Nu werden ze onder dubbele bewaking vastgehouden als ‘gasten’ van de Zonnenspreker.
‘Moetje zo heen en weer lopen?’ vroeg Derek kil.
‘Hoezo? Houd ik je wakker?’ snauwde Sturm.
‘Natuurlijk niet. Alleen een dwaas kan onder deze omstandigheden slapen. Maar je verstoort mijn concen…’
‘Sst!’ zei Sturm. Hij hief waarschuwend zijn hand.
Meteen deed Derek er het zwijgen toe. Sturm gebaarde naar hem. De oudere ridder ging naast Sturm in het midden van de kamer staan, waar die naar het plafond stond te kijken. Het huis van boomstammen was rechthoekig, metéén deur, twee ramen en een vuurkuil in het midden van de vloer. Een gat in het dak zorgde voor de nodige ventilatie.
Door dat gat had Sturm het vreemde geluid gehoord dat zijn aandacht had getrokken. Het was een schuifelend, schrapend geluid. De houten balken in het plafond kraakten alsof er iets zwaars overheen kroop.
‘Een of ander wild dier,’ mompelde Derek. ‘En we zijn ongewapend.’
‘Nee,’ zei Sturm, die aandachtig stond te luisteren. ‘Het gromt niet. En het beweegt te stilletjes, alsof het niet gehoord of gezien wil worden. Wat zijn die wachters daarbuiten eigenlijk aan het doen?’
Derek liep naar het raam en tuurde naar buiten. ‘Ze zitten rond het vuur. Twee zijn in slaap gevallen. Ze maken zich kennelijk niet erg druk om ons, hè?’ zei hij verbitterd.
‘Waarom zouden ze?’ vroeg Sturm, nog steeds met zijn blik strak op het plafond gericht. ‘We zijn omringd door duizenden elfen die het minste geluid zullen horen. Wel ver…’
Geschrokken deinsde Sturm achteruit toen de sterren waarnaar hij door het gat had staan kijken opeens aan het zicht werden onttrokken door een donkere, vormeloze massa. Snel pakte Sturm een dikke tak uit het smeulende vuur, die hij als een knuppel aan het uiteinde vasthield.
‘Sturm! Sturm Zwaardglans!’ zei de vormeloze massa.
Verbaasd probeerde Sturm die stem te plaatsen. Hij klonk heel bekend. Allerlei herinneringen aan Soelaas kwamen boven. ‘Theros!’ zei hij verbijsterd. ‘Theros IJzerfeld! Wat doe jij hier? De laatste keer dat ik je zag, was in het elfenrijk, en toen balanceerde je op het randje van de dood.’
De reusachtige smid van Soelaas wrong zich moeizaam door het gat in het dak, waarbij hij een deel van het plafond meenam. Hij kwam met een zware dreun neer, zodat de dwerg wakker werd. Die ging rechtop zitten en tuurde met slaperige ogen naar de verschijning in het midden van het vertrek.
‘Wat...’ De dwerg vloog overeind en tastte naar zijn strijdbijl, die echter niet meer naast hem lag.
‘Sst!’ zei de smid bevelend. ‘Er is geen tijd voor vragen. Vrouwe Laurana heeft me gestuurd om jullie te bevrijden. Ik heb in het bos achter het kamp met haar afgesproken. Haast je! We hebben nog maar een paar uur tot de dageraad, en voor die tijd moeten we de rivier zijn overgestoken.’ Met grote passen liep Theros op Tasselhof af, die zonder succes probeerde zichzelf te bevrijden. ‘Aha, meesterdief, ik zie dat iemand je eindelijk te pakken heeft gekregen.’
‘Ik ben geen dief.’ zei Tas verontwaardigd. ‘Je kent me toch, Theros? Die buidel is me opzettelijk toegespeeld.’
Grinnikend pakte de smid de ketting in zijn beide handen en trok hem met een felle ruk kapot. Tasselhof merkte het echter niet eens. Hij zat naar de armen van de smid te kijken. De ene, de linker, was donker, bijna zwart, dezelfde kleur als de rest van de huid van de smid. Maar de andere, de rechter, was van glanzend zilver.
‘Theros,’ zei Tas met verstikte stem. ‘Je arm...’
‘Bewaar je vragen voor later, kleine dief,’ zei de smid streng. ‘Nu moeten we snel en stil hier weg.’
‘De rivier over,’ kreunde Flint hoofdschuddend. ‘Alweer een boot. Alweer een boot...’
