Gilthanas maakte niet meer geluid dan de nachtschaduwen zelf zouden maken toen hij door het donkere bos liep. Nu en dan ving hij een glimp op van de rivier die tussen de bomen door glinsterde. Uiteindelijk kwam hij bij een plaats waar het water over de rotsen in een kleine poel stroomde. Daar bleef Gilthanas staan, en zijn hart bleef bijna stilstaan. Hij had Silvara gevonden.
Een kring donkere bomen stak donker af tegen de snel bewegende wolken. De nachtelijke stilte werd slechts verbroken door het zachte geruis van de zilveren rivier, die langs een trap van stenen de poel instroomde, en door het gespetter dat Gilthanas’ aandacht had getrokken. Nu wist hij waardoor ze werden veroorzaakt.
Silvara nam een bad. Zonder acht te slaan op de kou in de lucht had de elfenmaagd zich helemaal ondergedompeld in het water. Haar kleren lagen verspreid over de oever naast een gerafelde deken. Alleen haar hoofd, schouders en armen waren zichtbaar voor Gilthanas’ elfenogen. Met haar hoofd achterover waste ze het lange haar dat achter haar als een donker spinnenweb op het oppervlak van de nog donkerder poel dreef. Met ingehouden adem keek de elfenheer naar haar. Hij wist dat hij zou moeten weggaan, maar hij kon geen vin verroeren, gebiologeerd als hij was.
Toen spleet het wolkendek. Solinari, de zilveren maan, was slechts halfvol, maar hulde alles in een kille gloed. Het water van de poel leek te veranderen in gesmolten zilver. Silvara rees omhoog uit de poel. Het water glinsterde op haar huid en in haar zilverkleurige haar, en het stroomde in glanzende straaltjes over haar lichaam, dat eveneens in een zilveren gloed leek te baden. Haar schoonheid raakte Gilthanas zo diep in zijn ziel dat hij naar adem hapte.
Geschrokken en doodsbang keek Silvara om zich heen. Haar wilde, ongetemde gratie voegde zoveel toe aan haar bekoorlijkheid dat Gilthanas geen geluid voorbij de schrijnende pijn in zijn borst kon krijgen, al wilde hij niets liever dan haar geruststellend toespreken.
Silvara rende door het water naar de oever, waar haar kleren lagen. Die raakte ze echter niet aan. In plaats daarvan stak ze haar hand in een zak en haalde er een mes uit. Klaar om zich te verdedigen draaide ze zich om.
Gilthanas zag haar lichaam beven in het zilveren maanlicht, en opeens kwam er een levendige herinnering bij hem op aan een ree die hij ooit na een lange jacht in een hoek had gedreven. De ogen van het dier hadden dezelfde angstige glans gehad als die van Silvara nu. Angstig keek de wilde elf om zich heen. Waarom ziet ze me niet, vroeg Gilthanas zich kortstondig af toen hij haar blik een paar keer over zich heen voelde gaan. In haar elfenogen zou hij toch ontzettend moeten opvallen...
Met een ruk draaide Silvara zich om, klaar om te vluchten voor het gevaar dat ze kon voelen, maar niet kon zien.
Opeens had Gilthanas zijn stem weer terug. ‘Nee! Silvara, wacht. Ik ben het, Gilthanas.’ Hij sprak op ferme, maar zachte toon, net als indertijd tegen de in het nauw gedreven ree. ‘Je zou niet alleen moeten zijn, daarvoor is het te gevaarlijk...’
Silvara bleef staan, half in het zilveren licht, half in de schaduw, elke spier gespannen, klaar om te vluchten. Gilthanas ging op zijn jagersinstinct af en naderde haar langzaam, terwijl hij constant op haar inpraatte en haar vasthield met zijn rustige stem en zijn ogen.
‘Je hoort hier niet alleen te zijn. Ik blijf wel bij je. Ik wilde toch al met je praten. Je moet even naar me luisteren. Ik moet iets tegen je zeggen, Silvara. Ik wil hier ook niet alleen zijn. Ga niet bij me weg, Silvara. In deze wereld ben ik al te veel kwijtgeraakt. Ga niet weg...’
Onophoudelijk zachtjes pratend liep Gilthanas met soepele, zekere passen op Silvara af, tot hij zag dat ze achteruitdeinsde. Met zijn handen geheven ging hij snel op een kei aan de rand van de poel zitten, zodat het water nog tussen hen in was. Silvara bleef staan, maar hield hem scherp in de gaten. Ze maakte geen aanstalten om zich aan te kleden. Kennelijk had ze besloten dat verdediging belangrijker was dan zedigheid. Het mes had ze nog steeds in haar hand.
