Выбрать главу

‘Wat betekent “Kargai Sargaron”?’ vroeg ze zonder inleiding aan Theros.

‘Hij met de zilveren arm,’ antwoordde Theros glimlachend.

‘Ze lijken je te vertrouwen.’

‘Ja. Ik heb je verteld dat ik een groot deel van de tijd rondzwerf. Dat is niet helemaal waar. Ik breng veel tijd door bij Silvara’s volk.’ Het donkere gezicht van de smid betrok. ‘Met alle respect, elfendame, je hebt geen idee wat een leed jouw volk die wilde elfen berokkent: ze schieten al het wild of jagen het weg, en ze gebruiken goud, zilver en staal om de jongeren aan zich te onderwerpen.’ Theros slaakte een boze zucht. ‘Ik heb gedaan wat ik kon. Ik heb hun geleerd hoe ze jachtwapens en gereedschappen kunnen smeden. Maar ik vrees dat ze een lange, moeilijke winter voor de boeg hebben. Nu al wordt het wild schaars. Als het zover komt dat ze moeten kiezen tussen doodgaan van de honger en hun elfenverwanten doden...’

‘Als ik zou blijven,’ prevelde Laurana, ‘zou ik er misschien iets aan kunnen doen...’ Toen besefte ze dat dat een belachelijke gedachte was. Wat kon zij eraan doen? Zelfs haar eigen volk had haar verstoten!

‘Je kunt niet op twee plaatsen tegelijk zijn,’ zei Sturm. ‘De elfen moeten hun eigen problemen oplossen, Laurana. Je maakt de juiste keuze.’

‘Weet ik,’ antwoordde ze zuchtend. Over haar schouder keek ze naar het kamp van de Qualinesti. ‘Ooit was ik net zoals zij, Sturm,’ zei ze huiverend. ‘Mijn prachtige, kleine wereldje draaide al zo lang om mij heen dat ik mezelf het middelpunt van het heelal achtte. Ik ben achter Tanis aan gerend omdat ik ervan overtuigd was dat ik hem kon dwingen van me te houden. Waarom zou hij ook niet? Iedereen hield immers van me. Maar toen ontdekte ik dat de wereld niét om mij draaide. Sterker nog, de wereld was helemaal niet in me geïnteresseerd. Ik zag smart en dood. Ik werd gedwongen om te doden’ — ze keek naar haar handen — ‘om niet gedood te worden. Ik heb echte liefde gezien. Liefde zoals die van Goudmaan en Waterwind, liefde die tot elk offer bereid was, zelfs dat van het leven. Toen voelde ik me opeens heel klein en onbeduidend. En nu is mijn volk dat in mijn ogen ook. Klein en onbeduidend. Ooit dacht ik dat ze volmaakt waren, maar nu begrijp ik hoe Tanis zich voelde en waarom hij is weggegaan.’

De boten van de Kaganesti hadden de oever bereikt. Silvara en Theros liepen naar de elfen toe die de peddels hanteerden, om met hen te praten. Op een gebaar van Theros stapten de reisgenoten uit de schaduw van de bomen en gingen ze op de oever staan — met hun handen op veilige afstand van hun wapens — zodat de Kaganesti hen konden zien. In eerste instantie leek het hopeloos. De elfen praatten in een merkwaardig, grof dialect van het elfs dat Laurana maar moeilijk kon verstaan. Kennelijk weigerden ze botweg zich met de groep in te laten.

Toen klonk er achter hen in het bos trompetgeschetter. Gilthanas en Laurana keken elkaar geschrokken aan. Theros keek achterom, wees dringend naar zijn metgezellen en sloeg zichzelf toen op de borst. Kennelijk beloofde hij plechtig dat hij voor de reisgenoten kon instaan. Weer klonken er trompetten. Silvara sprak haar landgenoten overredend toe. Uiteindelijk stemden de Kaganesti in, zij het met een overduidelijk gebrek aan enthousiasme.

De reisgenoten haastten zich naar het water, want inmiddels waren ze zich er allemaal van bewust dat hun afwezigheid was opgemerkt en dat de achtervolging was ingezet. Een voor een stapten ze voorzichtig in de boten, niet veel meer dan uitgeholde boomstammen. Allemaal, behalve Flint, die zich kreunend op de grond liet vallen, zijn hoofd schudde en in het dwergs voor zich uit mopperde. Bezorgd nam Sturm hem op, vrezend voor een herhaling van het incident aan het Kristalmirmeer, toen de dwerg had geweigerd voet in een boot te zetten. Het was echter Tasselhof die aan de mopperende dwerg trok en sjorde, tot die eindelijk opstond.

‘We maken nog wel een keer een schipper van je,’ zei de kender opgewekt terwijl hij Flint een por in de rug gaf met zijn hoopak.

