘Ach wat! Dat was maaréén Drakenheer, en Canaillaard is dood…’

‘Ja, dankzij ons!’ riep Laurana boos. ‘Niet dankzij jou!’

‘Laurana!’ De Spreker stond op en verhief zich tot zijn volle lengte. Aangezien hij nog langer was dan zijn zoon, torende hij hoog boven hen allemaal uit. ‘Je gaat te ver, jongedame. Je hebt het recht niet zo tegen je oudere broer te spreken. We hebben zelf ook grote gevaren overwonnen tijdens onze reis. Hij is zijn plicht en zijn verantwoordelijkheid niet vergeten, net zomin als Gilthanas. Zij zijn niet achter een elfenbastaard aan gelopen als een onbeschaamde mensen—’ De Spreker zweeg abrupt.

Laurana’s lippen trokken spierwit weg. Ze wankelde en moest zich aan de rand van de tafel vasthouden om niet te vallen. Gilthanas stond snel op om haar te helpen, maar ze duwde hem van zich af. ‘Vader,’ zei ze met een stem die ze niet als de hare herkende, ‘wat wilde je zeggen?’

‘Kom mee, Laurana,’ smeekte Gilthanas. ‘Dat meende hij niet. We praten morgenochtend wel verder.’

‘Je wilde “mensenhoer” zeggen,’ zei Laurana zachtjes. Haar woorden waren als speldenprikken op een strakgetrokken huid.

‘Ga naar je verblijf, Laurana,’ beval de Spreker op gespannen toon.

‘Dus zo denk je over me,’ fluisterde Laurana met dichtgeknepen keel. ‘Daarom staart iedereen me aan en stokken de gesprekken als ik in de buurt kom. Mensenhoer.’

‘Zuster, doe wat je vader zegt,’ zei Porthios. ‘En wat onze mening over jou betreft, vergeet niet dat je het over jezelf hebt afgeroepen. Wat had je dan verwacht? Kijk nou eens naar jezelf, Laurana! Je draagt mannenkleding. Je draagt trots een zwaard dat bevlekt is met bloed. Je praat over je “avonturen” alsof er niets verkeerd aan is dat je met mannen zoals deze rondreist, met mensen en dwergen! En dat je de nachten met hen doorbrengt, en met je halfbloedminnaar. Waar is hij eigenlijk? Kreeg hij genoeg van je en is hij...’

Het licht van het haardvuur danste voor Laurana’s ogen. De hitte ervan raasde over haar lichaam, gevolgd door een afschuwelijke kou. Ze kon niets zien en was zich slechts bewust van het afschuwelijke gevoel dat ze viel en er niets tegen kon doen. De stemmen waren heel ver weg, de gezichten van degenen die zich over haar heen bogen vaag.

‘Laurana, mijn dochter...’

Toen niets meer.

‘Vrouwe...’

‘Wat? Waar ben ik? Wie ben jij? Ik... ik zie niets. Help me!’

‘Rustig maar, vrouwe. Pak mijn hand maar vast. Sst. Ik ben bij u. Ik ben het, Silvara. Weet u nog?’

Laurana voelde dat haar handen teder werden vastgepakt toen ze overeind kwam.

‘Kunt u dit drinken, vrouwe?’

Er werd een beker tegen haar lippen gehouden. Laurana proefde ervan. Het was koel, helder water. Gretig pakte ze de beker en dronk hem leeg. Het verkoelde haar verhitte lichaam. Nu ze op krachten kwam, kon ze weer zien. Naast haar bed brandde een kaarsje. Ze was in haar kamer, in het huis van haar vader. Haar kleren lagen op een eenvoudig houten bankje, haar zwaardriem en zwaard er vlakbij en haar reistas lag op de vloer. Aan een tafel tegenover haar bed zat een zuster met haar hoofd op haar armen te slapen als een roos.

Laurana draaide zich om naar Silvara, die haar vinger tegen haar lippen drukte toen ze de vraag in haar ogen zag.

‘Zachtjes praten,’ zei de wilde elf. ‘O, niet vanwege haar,’— Silvara wierp een blik op de zuster — ‘want die slaapt rustig verder. Het duurt nog vele uren voor het drankje uitgewerkt is. Maar er zijn anderen in huis die wellicht nog wakker liggen. Voelt u zich al beter?’

‘Ja,’ antwoordde Laurana verward. ‘Ik kan me niet herinneren…’

‘U bent flauwgevallen,’ antwoordde Silvara. ‘Ik hoorde hen erover praten toen ze u hiernaartoe droegen. Uw vader heeft vreselijke spijt. Het was niet zijn bedoeling dat soort dingen te zeggen. Alleen hebt u hem zo diep gekwetst dat.’

‘Hoe weet je dat allemaal?’

‘Ik had me verstopt in de schaduw, hier in de hoek. Dat is voor iemand van mijn volk niet zo moeilijk. De oude zuster zei dat u niets mankeerde, dat u alleen maar rust nodig, had, en ze zijn weggegaan. Toen zij een deken ging halen, heb ik slaapsap in haar thee gedaan.’