‘Ik ben het, vader,’ zei ze zachtjes. ‘Laurana. Ik... ik wilde je vertellen dat... dat het me spijt, vader. En ik smeek je me te vergeven.’
‘Ach, Laurana.’ De Spreker liet zich weer in zijn kussens zakken en sloot zijn ogen. ‘Ik vergeef je, mijn dochter. Ga terug naar bed. We praten morgenochtend verder.’
Laurana wachtte tot zijn ademhaling rustig en regelmatig werd. Toen leidde ze Silvara de kamer uit, terwijl ze met haar andere hand de drakenlans onder haar mantel stevig vasthield.
‘Wie is daar?’ riep iemand, een mens, zachtjes in het elfs.
‘Wie wil dat weten?’ vroeg een elf met heldere stem.
‘Gilthanas? Ben jij dat?’
‘Theros, mijn vriend!’ De jonge elfenheer stapte snel uit de schaduw en omhelsde de smid. Even was Gilthanas zo overmand door emotie dat hij niets kon zeggen. Toen maakte hij zich geschrokken los uit Theros’ berenomhelzing. ‘Theros! Je hebt twee armen! Maar de draconen hadden in Soelaas je rechterarm afgehakt. Je zou zijn gestorven als Goudmaan je niet had genezen.’
‘Weet je nog wat dat varken van een schaarsmeester tegen me zei?’ vroeg Theros zachtjes fluisterend met zijn warme, diepe stem.’ “De enige manier waarop jij nog een nieuwe arm kunt krijgen, smid, is als je er zelf een smeedt.” Nou, dat is precies wat ik heb gedaan. Het verhaal van mijn zoektocht naar de zilveren arm die ik nu draag is lang en ingewikkeld...’
‘En dit is er niet het juiste moment voor,’ mopperde iemand anders achter hem. ‘Tenzij je wilt dat een paar duizend elfen het ook horen. Dus je bent erin geslaagd te ontsnappen, Gilthanas.’ Het was Dereks stem die uit de schaduw klonk. ‘Heb je de drakenbol meegenomen?’
‘Ik ben niet ontsnapt,’ antwoordde Gilthanas koeltjes. ‘Ik heb het huis van mijn vader verlaten om mijn zus en Silvara, haar dienster, te vergezellen door de duisternis. Het was Laurana’s idee om de bol mee te nemen, niet het mijne. Er is nog tijd om dit krankzinnige plan te laten varen, Laurana,’ zei hij tegen zijn zusje. ‘Breng de bol terug. Laat je gezonde verstand niet vertroebelen door wat Porthios heeft gezegd. Als we de bol hier houden, kunnen we hem gebruiken om ons volk te verdedigen. We komen er wel achter hoe hij werkt, we hebben immers magiegebruikers in ons midden.’
‘Laten we ons dan maar meteen overgeven aan de wachters. Dan kunnen we tenminste op een warme plek verder slapen!’ Flints woorden werden vergezeld door witte ademwolkjes.
‘Sla nu alarm, elf, of laat ons gaan. Geef ons in elk geval wat tijd voor je ons verraadt,’ zei Derek.
‘Ik ben helemaal niet van plan om jullie te verraden,’ zei Gilthanas boos. Zonder acht te slaan op de anderen wendde hij zich opnieuw tot zijn zus. ‘Laurana?’
‘Ik ben vastbesloten,’ antwoordde ze langzaam. ‘Ik heb er diep over nagedacht en ik geloof dat dit de juiste beslissing is. Elistan is het met me eens. Silvara zal ons door de bergen leiden.’
‘Ik ken de bergen ook,’ mengde Theros zich in het gesprek. ‘Ik had op dit eiland niets beters te doen dan daar rondzwerven. En jullie hebben mij nodig om voorbij de wachters te komen.’
‘Dan staat ons besluit vast.’
‘Goed dan,’ verzuchtte Gilthanas. ‘Ik ga met jullie mee. Als ik hier blijf, zal Porthios me altijd blijven verdenken van medeplichtigheid.’
‘Al goed,’ snauwde Flint. ‘Kunnen we dan nu ontsnappen? Of moeten we nog iemand wakker maken?’
‘Deze kant op,’ zei Theros. ‘De wachters zijn eraan gewend dat ik midden in de nacht rondzwerf. Blijf in de schaduw en laat mij het woord doen.’ Met zijn zilveren hand greep hij Tasselhof bij de kraag van zijn dikke bontmantel en tilde hem zo hoog boven de grond dat hij hem recht in de ogen kon kijken. ‘En dan heb ik het vooral tegen jou, kleine dief,’ zei hij streng.
‘Ja, Theros,’ antwoordde de kender gedwee, kronkelend in de greep van de smid tot die hem weer neerzette. Een beetje van zijn stuk gebracht hing Tas zijn buidels recht en trachtte zijn geschonden waardigheid te hervinden.
