Hij stak zijn hand met de palm naar boven naar haar uit.
Hoofdschuddend deed Silvara een stap achteruit. Haar ademhaling versnelde.
Gilthanas deed nog een stap in haar richting. ‘Silvara, ik hou van je,’ zei hij zachtjes. ‘Je lijkt moederziel alleen, net zo alleen als ik. Toe, Silvara, je hoeft nooit meer alleen te zijn. Dat zweer ik...’
Aarzelend stak Silvara haar hand naar de zijne uit. Met een plotselinge beweging greep Gilthanas haar bij de arm en trok haar door het water naar zich toe. Ze struikelde, maar hij ving haar op en tilde haar naast zich op de steen.
Te laat besefte de wilde ree dat ze in de val zat. Niet dat de armen van de man haar konden tegenhouden. Als ze had gewild, had ze zich gemakkelijk uit zijn omhelzing kunnen bevrijden. Nee, haar eigen liefde voor hem had haar verstrikt. Dat zijn liefde voor haar diepgeworteld en teder was, bezegelde hun lot. Ook hij was gevangen.
Gilthanas voelde haar beven, maar nu hij haar in de ogen kon kijken, wist hij dat het niet door angst, maar door hartstocht kwam. Met twee handen omvatte hij haar gezicht en kuste haar teder. Silvara hield met haar ene hand nog steeds de deken om zich heen, maar hij voelde dat ze haar vrije hand op die van hem legde. Haar lippen waren zacht en gretig. Toen proefde Gilthanas een zoute traan op zijn lippen. Hij trok zich terug en zag tot zijn verbazing dat ze huilde.
‘Silvara, niet doen. Het spijt me...’ Hij liet haar los.
‘Nee!’ fluisterde ze hees. ‘Ik huil niet omdat ik bang ben voor je liefde. Ik huil om mezelf. Dat kun je niet begrijpen.’
Verlegen legde ze haar hand in zijn nek en trok hem naar zich toe. Hij kuste haar opnieuw, en nu voelde hij haar andere hand, de hand waarmee ze de deken omhoog had gehouden, over zijn gezicht strijken.
Onopgemerkt viel Silvara’s deken in de rivier, waar hij werd meegevoerd door het zilveren water.
6
De achtervolging. Een wanhoopsplan.
Halverwege de volgende dag waren de reisgenoten gedwongen de boten achter te laten, want ze hadden de bovenloop van de rivier bereikt, waar die uit de bergen omlaag stroomde. Hier was het water ondiep, met witte schuimkoppen, want verderop waren watervallen en stroomversnellingen. Op de oever lagen vele boten. Toen ze hun eigen boten op het droge trokken, kwamen ze een groep Kaganesti-elfen tegen die uit het bos kwam. Ze droegen de lichamen van twee jonge elfenkrijgers. Sommigen trokken hun wapens en zouden in de aanval zijn gegaan als Theros IJzerfeld en Silvara hen niet haastig hadden toegesproken.
De twee praatten een hele tijd met de Kaganesti, terwijl de reisgenoten een eindje stroomafwaarts slecht op hun gemak de wacht hielden. Hoewel ze al vóór de dageraad waren opgestaan en waren vertrokken zodra de Kaganesti het veilig genoeg vonden om het snelstromende water te bevaren, hadden ze meer dan eens een glimp opgevangen van de zwarte boten die hen achtervolgden.
Toen Theros terugkwam, stond zijn donkere gezicht somber. Dat van Silvara was rood van woede.
‘Mijn volk weigert een vinger uit te steken om ons te helpen,’ meldde Silvara. ‘Ze zijn de afgelopen twee dagen tot twee keer toe aangevallen door de hagedismannen. De komst van dit nieuwe kwaad wijten ze aan de mensen, die het volgens hen hiernaartoe hebben gebracht in een schip met witte vleugels.’
‘Dat is belachelijk!’ snauwde Laurana. ‘Theros, heb je hun niets verteld over die draconen?’
‘Ik heb het wel geprobeerd,’ verklaarde de smid, ‘maar het bewijs is helaas tegen jullie. De Kaganesti hebben wel de witte draak gezien die boven het schip hing, maar weten kennelijk niet dat jullie haar hebben verdreven. Hoe dan ook, uiteindelijk hebben ze ermee ingestemd om ons door hun land te laten trekken, maar ze weigeren ons hulp te bieden. Silvara en ik hebben allebei op ons leven gezworen dat jullie je naar behoren zouden gedragen.’
‘Wat doen de draconen hier?’ vroeg Laurana, geplaagd door herinneringen. ‘Is het een leger? Staat er een invasie in Zuid-Ergoth op stapel? Zo ja, dan moeten we misschien terug.’
