‘Maak je geen zorgen. Tot morgenochtend zijn we veilig. Hij zegt dat ook zij aan land zullen moeten gaan. Niemand durft ’s nachts de rivier te bevaren, zelfs de Kaganesti niet, en die kennen elke bocht en elke hindernis. Hij zegt dat hij hier, vlak bij de rivier, het kamp wil opslaan, ’s Nachts zwerven er vreemde wezens door het bos, mannen met het hoofd van een hagedis. Morgen zullen we zo ver mogelijk over het water reizen, maar het zal niet lang duren voordat we de rivier moeten verlaten en over het land verder moeten.’
‘Vraag hem eens of zijn volk de Qualinesti die ons achtervolgen zal tegenhouden als we zijn land binnengaan,’ zei Sturm tegen Theros.
Theros draaide zich om naar de Kaganesti-elf en stelde de vraag in zijn onhandige elfs, dat echter goed genoeg was om zich verstaanbaar mee te maken. De Kaganesti-elf schudde zijn hoofd. Hij was een wilde, woest ogende man. Laurana begreep wel waarom haar volk de Kaganesti als halve beesten beschouwde. Zijn gezicht verried sporen van verre menselijke voorouders. Hoewel hij geen baard had — daarvoor was het bloed dat door de aderen van de Kaganesti stroomde te zuiver elfs — deed de elf Laurana sterk denken aan Tanis met zijn snelle, vastberaden manier van spreken, zijn sterke, gespierde lijf en zijn nadrukkelijke gebaren. Overweldigd door herinneringen wendde ze zich af.
Theros vertaalde wat de elf had gezegd. ‘Hij zegt dat de Qualinesti volgens het protocol de oudsten om toestemming moeten vragen om het land van de Kaganesti te betreden als ze jullie willen achtervolgen. Waarschijnlijk zullen de oudsten daar toestemming voor geven, en mogelijk bieden ze zelfs hun hulp aan. Zij willen net zomin mensen in Zuid-Ergoth als hun verwanten. Sterker nog,’ voegde Theros er langzaam aan toe, ‘hij heeft duidelijk gemaakt dat er maaréén reden is dat hij en zijn vrienden ons nu helpen, namelijk om mij een gunst te bewijzen in ruil voor alles wat ik in het verleden voor hen heb gedaan, en om Silvara te helpen.’
Laurana’s blik viel op het meisje. Silvara stond aan de oever van de rivier met Gilthanas te praten.
Theros zag Laurana’s gezicht verstrakken. Hij keek naar de wilde elf en de elfenheer en kon raden wat ze dacht.
‘Merkwaardig om jaloezie te zien op het gezicht van iemand die volgens de geruchten is weggelopen om de minnares te worden van mijn vriend Tanis de halfelf,’ merkte Theros op. ‘Ik dacht dat jij anders was dan de rest van je volk, Laurana.’
‘Dat is het niet!’ zei Laurana, die haar wangen voelde branden. ‘Ik ben Tanis’ minnares niet. Niet dat het iets uitmaakt. Ik vertrouw dat meisje gewoon niet. Ze... nou ja, ze wil ons net iets te graag helpen, als je begrijpt wat ik bedoel.’
‘Misschien heeft het iets met je broer te maken.’
‘Hij is een elfenheer...’ begon Laurana boos, maar zodra ze besefte wat ze ging zeggen, kapte ze haar zin af. ‘Wat weet jij over Silvara?’ vroeg ze in plaats daarvan.
‘Weinig,’ zei Theros, terwijl hij haar aankeek met een teleurgestelde blik die haar onredelijk boos maakte. ‘Ik weet dat ze zeer gerespecteerd en geliefd is bij haar volk, met name vanwege haar geneeskrachtige gaven.’
‘En haar gave als spionne?’ vroeg Laurana koeltjes.
‘Deze mensen vechten om te overleven. Ze doen wat ze moeten doen,’ zei Theros streng. ‘Dat was een prachtige toespraak van je, aan de oever van de rivier, Laurana. Je had me bijna voor de gek gehouden.’
De smid ging de Kaganesti helpen met het verstoppen van de boten. Boos en beschaamd beet Laurana op haar lip. Wat was dit frustrerend. Had Theros gelijk? Was ze jaloers omdat Gilthanas zoveel aandacht aan Silvara besteedde? Vond ze hem te goed voor haar? Zo had Gilthanas altijd tegen Tanis aangekeken, dat was een feit. Was dit anders?
Luister naar je gevoel, had Raistlin gezegd. Dat was allemaal leuk en aardig, maar dan moest ze eerst begrijpen wat haar gevoel zei. Had ze dan niets geleerd van haar liefde voor Tanis?
Jawel, besloot Laurana uiteindelijk toen de mist in haar hoofd optrok. Ze meende wat ze tegen Theros had gezegd. Als er iets aan Silvara was wat ze niet vertrouwde, had dat niets te maken met het feit dat Gilthanas zich tot haar aangetrokken voelde. Het was iets waar ze haar vinger niet op kon leggen. Het speet Laurana dat Theros haar verkeerd had begrepen, maar ze zou Raistlins raad opvolgen en op haar intuïtie vertrouwen.
