Al snel raakte Tasselhof verveeld en ging hij over de rand zitten turen, in de hoop ergens een vis te zien.
‘Hé, dat is vreemd,’ zei de kender opeens. Hij stak zijn hand in het water. ‘Moet je zien,’ zei hij opgewonden. Zijn hand leek bedekt met fijn zilverstof dat glinsterde in het licht van de vroege ochtend. ‘Het water glinstert! Moet je kijken, Flint,’ riep hij tegen de dwerg, die in de andere boot zat. ‘Kijk eens naar het water.’
‘Over mijn lijk,’ zei de dwerg klappertandend. Flint zat grimmig te roeien, al was het nog maar de vraag of hij echt iets bijdroeg. Hij weigerde namelijk steevast naar het water te kijken, waardoor hij in een heel ander ritme roeide dan de anderen.
‘Je hebt gelijk, kleine kender,’ zei Silvara glimlachend. ‘De Silvanesti hebben de rivier zelfs Thon-Sargon genoemd, wat “Zilveren Weg” betekent. Jammer dat het nu zulk somber weer is. Als de zilveren maan vol is, lijkt de rivier wel van gesmolten zilver. Werkelijk prachtig.’
‘Maar waarom? Waardoor wordt het veroorzaakt?’ vroeg de kender, die nog steeds opgetogen zijn glinsterende hand zat te bestuderen.
‘Dat weet niemand, hoewel mijn volk een legende kent...’ Abrupt hield Silvara haar mond. Ze bloosde diep.
‘Wat voor legende?’ vroeg Gilthanas. De elfenheer zat tegenover Silvara, die in de boeg had plaatsgenomen. Hij peddelde niet veel beter dan Flint, want hij was veel meer geïnteresseerd in Silvara’s gezicht dan in zijn taak. Telkens als Silvara opkeek, zag ze hoe hij naar haar staarde. Met het verstrijken van de uren werd ze steeds nerveuzer en verwarder.
‘Dat is voor jou toch niet interessant,’ zei ze terwijl ze in een poging Gilthanas’ blik te vermijden uitkeek over het zilvergrijze water. ‘Het is maar een sprookje over Huma.’
‘Huma?’ vroeg Sturm, die achter Gilthanas zat en met zijn snelle, krachtige slagen het gebroddel van zowel de dwerg als de elf compenseerde. ‘Vertel ons die legende over Huma, wilde elf.’
‘Ja, vertel ons je legende,’ viel Gilthanas hem glimlachend bij.
‘Goed dan,’ zei ze blozend. Ze schraapte haar keel en begon. ‘Volgens de Kaganesti reisde Huma tijdens de laatste dagen van de afschuwelijke drakenoorlog door het land om de mensen te helpen. Tot zijn verdriet besefte hij echter al snel dat hij niets kon beginnen tegen de dood en verderf zaaiende draken. Hij bad tot de goden om een oplossing.’ Silvara wierp een vluchtige blik op Sturm, die plechtig knikte.
‘Dat klopt,’ zei de ridder. ‘En Paladijn reageerde op zijn smeekbede en stuurde hem de witte hertenbok. Maar waar die hem naartoe leidde, weet niemand.’
‘Mijn volk wel,’ zei Silvara zachtjes, ‘want na vele beproevingen en gevaren leidde de hertenbok Huma hier, in Ergoth, naar een stil bosje. Daar ontmoette hij een mooie, deugdzame vrouw die zijn pijn verzachtte. Huma werd verliefd op haar en zij op hem. Toch weigerde ze maandenlang zijn liefdesbetuigingen te beantwoorden. Uiteindelijk was ze echter niet in staat de brandende liefde te verloochenen die ze voor hem voelde, en keerde ze naar hem terug. Hun geluk was als het zilveren maanlicht in een afschuwelijk donkere nacht.’
Even zweeg Silvara. Met niets ziende ogen staarde ze in de verte, en ze legde haar hand afwezig op de ruwe doek die de drakenbol aan haar voeten bedekte.
‘Ga door,’ drong Gilthanas aan. De elfenheer deed zelfs niet meer alsof hij roeide en zat doodstil en als betoverd te luisteren naar Silvara’s melodieuze stem en te kijken naar haar mooie ogen.