‘Nee, dat denk ik niet,’ zei Theros bedachtzaam. ‘Als het leger van de drakenheren klaar zou zijn om dit eiland te veroveren, zouden ze er hele eskaders draken en duizenden soldaten op afsturen. Dit lijken me eerder kleine patrouilles die tot doel hebben de gespannen situatie hier verder uit de hand te laten lopen. Waarschijnlijk hopen de drakenheren dat de elfen hun de moeite van een oorlog zullen besparen door elkaar uit te moorden.’
‘De drakencommandanten zijn er nog niet voor om Ergoth aan te vallen,’ zei Derek. ‘Hun greep op het noorden is nog niet stevig genoeg. Maar dat is slechts een kwestie van tijd. Daarom is het van het grootste belang dat we de drakenbol naar Sancrist brengen en de Raad van de Wittesteen bij elkaar roepen om te beslissen wat ermee moet gebeuren.’
Nadat ze hun bezittingen bij elkaar hadden geraapt, gingen de reisgenoten op weg naar de hooglanden. Silvara ging hen voor over een pad naast de zilveren rivier die vanuit de heuvels naar beneden raasde. Ze voelden de onvriendelijke blikken van de Kaganesti, die hen volgden tot ze uit het zicht waren verdwenen.
Bijna meteen werd het land heuvelachtig. Al snel vertelde Theros hen dat ze in een gebied waren beland waar hij nog nooit was geweest, dus moesten ze volledig op Silvara vertrouwen. Laurana was niet onverdeeld gelukkig met die situatie. Ze vermoedde dat er iets was voorgevallen tussen haar broer en het meisje toen ze hen een liefdevolle, heimelijke glimlach zag uitwisselen.
Terwijl ze bij haar volk was, had Silvara de tijd gevonden om zich om te kleden. Ze droeg nu de kleren van een Kaganestivrouw: een lange leren tuniek op een leren broek, met daaroverheen een dikke bontmantel. Nu haar haar gewassen en gekamd was, kon iedereen zien hoe ze aan haar naam was gekomen. Het had een merkwaardige, metaalachtig zilveren kleur en viel vanuit een piek boven haar voorhoofd als een prachtige stralenkrans om haar schouders.
Silvara bleek een uitstekende gids te zijn die er flink de pas in hield. Zij en Gilthanas liepen naast elkaar en praatten in het elfs. Kort voor zonsondergang bereikten ze een grot.
‘Hier kunnen we de nacht doorbrengen,’ zei Silvara. ‘Als het goed is, hebben we onze achtervolgers van ons afgeschud. Slechts weinigen kennen deze bergen zo goed als ik. Maar we mogen geen vuur maken. Ik ben bang dat ons een koude maaltijd te wachten staat.’
Uitgeput door de zware klim nuttigden ze hun troosteloze maaltijd, waarna ze in de grot een slaapplaats zochten. Gewikkeld in hun dekens en alle kledingstukken die ze bezaten, sliepen de reisgenoten onrustig. Ze hielden de wacht, en ook Laurana en Silvara stonden erop om hun steentje bij te dragen. De nacht verstreek rustig. Het enige geluid dat ze hoorden, was het huilen van de wind over de rotsen.
Maar de volgende ochtend kwam Tasselhof, die zich door een spleet in de verborgen toegang naar de grot naar buiten had geperst om even rond te kijken, opeens snel weer binnen. Met zijn vinger tegen zijn lippen gebaarde hij dat de anderen met hem mee naar buiten moesten gaan. Theros duwde de grote ronde steen opzij waarmee ze de ingang hadden afgesloten, en de reisgenoten slopen achter Tas aan. Hij leidde hen naar een plek, nog geen twintig meter van de grot, en wees grimmig naar de witte sneeuw.
Daarin zaten voetafdrukken, zo vers dat ze nog niet helemaal bedekt waren door de sneeuw die door de wind werd opgejaagd. Ze waren gemaakt door smalle, lichte voeten die niet ver in de sneeuw waren weggezakt. Niemand zei iets. Dat was niet nodig. Iedereen herkende de scherpe, onmiskenbare contouren van elfenlaarzen.
‘Ze moeten ons vannacht gepasseerd zijn,’ zei Silvara. ‘Maar we kunnen hier niet langer blijven. Het zal niet lang duren voor ze ontdekken dat ze het spoor bijster zijn, en dan komen ze terug. Tegen die tijd moeten we weg zijn.’
‘Volgens mij maakt het niet veel uit,’ bromde Flint geërgerd. Hij wees naar de duidelijk zichtbare voetsporen die ze zelf hadden achtergelaten en keek naar de kraakheldere, blauwe hemel. ‘We kunnen net zo goed op hen gaan zitten wachten. Dat bespaart hun tijd en ons moeite. We kunnen onze sporen toch niet verbergen.’