‘Mooi niet! En por me niet zo met dat ding,’ grauwde de dwerg. Bij de rand van het water bleef hij staan, nerveus prutsend aan een stukje hout. Tas sprong een boot in en stak afwachtend zijn handen naar hem uit.

‘Verdorie, Flint, stap in die boot!’ brulde Theros.

‘Goed, maar je moet meéén ding uitleggen,’ zei de dwerg, moeizaam slikkend. ‘Waarom wordt het de Rivier van de Doden genoemd?’

‘Dat merk je snel genoeg,’ gromde Theros. Met zijn sterke, zwarte hand greep hij de dwerg in de kraag, tilde hem van de oever en zette hem zonder pardon als een zak aardappelen in de boot. ‘We kunnen gaan,’ zei hij tegen de wilde elfen, die niet meer aansporing behoefden. Hun houten peddels staken al diep in het water.

De eenvoudige boot werd door de stroming gegrepen en bewoog snel in westelijke richting. De met bomen bedekte oevers vlogen praktisch voorbij, en de reisgenoten zaten ineengedoken op hun bankjes om zich te beschermen tegen de koude wind die in hun gezicht sloeg en hun de adem benam. Aan de zuidoever, waar de Qualinesti woonden, zagen ze geen teken van leven, maar op de noordoever ving Laurana nu en dan een glimp op van snelle silhouetten die tussen de bomen door schoten. Het drong tot haar door dat de Kaganesti niet zo naïef waren als ze leken, want ze hielden hun verwanten nauwlettend in de gaten. Ze begon zich af te vragen hoeveel Kaganestislaven in werkelijkheid spionnen waren. Haar blik dwaalde af naar Silvara.

De stroming bracht hen snel naar een vertakking waar twee rivieren samenkwamen. De ene kwam uit het noorden, en de andere, waar zij overheen voeren, voegde zich er vanuit het oosten bij. Samen vormden zeéén brede rivier die in het zuiden uitkwam in de zee. Opeens wees Theros ergens naar.

‘Daar heb je het antwoord op je vraag, dwerg,’ zei hij plechtig.

Op de rivier vanuit het noorden dreef nog een boot. Eerst dachten ze dat hij was losgeslagen, want ze zagen er niemand in zitten. Toen viel hun echter op dat hij te diep in het water lag om leeg te zijn. De wilde elfen remden hun boten af, stuurden ze naar de ondiepte en hielden ze daar, terwijl ze respectvol het hoofd bogen.

Opeens wist Laurana het.

‘Een begrafenisboot,’ prevelde ze.

‘Ja,’ antwoordde Theros met trieste blik. Gedragen door de stroming dreef de boot langs hen heen. Daarin lag het lichaam van een jonge wilde elf, een krijger, afgaand op zijn primitieve leren wapenrusting. Zijn handen waren op zijn borst gelegd en omklemden een ijzeren zwaard. Naast hem lagen een boog en een koker vol pijlen. Zijn ogen waren gesloten in de vredige slaap waaruit hij nimmermeer zou ontwaken.

‘Nu weet je waarom hij Thon-Tsalarian, de Rivier van de Doden, wordt genoemd,’ zei Silvara met haar zachte, melodieuze stem. ‘Al eeuwen vertrouwt mijn volk zijn doden toe aan de zee waaruit we zijn ontstaan. Dat oeroude gebruik is een bitter twistpunt geworden tussen de Kaganesti en hun verwanten.’ Ze keek naar Gilthanas. ‘Jouw volk beschouwt dit als een bezoedeling van de rivier. Ze proberen ons te dwingen ermee op te houden.’

‘Op een dag zal het lichaam dat de rivier afdrijft dat van een Qualinesti of Silvanesti zijn, met de pijl van een Kaganesti in zijn borst,’ voorspelde Theros, ‘en dan breekt er oorlog uit.’

‘Ik denk dat alle elfen een veel dodelijker vijand zullen moeten bestrijden,’ zei Sturm hoofdschuddend. ‘Kijk maar.’ Hij wees.

Aan de voeten van de dode krijger lag een schild, dat van de vijand die hem in de strijd had gedood. Zodra ze het afschuwelijke symbool zag dat op het gedeukte schild stond, stokte Laurana’s adem.

‘Dat is van een dracoon!’

De reis stroomopwaarts over de Thon-Tsalarian was lang en moeizaam, want de stroming was snel en krachtig. Zelfs Tas kreeg een peddel in de handen gedrukt zodat hij kon helpen roeien, maar hij liet hem meteen overboord vallen en ging er zelf bijna halsoverkop achteraan toen hij hem wilde pakken. Derek greep Tas’ riem vast en sleurde hem de boot weer in. Ondertussen gebaarden de Kaganesti dat ze hem eruit zouden gooien als hij nog meer problemen veroorzaakte.