‘Ik wil de Spreker zien,’ zei Laurana tegen de wachter die voor de deur van haar vaders vertrekken stond.
‘Het is al laat,’ zei de wachter. ‘De Spreker slaapt.’
Laurana deed haar kap af. De wachter maakte een buiging. ‘Vergeef me, prinses. Ik herkende u niet.’
Hij wierp een wantrouwige blik op Silvara. ‘Wie is dat?’
‘Mijn dienster. Ik zou me in het donker nooit alleen verplaatsen.’
‘Nee, natuurlijk niet,’ zei de wachter gehaast terwijl hij de deur opende. ‘Loopt u maar door. Zijn slaapkamer is de derde deur aan de rechterkant van de gang.’
‘Dank je,’ antwoordde Laurana terwijl ze langs de wachter liep. Silvara, diep weggedoken in een veel te grote mantel, kwam zachtjes achter haar aan.
‘De kist staat in zijn kamer, aan het voeteneind van het bed,’ fluisterde Laurana tegen Silvara. ‘Weet je zeker datje de drakenbol kunt dragen? Hij is groot en heel zwaar.’
‘Zo groot is hij niet,’ prevelde Silvara met een niet-begrijpende blik op Laurana. ‘Zoiets maar.’ Met haar handen beeldde ze een bol uit ter grootte van de speelbal van een klein kind.
‘Nee,’ zei Laurana fronsend. ‘Je hebt hem niet gezien. Hij is bijna twee voet in doorsnee. Daarom wilde ik dat je die lange mantel zou aantrekken.’
Silvara staarde haar verwonderd aan. Laurana haalde haar schouders op. ‘Nou ja, we kunnen hier ook niet blijven staan redetwisten. We bedenken wel iets als het zover is.’
Stilletjes als kenders slopen ze de gang door naar de slaapkamer.
Met ingehouden adem, bang dat zelfs haar hartslag te luid was, duwde Laurana tegen de deur. Die ging open met een gepiep dat haar door merg en been ging. Naast haar huiverde Silvara van angst. In het bed draaide iemand zich om. Laurana’s moeder. Ze zag dat haar vader zelfs in zijn slaap zijn hand uitstak om haar een geruststellend klopje te geven. Tranen vertroebelden haar blik. Met haar lippen vastberaden opeengeklemd greep ze Silvara’s hand vast en glipte de kamer binnen.
De kist stond aan het voeteneind van het bed. Hij zat op slot, maar de reisgenoten hadden allemaal een kopie van het zilveren sleuteltje. Snel deed Laurana de kist van het slot en tilde de deksel op. Van verbazing liet ze hem bijna uit haar handen vallen. De drakenbol zat er nog in, en in het midden had hij nog steeds die zachte, wit-blauwe gloed. Maar het was niet dezelfde bol, of anders was hij gekrompen. Zoals Silvara al had aangegeven was hij nu niet veel groter dan de speelbal van een kind. Laurana tilde hem op. Hij was nog steeds zwaar, maar ze kon hem gemakkelijk tillen. Voorzichtig, met bevende hand, haalde ze hem uit de kist en gaf hem aan Silvara. Meteen stopte de wilde elf hem weg onder haar mantel. Intussen pakte Laurana de houten schacht van de drakenlans, maar ze vroeg zich af waarom ze de moeite nam om het kapotte, oude ding mee te nemen.
Ik neem hem mee omdat de ridder hem aan Sturm heeft gegeven, dacht ze. Hij wilde dat hij hem zou krijgen.
Op de bodem van de kist lag Tanis’ zwaard, Wyrmdoder, dat hem door Kith-Kanan was geschonken. Laurana keek van het zwaard naar de drakenlans. Ik kan ze niet allebei meenemen, dacht ze, en ze wilde de lans terugleggen. Maar Silvara pakte haar geschrokken vast.
‘Wat doe je?’ Haar lippen vormden geluidloos de woorden en er flitste iets in haar ogen. ‘Neem hem mee! Neem hem mee!’
Laurana keek het meisje verbijsterd aan. Toen haalde ze haastig de lans weer uit de kist, verborg hem onder haar mantel en deed voorzichtig de kist dicht, met het zwaard er nog in. Op het moment dat ze met haar verkleumde vingers de deksel losliet, draaide haar vader zich om en kwam een stukje overeind.
‘Wat? Wie is daar?’ vroeg hij verschrikt en al half wakker.
Laurana voelde Silvara beven en greep geruststellend de hand van het meisje vast, als waarschuwing dat ze stil moest zijn.