De reisgenoten liepen zo zachtjes als maar mogelijk was voor twee geharnaste ridders en een dwerg achter de lange, donkere smid aan langs de buitenste rand van het stille elfenkamp. In Laurana’s oren maakten ze meer kabaal dan een groep bruiloftsgasten. Ze beet op haar lip om niets te zeggen terwijl de ridders zich rammelend door het donker voortbewogen, en Flint over elke boomwortel struikelde en in elke plas water stapte.
De elfen hadden zich echter in hun zelfgenoegzaamheid gewikkeld alsof het een dikke, zachte deken was. Ze waren het gevaar ontvlucht. Niemand geloofde dat het zou terugkeren. Dus sliepen ze gewoon door terwijl de reisgenoten in het donker ontsnapten.
Silvara, die de drakenbol dicht tegen haar lichaam aan droeg, voelde de koude kristallen bol warm worden, voelde het kloppende leven dat zich erin roerde.
‘Wat moet ik doen?’ fluisterde ze afwezig in het Kaganesti. Bijna blindelings strompelde ze door de duisternis. ‘Ik heb hem in handen gekregen. Waarom? Ik begrijp het niet. Wat word ik geacht te doen?’
4
De Rivier van de Doden. De legende van de zilveren draak.
Het was een stille, koude nacht. Onweerswolken hielden het licht van de maan en de sterren tegen. Er was geen regen, geen wind, alleen een drukkend gevoel van gespannen afwachting. Laurana voelde dat de hele natuur alert, angstig en op zijn hoede was. En achter hen sliepen de elfen, gehuld in een cocon van hun eigen onbeduidende angst en haat. Wat voor afschuwelijk, gevleugeld wezen zou er uit die cocon komen kruipen, vroeg ze zich af.
De reisgenoten wisten zonder al te veel problemen langs de elfenwachters te glippen. Zodra ze Theros herkenden, bleven de wachters kameraadschappelijk met hem staan praten, terwijl de anderen hen via het bos voorbij slopen. In het eerste, kille licht van de dageraad bereikten ze de rivier.
‘En hoe moeten we eroverheen komen?’ vroeg de dwerg met een sombere blik op het water. ‘Ik heb niet veel op met boten, maar varen is nog altijd beter dan zwemmen.’
‘Dat zou geen probleem moeten zijn.’ Theros draaide zich om naar Laurana en zei met een knikje in Silvara’s richting: ‘Vraag maar aan dat vriendinnetje van je.’
Geschrokken keek Laurana de wilde elf aan, net als de anderen. Silvara, die verlegen werd van al die starende blikken, bloosde diep en boog haar hoofd. ‘Kargai Sargaron heeft gelijk,’ prevelde ze. ‘Wacht hier op me, in de schaduw van de bomen.’
Ze liet hen achter en rende met een betoverend wilde, ongeremde gratie naar de oever. Het viel Laurana op dat met name Gilthanas de wilde elf met zijn ogen volgde.
Silvara zette haar vingers aan haar lippen en floot als een vogel. Ze wachtte even, waarna ze de roep driemaal herhaalde. Binnen een paar minuten kreeg ze antwoord. Vanaf de overkant van de rivier galmde een soortgelijk fluitje over het water.
Tevreden keerde Silvara terug naar de groep. Hoewel ze tegen Theros praatte, zag Laurana dat haar blik afgleed naar Gilthanas. Toen ze zag dat hij naar haar stond te staren, bloosde ze en keek snel weer naar Theros.
‘Kargai Sargaron,’ zei ze haastig, ‘mijn landgenoten komen eraan, maar ik wil graag dat u met me meegaat om hun de situatie uit te leggen.’ Silvara’s blauwe ogen — Laurana kon ze duidelijk zien in het ochtendlicht — waren op Sturm en Derek gericht. De wilde elf schudde kort haar hoofd. ‘Ze zullen deze mensen niet graag binnenlaten in ons land, en de elfen ook niet, vrees ik,’ zei ze met een verontschuldigende blik op Laurana en Gilthanas.
‘Ik praat wel met hen,’ zei Theros. Hij keek naar de overkant van de rivier en gebaarde naar de anderen. ‘Daar komen ze aan.’
Laurana zag twee donkere silhouetten over de wolkengrijze rivier glijden. Kennelijk hielden de Kaganesti voortdurend de wacht, besefte ze. Ze hadden Silvara’s roep herkend. Vreemd dat een slavin zoveel vrijheid had. Als het zo gemakkelijk was om te ontsnappen, waarom was Silvara dan bij de Silvanesti gebleven? Dat was niet logisch. Tenzij het niet haar doel was om te ontsnappen.