Silvara zuchtte. Ze haalde haar hand van de doek en keek over het water naar het in schaduw gehulde bos. ‘Hun vreugde was van korte duur,’ zei ze zachtjes. ‘Want de vrouw had een verschrikkelijk geheim. Ze was van geboorte geen mens, maar een draak. Alleen dankzij haar magie kon ze haar vrouwelijke vorm behouden. Ze kon echter niet langer tegen Huma liegen. Daarvoor hield ze te veel van hem. Bevreesd onthulde ze aan Huma wat ze was, door op een nacht in haar ware gedaante, die van een zilveren draak, voor hem te verschijnen. Ze hoopte dat hij haar zou haten, dat hij haar zou vernietigen zelfs, want haar leed was zo groot dat ze er niet mee wenste te leven. Toen hij echter naar het stralende schitterende wezen keek dat voor hem stond, zag de ridder in haar ogen de nobele geest van de vrouw van wie hij hield. Haar magie veranderde haar weer in een vrouw, en ze bad tot Paladijn dat hij haar de rest van haar leven als vrouw zou laten doorbrengen. Ze was bereid haar magie en de lange levensduur van de draken op te geven om samen met Huma op deze wereld te kunnen leven.’
Silvara sloot haar ogen, en haar gezicht vertrok van pijn. Gilthanas, die haar aandachtig zat op te nemen, vroeg zich af waarom een oude legende haar zo aangreep, en legde zijn hand op de hare. Daar schrok ze hevig van, en als een wild dier trok ze zich zo snel terug dat de boot ervan wiebelde.
‘Neem me niet kwalijk,’ zei Gilthanas. ‘Het was niet mijn bedoeling je te laten schrikken. Wat gebeurde er toen? Wat was Paladijns antwoord?’
Silvara haalde diep adem. ‘Paladijn wilde haar wens in vervulling laten gaan, opéén verschrikkelijke voorwaarde. Hij liet hun beiden de toekomst zien. Als zij een draak bleef, zouden zij en Huma de Drakenlans krijgen, en de macht om de kwade draken te verslaan. Als ze sterfelijk werd, zouden Huma en zij als man en vrouw kunnen samenleven, maar zouden de kwade draken voorgoed blijven. Huma bezwoer dat hij alles wilde opgeven — zijn ridderschap, zijn eer — om bij haar te zijn. Terwijl hij dat zei, zag ze echter het licht in zijn ogen doven, en wenend besefte ze welk antwoord ze zou moeten geven. De kwade draken mochten niet vrij op deze wereld blijven rondlopen. De zilveren rivier, zo wordt beweerd, werd gevormd door de tranen die de draak vergoot toen Huma haar verliet om de Drakenlans te zoeken.’
‘Mooi verhaal. Beetje droevig,’ zei Tasselhof gapend. ‘Is die ouwe Huma nog teruggekomen? Loopt het goed af?’
‘Huma’s verhaal loopt niet goed af,’ zei Sturm met een frons tegen de kender. ‘Maar hij is als een held gesneuveld in de strijd, want hij is erin geslaagd de leider van de draken te doden, al liep hij daarbij zelf een dodelijke verwonding op. Ik heb echter wel gehoord,’ voegde hij er bedachtzaam aan toe, ‘dat hij ten strijde trok op de rug van een zilveren draak.’
‘En in IJsmuur hebben we een ridder op een zilveren draak gezien,’ zei Tas opgewekt. ‘Hij gaf Sturm de…’
De ridder gaf Tas een snelle por in zijn rug. Net op tijd herinnerde de kender zich dat dat geheim moest blijven.
‘Daar weet ik verder niets van,’ zei Silvara schouderophalend. ‘Mijn volk weet maar weinig over Huma. Hij was immers een mens. Ik denk dat ze dit verhaal alleen vertellen omdat het gaat over de rivier die ze liefhebben, de rivier die hun doden tot zich neemt.’
Op dat moment wees een van de Kaganesti naar Gilthanas en zei op scherpe toon iets tegen Silvara. Niet-begrijpend keek Gilthanas haar aan. De elfenmaagd glimlachte. ‘Hij vraagt zich af of de elfenheer zich soms te goed voelt om te peddelen, want in dat geval mag hij wat hem betreft gaan zwemmen.’
Met een rode blos op zijn wangen grijnsde Gilthanas naar haar. Snel pakte hij zijn peddel en ging aan het werk.
Ondanks al hun inspanningen — tegen het eind van de dag peddelde zelfs Tasselhof weer mee — was de reis stroomopwaarts traag en zwaar. Tegen de tijd dat ze aan land kwamen, deden hun spieren pijn van de inspanning en zaten hun handen onder het bloed en de blaren. Ze slaagden er nog net in om de boten op het droge te trekken en ze te verbergen.
‘Denk je dat we onze achtervolgers hebben afgeschud?’ vroeg Laurana vermoeid aan Theros.
‘Beantwoordt dat je vraag?’ Hij wees stroomafwaarts.
In de snel vallende duisternis kon Laurana nog vaag een paar donkere silhouetten op het water zien. Ze waren nog een heel eind verderop, maar het was Laurana wel duidelijk dat de reisgenoten die nacht weinig rust zouden krijgen. Een van de Kaganesti maakte echter een gebaar stroomafwaarts en zei iets tegen Theros. De grote smid knikte.