Ze zou Silvara scherp in het oog houden.
5
Silvara.
Hoewel elke spier in Gilthanas’ lichaam om rust schreeuwde en hij het gevoel had dat hij niet snel genoeg onder de dekens kon kruipen, lag hij al snel klaarwakker naar de hemel te staren. Nog steeds hingen er donkere onweerswolken, maar vanuit het westen was een zilt briesje opgestoken dat ze uiteen dreef. Nu en dan ving hij een glimp op van sterren, enéén keer flakkerde de rode maan als een kaarsvlam aan het zwerk, om vervolgens door de wolken te worden gedoofd.
In zijn pogingen een makkelijkere houding te vinden woelde en draaide hij tot zijn dekens een onontwarbare kluwen vormden, en moest hij overeind komen om zichzelf eruit te bevrijden. Uiteindelijk besloot hij dat slapen onmogelijk was op de harde, bevroren grond en gaf hij het op.
Zijn metgezellen leken er helemaal geen problemen mee te hebben, constateerde hij verbitterd. Laurana lag te slapen als een roos, met haar wang op haar hand, zoals ze al van kinds af aan deed. Wat gedroeg ze zich de laatste tijd vreemd, dacht hij. Maar ach, dat kon hij haar eigenlijk nauwelijks kwalijk nemen. Ze had alles opgegeven om te doen wat zij juist achtte en de bol naar Sancrist te brengen. Ooit was haar vader misschien nog bereid geweest haar weer in de familie op te nemen, maar nu was ze voorgoed een verschoppeling.
Gilthanas zuchtte. En hijzelf? Hij had het liefst gewild dat de bol in Qualin-Mori was gebleven. Hij vond dat zijn vader gelijk had. Toch?
Kennelijk niet, want ik ben hier, zei Gilthanas in gedachten. Bij de goden, zijn normbesef werd al net zo vaag als dat van Laurana! Eerst was zijn haat jegens Tanis — die hij jarenlang zorgvuldig had gekoesterd, overtuigd van zijn eigen gelijk — langzaam maar zeker weggestorven en was er bewondering, genegenheid zelfs, voor in de plaats gekomen. Vervolgens was zijn afkeer van andere rassen een stille dood gestorven.
Hij kende maar weinig elfen die zo nobel en onbaatzuchtig waren als de mens Sturm Zwaardglans. En hoewel hij Raistlin niet mocht, benijdde hij de jonge magiër wel om zijn vaardigheid. Zelf had Gilthanas, die magie meer als een tijdverdrijf beschouwde, nooit het geduld of de moed gehad een dergelijk niveau te bereiken. Ten slotte moest hij toegeven dat hij zelfs op de kender en de chagrijnige oude dwerg gesteld was. Maar dat hij verliefd zou worden op een wilde elf had hij nooit verwacht.
‘Goed dan!’ zei Gilthanas hardop. ‘Ik geef het toe. Ik hou van haar!’ Maar was het wel liefde, vroeg hij zich af, of alleen lichamelijke aantrekkingskracht? Hij grijnsde bij de gedachte aan haar groezelige gezicht, haar smerige haar en haar gerafelde kleren. De ogen van mijn ziel zien duidelijk beter dan die in mijn hoofd, dacht hij terwijl hij een warme blik op haar dekens wierp.
Tot zijn verbijstering zag hij echter dat daar niemand onder lag. Geschrokken keek hij om zich heen. Ze hadden het niet aangedurfd een kampvuur te maken. Niet alleen zaten de Qualinesti achter hen aan, Theros had ook gezegd dat er groepen draconen door het land zwierven.
Met die gedachte in zijn achterhoofd stond Gilthanas snel op om Sil vara te zoeken. Hij bewoog zich zo stilletjes mogelijk in de hoop dat hij geen vragen zou hoeven te beantwoorden van Sturm en Derek, die op wacht stonden. Een plotselinge, beangstigende gedachte schoot door zijn hoofd. Haastig zocht hij naar de drakenbol. Maar die lag nog op de plek waar Silvara hem had neergelegd. Ernaast lag de kapotte schacht van de drakenlans.
Gilthanas haalde opgelucht adem. Toen vingen zijn scherpe oren het gespetter van water op. Nadat hij een tijdje aandachtig had geluisterd, kwam hij tot de conclusie dat het geen vis was, en ook geen nachtvogel die de rivier indook op zoek naar een prooi. De elfenheer wierp een blik op Derek en Sturm. De twee ridders stonden een eindje uit elkaar op een uitstekende rots die uitzicht bood op het kamp. Gilthanas hoorde hen fel fluisterend ergens over redetwisten. Stilletjes sloop de elfenheer het kamp uit en volgde het geluid van zacht spetterend water.