Gilthanas bewonderde haar om haar vastberadenheid, al schaamde hij zich voor haar naaktheid. Iedere welopgevoede elfendame zou inmiddels allang zijn flauwgevallen. Hij wist dat hij zijn blik zou moeten afwenden, maar haar schoonheid vervulde hem met ontzag. Zijn bloed kookte. Het kostte hem veel inspanning, maar hij bleef praten, zonder zelfs maar te weten wat hij zei. Pas na een tijdje werd hij zich ervan bewust dat hij zijn diepste zielenroerselen aan haar prijs gaf.
‘Silvara, wat doe ik hier? Mijn vader heeft me nodig, mijn volk heeft me nodig. Maar hier ben ik dan, tegen de wil van mijn heer in. Mijn volk leeft in ballingschap. Ik heb dat ene voorwerp gevonden waarmee ik hen wellicht zou kunnen helpen, en nu zet ik mijn leven op het spel om het bij mijn volk weg te halen en aan mensen te geven, zodat die het kunnen gebruiken in hun oorlog. Het is niet eens mijn oorlog, het is niet eens de oorlog van mijn volk.’ Ernstig leunde Gilthanas naar voren, want hij had gezien dat ze haar blik nietéén keer had afgewend. ‘Waarom, Silvara? Waarom heb ik mijn eer verkwanseld? Waarom heb ik mijn volk dit aangedaan?’
Hij hield zijn adem in. Silvara keek naar de duisternis en naar de veiligheid van het bos, maar richtte haar blik toen weer op hem. Ze zal vluchten, dacht hij. Zijn hart bonsde in zijn keel. Toen liet Silvara langzaam haar mes zakken. Er lag zo veel verdriet in haar ogen dat Gilthanas uiteindelijk beschaamd zijn blik afwendde.
‘Silvara,’ begon hij verstikt, ‘vergeef me. Het was niet mijn bedoeling jou bij mijn problemen te betrekken. Ik begrijp gewoon niet wat ik geacht word te doen. Het enige wat ik weet...’
‘Is dat je het moet doen,’ maakte Silvara zijn zin voor hem af.
Gilthanas keek op. Silvara had haar lichaam bedekt met de gerafelde deken. Die bescheiden poging wakkerde zijn verlangen alleen maar aan.
Haar zilverkleurige haar, dat tot voorbij haar middel hing, glansde in het maanlicht. De deken onttrok haar zilveren huid aan het licht.
Langzaam stond Gilthanas op, waarna hij langs de oever op haar afliep. Ze stond nog steeds aan de rand van het veilige bos. Haar gespannen angst was nog steeds voelbaar, maar ze had het mes laten vallen.
‘Silvara,’ zei hij, ‘wat ik heb gedaan druist in tegen alle gebruiken van mijn volk. Toen mijn zuster me vertelde over haar plan om de bol te stelen, had ik rechtstreeks naar mijn vader moeten gaan. Ik had alarm moeten slaan. Ik had zelfde bol moeten pakken…’
Nog steeds met de deken strak om zich heen deed Silvara een stap in zijn richting. ‘Waarom heb je dat dan niet gedaan?’ vroeg ze zachtjes.
Gilthanas was nu bijna bij de rotstrap aan de noordelijke rand van de poel. Het water dat eroverheen stroomde, vormde een zilveren gordijn in het licht van de maan. ‘Omdat ik weet dat mijn volk het mis heeft. Laurana heeft gelijk. Sturm heeft gelijk. De bol naar de mensen brengen is de juiste zet. We moeten deze oorlog uitvechten. Mijn volk heeft het mis, er klopt niets van hun wetten en hun gebruiken. Dat weet ik, diep in mijn hart. Maar ik kan mijn hoofd er niet van overtuigen. Het is een kwelling voor me…’
Langzaam liep Silvara langs de rand van de poel. Ook zij naderde de zilveren waterval, maar dan vanaf de andere kant.
‘Ik begrijp het,’ zei ze zachtjes. ‘Mijn eigen... volk begrijpt ook niet wat ik doe en waarom. Maar ik begrijp het. Ik weet wat juist is, en daar geloof ik in.’
‘Ik benijd je, Silvara,’ fluisterde Gilthanas.
Hij stapte op de grootste steen, een plat eiland in de glinsterende waterval. Silvara stond nog maar een paar voet bij hem vandaan. Haar natte haar hing als een zilveren mantel om haar schouders.
‘Silvara,’ zei Gilthanas met bevende stem. ‘Er is nog een reden dat ik bij mijn volk ben weggegaan. En jij weet wat die reden is.’